Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:700

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
201701478/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:151, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2015 heeft het college aan vergunninghoudster omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van een varkenshouderij aan de [locatie 1] te De Heurne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2018/6765
Milieurecht Totaal 2018/6769
Milieurecht Totaal 2018/6771
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701478/1/A1.

Datum uitspraak: 28 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    Stichting Leefbaar Buitengebied Gelderland, gevestigd te Oude IJsselstreek, en [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonende te De Heurne, gemeente Aalten, (hierna: de stichting en [appellant sub 1])

2.    [appellante sub 2], thans: zijn rechtsopvolger [vergunninghoudster] (hierna: vergunninghoudster)

appellanten,

tegen de ongedateerde uitspraak van de rechtbank Gelderland, verzonden op 12 januari 2017, in zaak nr. 15/1778 in het geding tussen:

de stichting en [appellant sub 1]

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalten.

Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2015 heeft het college aan vergunninghoudster omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van een varkenshouderij aan de [locatie 1] te De Heurne.

Bij tussenuitspraak van 17 mei 2016 heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit van 17 februari 2015, voor zover het geluidhinder ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting, niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om dit gebrek binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen met inachtneming van de tussenuitspraak. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 13 juni 2016 heeft het college de motivering van het besluit van 17 februari 2015 aangevuld.

Vergunninghoudster en de stichting en [appellant sub 1] hebben een zienswijze naar voren gebracht.

Bij ongedateerde einduitspraak, verzonden op 12 januari 2017, heeft de rechtbank het door de stichting en [appellant sub 1] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 februari 2015 vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de stichting en [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld. Vergunninghoudster heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 januari 2018, waar de stichting en [appellant sub 1A], onderscheidenlijk vertegenwoordigd en bijgestaan door mr. J.M. Smits, advocaat te Zoetermeer, en het college, vertegenwoordigd door N.O. Veeling, J.H.D. Hulshof en R.L. Borkes, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Vergunninghoudster heeft een varkenshouderij aan de [locatie 1] te De Heurne. Bij besluit van 17 februari 2015 heeft het college op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) omgevingsvergunning verleend voor uitbreiding van de varkenshouderij door het vergroten van de bestaande stallen en de nieuwbouw van een stal. Daarnaast is omgevingsvergunning verleend voor het houden van 711 guste en dragende zeugen, 192 kraamzeugen, 3.255 gespeende biggen, 171 opfokzeugen en 1 dekbeer.

Ontvankelijkheid

2.    Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de stichting geen zienswijze naar voren heeft gebracht en dat het beroep van de stichting daarom niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Volgens het college heeft de stichting alleen namens [appellant sub 1B] een zienswijze naar voren gebracht.

2.1.    Artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt: "Belanghebbenden kunnen bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen."

Artikel 6:13 luidt: "Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht […]."

2.2.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben een zienswijze ingediend. Daarnaast is een andere zienswijze door [appellant sub 1B] ondertekend. Op het voorblad van die zienswijze staat vermeld dat de zienswijze namens de stichting wordt ingediend. De Afdeling maakt uit de ondertekening op dat de zienswijze door [appellant sub 1B] in opdracht van de voorzitter van de stichting is getekend. Er is geen rechtsregel die eist dat degene namens wie een zienswijze naar voren wordt gebracht, deze ondertekent. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank het beroep van de stichting niet-ontvankelijk had moeten verklaren.

Het betoog faalt.

Milieueffectrapportage

3.    De stichting en [appellant sub 1] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat ten onrechte geen milieueffectrapport (hierna: MER) is opgesteld. In dit verband voeren zij aan dat door de verschillende wijzigingen in stal 2 bij elkaar opgeteld sprake is van een nieuwe installatie en de drempelwaarde van 900 zeugen wordt overschreden. Voorts is de rechtbank ten onrechte uitgegaan van 10 ventilatoren in plaats van 12 op de bij de vergunning behorende tekening en is stal 1 volgens de stichting en [appellant sub 1] onlosmakelijk verbonden met stal 2, zodat ook om die reden een MER moest worden opgesteld. Ook betogen de stichting en [appellant sub 1] dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de beroepsgrond dat in ieder geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling moest worden opgesteld vanwege de mogelijke significante gevolgen voor de Natura 2000 gebieden Korenburgerveen, Bekendelle, Wooldse Veen en Burlo-Vardingholter Venn und Entenschlatt, welke gebieden wat betreft stikstofdepositie al zwaar overbelast zijn, aldus de stichting en [appellant sub 1].

3.1.    Artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, luidt: "Bij algemene maatregel van bestuur worden de activiteiten aangewezen:

a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;

b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben."

In categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.) is als activiteit waarvoor bij de voorbereiding van een besluit het maken van een MER verplicht is, onder meer aangewezen: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van meer dan 900 stuks zeugen.

In categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is als activiteit waarvoor beoordeeld moet worden of bij de voorbereiding van een besluit een MER moet worden gemaakt, onder meer aangewezen: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van 750 stuks zeugen en 3750 stuks gespeende biggen.

Onderdeel A, onder 2, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. luidt, voor zover hier van belang: "In deze bijlage wordt mede verstaan onder oprichting van een inrichting: een uitbreiding van een inrichting door de oprichting van een nieuwe installatie."

3.2.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 30 maart 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP9585) moet een toetsing aan de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. plaatsvinden aan de hand van de toename van het aantal varkens ten opzichte van de eerder vergunde situatie.

Niet in geschil is dat de drempelwaarde uit categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet wordt overschreden indien de aangevraagde situatie als een wijziging of uitbreiding wordt aangemerkt. Slechts in het geval stal 2 wordt aangemerkt als de oprichting van een nieuwe installatie en alle daarin gehuisveste varkens moeten worden meegeteld, wordt de drempelwaarde overschreden en is het opstellen van een MER verplicht.

De wijzigingen van stal 2 bestaan uit een vergroting met twee afdelingen voor de huisvesting van 135 opfokzeugen en een gedeeltelijke herindeling van de bestaande hokindeling. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat deze wijzigingen niet zodanig zijn dat deze moeten worden aangemerkt als de oprichting van een nieuwe installatie als bedoeld in onderdeel A, onder 2, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarom behoeven de in stal 2 reeds aanwezige dieren niet te worden meegeteld en neemt het aantal zeugen door de vergunde wijziging van de stallen en de oprichting van de nieuwe stal 7 niet met meer dan 900 toe. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat geen verplichting bestond tot het opstellen van een MER.

De door vergunninghoudster ingediende aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling is door het college beoordeeld. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangevraagde uitbreiding geen milieuhygiënische effecten opleveren die een beoordeling door middel van een MER nodig maken. Reeds omdat een m.e.r.-beoordeling is gemaakt, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling moest worden opgesteld.

Het betoog faalt.

Natuurbeschermingswet

4.    De stichting en [appellant sub 1] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de aanvraag om omgevingsvergunning ten onrechte niet mede betrekking had op een toestemming op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998). Zij stellen dat de emissiehoogte van de stallen 1 en 2 in de situatie waarvoor op 12 augustus 2013 Nbw-vergunning is verleend afwijkt van de situatie waarvoor op 17 februari 2015 omgevings-vergunning is verleend. Hierdoor is volgens de stichting en [appellant sub 1] sprake van een nieuw project waarvoor opnieuw een Nbw-vergunning nodig is. Dat de wijziging van een project als een nieuw project wordt aangemerkt, volgt volgens hen uit de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ7579).

4.1.    In deze zaak is de Nbw 1998 zoals deze luidde voor 1 juli 2015 van toepassing.

Artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 luidde: "Het is verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten of, ten aanzien van projecten of andere handelingen als bedoeld in het vierde lid, van Onze Minister, projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten."

Artikel 47, eerste lid, luidde: "Deze titel is van toepassing op handelingen:

a. waarvoor een omgevingsvergunning is vereist en

b. die tevens zijn aan te merken als projecten of andere handelingen waarvoor het verbod, bedoeld in artikel 19d, eerste lid, geldt."

Het tweede lid luidde: "Deze titel is niet van toepassing op projecten of andere handelingen die zijn toegestaan krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, of waarvoor een zodanige vergunning is aangevraagd."

Artikel 47a, eerste lid, luidde: "De aanvrager van een omgevingsvergunning draagt er zorg voor dat de aanvraag tevens betrekking heeft op de handelingen die voldoen aan de criteria, bedoeld in artikel 47, eerste lid."

4.2.    Blijkens het besluit van 17 februari 2015 heeft het college zich voorafgaand aan de vergunningverlening ervan vergewist dat voor de varkenshouderij op 12 augustus 2013 een Nbw-vergunning is verleend. Uit de bijlage bij deze vergunning blijkt dat de vergunning betrekking heeft op hetzelfde aantal stallen als waarvoor omgevingsvergunning is verleend. Ook de toe te passen stalsystemen, het aantal en soort varkens dat zal worden gehouden en de diameters en uittreesnelheid van de emissiepunten zijn gelijk in beide situaties. Dit is door de stichting en [appellant sub 1] ook niet bestreden. Weliswaar is de emissiehoogte van de stallen 1 en 2 volgens de omgevingsvergunning 1 m hoger dan waarvan bij de depositieberekeningen die ten grondslag liggen aan de Nbw-vergunning is uitgegaan, maar blijkens de door het college overgelegde berekeningen heeft dit geen gevolgen voor de emissie en ammoniakdepositie. De stichting en [appellant sub 1] hebben de uitkomst van de berekening niet gemotiveerd weersproken, zodat de Afdeling geen aanleiding ziet om aan de uitkomst daarvan te twijfelen. Uit de berekeningen volgt dat op grond van objectieve gegevens is uitgesloten dat de voorgenomen wijziging van de emissiehoogte in twee stallen verslechterende gevolgen voor overbelaste stikstofgevoelige habitattypen heeft. Gelet daarop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de voorgenomen wijziging, los van de vraag of die een project of andere handeling is, niet vergunningplichtig is op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, en daarvoor geen aanpassing van de Nbw-vergunning is vereist. De rechtbank heeft in hetgeen de stichting en [appellant sub 1] in dit verband naar voren hebben gebracht, terecht geen aanleiding gezien voor vernietiging van het besluit van 17 februari 2015.

Het betoog faalt.

Bestemmingsplan

5.    De stichting en [appellant sub 1] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de omgevingsvergunning in strijd met artikel 7.3.4, onder c en d, van de planvoorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Dinxperlo 2007" is verleend. Op grond van dit artikel mogen de belangen van de in de omgeving gelegen functies en waarden niet onevenredig worden geschaad en mag de vergroting niet leiden tot een onevenredige afbreuk aan het (leef)milieu en het landschap in de omgeving. Volgens de stichting en [appellant sub 1] kon niet worden volstaan met een verwijzing naar de op 12 augustus 2013 verleende Nbw-vergunning, omdat het college zelfstandig aan de planvoorschriften moest toetsen. Ook mocht de rechtbank geen betekenis toekennen aan de Nbw-vergunning, omdat deze volgens de stichting en [appellant sub 1] evident onjuist is.

5.1.    Artikel 7.3.4 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied Dinxperlo 2007" luidt: "Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in artikel 7.2.1 voor het overschrijden van de op de plankaart als zodanig aangegeven indicatieve grenzen van het agrarisch bouwperceel, met dien verstande dat een overschrijding van het bouwperceel niet mag leiden tot een toename van de oppervlakte als bedoeld in artikel 7.1, tenzij de overschrijding samenhangt met de vrijstellingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 7.3.1, en met inachtneming van de volgende voorwaarden:

[…]

c. de belangen van in de omgeving gelegen functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad;

d. de vergroting mag niet leiden tot een onevenredige afbreuk aan het (leef)milieu en het landschap in de omgeving;

[…]."

5.2.    In de aangevraagde situatie worden de indicatieve grenzen van het agrarisch bouwperceel overschreden. Het college heeft gebruik gemaakt van de vrijstellingsbevoegdheid in artikel 7.3.1 van de planvoorschriften voor het vergroten van de oppervlakte ten behoeve van intensieve veehouderij en getoetst of aan de voorwaarden vermeld onder 5.1 wordt voldaan. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat door de aangevraagde situatie de belangen van in de omgeving gelegen functies en waarden niet onevenredig worden geschaad. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat het plangebied niet in het Nationaal Landschap, de Ecologische Hoofdstructuur, een extensiveringsgebied, stiltegebied of een grondwaterbeschermingsgebied is gelegen. Daarnaast geldt voor het plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde, liggen er geen natuurgebieden in de directe omgeving en komt de ammoniakdepositie van de aangevraagde varkenshouderij op de op grotere afstand gelegen Natura 2000-gebieden overeen met de Nbw-vergunning van 12 augustus 2013, aldus het college. Voorts heeft het college zich aan de hand van de bij de aanvraag overgelegde aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling en het GGD-advies over volksgezondheidseffecten op het standpunt gesteld dat de aangevraagde overschrijding van de grenzen van het bouwperceel niet tot een onevenredige afbreuk aan het (leef)milieu en het landschap in de omgeving leidt. Ook is een landschaps- en beheersplan opgesteld, waarmee het ruimere bouwkavel landschappelijk inpasbaar is.

5.3.    Gelet op hetgeen onder 5.2 is overwogen, heeft het college deugdelijk gemotiveerd dat de belangen van in de omgeving gelegen functies en waarden niet onevenredig worden geschaad en de vergroting niet leidt tot een onevenredige afbreuk aan het (leef)milieu en het landschap in de omgeving. De Nbw-vergunning is onherroepelijk en staat in deze procedure niet ter beoordeling. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college deze vergunning niet als onderdeel van de motivering bij het nemen van het besluit van 17 februari 2015 mocht betrekken. In het betoog van de stichting en [appellant sub 1] heeft de rechtbank dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de omgevingsvergunning in strijd met artikel 7.3.4, onder c en d, van de planvoorschriften is verleend.

Het betoog faalt.

Geluid

6.    De stichting en [appellant sub 1] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij het nemen van het besluit van 17 februari 2015 ten onrechte niet paragraaf 5.4 van het gemeentelijke geluidbeleid "Gebiedsgericht geluidbeleid gemeente Aalten" (hierna: het geluidbeleid) heeft gehanteerd. Volgens de stichting en [appellant sub 1] treedt door de omgevingsvergunning een aanmerkelijke wijziging in de bestaande situatie op, zodat de geluidgrenswaarden voor nieuwe situaties uit het geluidbeleid gehanteerd hadden moeten worden. Nu dit niet is gebeurd, zijn de in de vergunningvoorschriften gestelde geluidgrenswaarden volgens de stichting en [appellant sub 1] niet streng genoeg.

6.1.    Het college heeft bij het stellen van de geluidgrenswaarden voor de inrichting in de representatieve bedrijfssituatie het geluidbeleid toegepast. Volgens dit beleid gelden in een agrarisch gebied streefwaarden van 40, 35 en 30 dB(A) en grenswaarden van 45, 40 en 30 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Als absoluut maximum voor de nachtperiode geldt een plafondwaarde van 40 dB(A). De streef- en grenswaarden gelden volgens het geluidbeleid alleen voor nieuwe situaties. In paragraaf 5.4 van het geluidbeleid is aangegeven dat voor bestaande situaties het huidige geluidsregime van kracht blijft ‘totdat een wijziging optreedt’. In hoofdstuk 6 van het geluidbeleid is vermeld dat vorenbedoelde streef- en grenswaarden voor nieuwe bedrijven gelden en dat bestaande bedrijven hun rechten hebben en houden.

6.2.    Volgens het college betreft de inrichting een bestaand bedrijf waarvan de bestaande activiteiten worden uitgebreid. Daarom betreft het volgens het college geen nieuwe situatie en evenmin een wijziging in de zin van paragraaf 5.4 van het geluidbeleid. De Afdeling ziet geen aanleiding om dit standpunt onjuist te achten, zodat de in het geluidbeleid genoemde streef- en grenswaarden als zodanig niet van toepassing zijn op de inrichting. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ9678). De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college zijn geluidbeleid in zoverre juist heeft toegepast.

Het betoog faalt.

7.    De stichting en [appellant sub 1] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de afvoer van mest in de nachtperiode ten onrechte is vergund, omdat er geen noodzaak bestaat dit in de nachtperiode te laten plaatsvinden. De door het college gegeven motivering is volgens de stichting en [appellant sub 1] ten onrechte deugdelijk geacht.

7.1.    Het college moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. De afvoer van mest komt maximaal 10 keer per jaar voor en wordt daarom als incidentele bedrijfssituatie aangemerkt. Voor de beoordeling van incidentele bedrijfssituaties heeft het college de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: Handreiking) als uitgangspunt gehanteerd. In het akoestisch rapport dat deel uitmaakt van de verleende vergunning staat de afvoer van mest in de nachtperiode als incidentele bedrijfssituatie beschreven. In het rapport staat vermeld dat de afvoer van mest maximaal 10 keer per jaar tussen 06:00 uur en 07:00 uur zal plaatsvinden. Bij zijn afweging heeft het college betrokken dat vergunninghoudster niet bij machte is om het laden van mest in de vroege ochtend te voorkomen, doordat een chauffeur incidenteel eerder aanwezig is dan gepland en zelfstandig aanvangt met het laden van mest. Het laden van mest geschiedt met materieel van derden waardoor bronmaatregelen om geluid te reduceren niet zijn te treffen, aldus het college. In de vergunningvoorschriften 6.4 en 6.5 heeft het college aan deze incidentele bedrijfssituatie geluidgrenswaarden verbonden. Het college stelt zich op het standpunt dat hiermee ontoelaatbare geluidhinder ten gevolge van het in werking zijn van de varkenshouderij wordt voorkomen. Gelet op de gegeven motivering en het feit dat de afvoer maximaal 10 keer per jaar in de nachtperiode plaatsvindt, wordt voldaan aan het 12-dagencriterium uit paragraaf 5.3 van de Handreiking. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat in hetgeen de stichting en [appellant sub 1] aanvoeren geen grond kan worden gevonden voor het oordeel dat het college de afvoer van mest in de nachtperiode niet in redelijkheid heeft kunnen vergunnen.

Het betoog faalt.

8.    De stichting en [appellant sub 1] betogen dat de geluidgrenswaarde van 37 dB(A) uit vergunningvoorschrift 6.4, die in de incidentele bedrijfssituatie op 50 m ten noorden van de inrichtingsgrens geldt, ten onrechte leidt tot een hogere geluidbelasting op de woning van [appellant sub 1]. Ook betogen de stichting en [appellant sub 1] dat ten onrechte is ingestemd met het incidenteel uitrijden van mest gedurende de gehele nachtperiode, nu het college zelf heeft gesteld dat alleen tussen 06:00 uur en 07:00 uur mest wordt uitgereden. Voorts volgt uit de tekeningen bij de aanvraag en de vergunningvoorschriften niet waar de openingen voor het mixen en overpompen van mest geplaatst moet worden, zodat deze openingen op iedere willekeurige plaats kunnen worden aangebracht. Hiermee is volgens de stichting en [appellant sub 1] in de vergunning ten onrechte geen rekening gehouden

8.1.    Deze gronden van de stichting en [appellant sub 1] zijn eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom de stichting en [appellant sub 1] deze betogen niet reeds bij de rechtbank hebben kunnen aanvoeren, hetgeen zij uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen hadden behoren te doen, dienen deze gronden buiten beschouwing te blijven.

9.    De stichting en [appellant sub 1] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de aanvraag onvoldoende informatie over de te plaatsen luchtwassers en ventilatoren bevat. In dit verband voeren de stichting en [appellant sub 1] aan dat de beoordeling van de bronsterkte van de luchtwassers ondeugdelijk is, dat de bronsterkte van de ventilatoren van stal 1, 2 en 3 ontbreekt, merk en type aanduiding ontbreken en de meetgegevens van de geluidmetingen voor het bepalen van de bronniveau’s ontbreken.

9.1.    In paragraaf 3.2 van het akoestisch rapport staan de stationaire bronnen van de inrichting vermeld. Omdat de luchtwassers nog niet waren geplaatst en een meting van de bronsterkte niet mogelijk was, is de bronsterkte berekend aan de hand van de fabrieksgegevens. Deze berekening is opgenomen in bijlage 1 van het akoestisch rapport. Bij de berekening is onder meer de diameter van de luchtwassers en een merk en type vermeld. De resultaten van de metingen van de bronsterkte van de reeds toegepaste ventilatoren staan vermeld in hoofdstuk 4 en bijlage 1 van het akoestisch rapport. De metingen hebben blijkens paragraaf 4.1 plaatsgevonden volgens de Handleiding meten en rekenen industrielawaai. In hetgeen de stichting en [appellant sub 1] hebben aangevoerd, heeft de rechtbank dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de aanvraag ten aanzien van de luchtwassers en ventilatoren onvoldoende informatie bevatte om op de aanvraag te kunnen beslissen.

Het betoog faalt.

Geur

10.    Voor zover het college betoogt dat de rechtbank de brief van de stichting en [appellant sub 1] van 9 juni 2015 met daarin gronden over geurhinder buiten beschouwing had moeten laten wegens strijd met de goede procesorde, overweegt de Afdeling dat het college geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld. Het betoog van het college wordt daarom buiten beschouwing gelaten.

11.    De stichting en [appellant sub 1] hebben in beroep bij de rechtbank betoogd dat het besluit van 17 februari 2015 in strijd is met artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv), omdat een deel van de woning aan Kamerstraat 1 ten onrechte niet als geurgevoelig object is aangemerkt. Volgens de stichting en [appellant sub 1] heeft het college deze bepaling uit de Wgv onjuist toegepast.

De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 17 mei 2016 overwogen dat dit betoog niet slaagt nu het relativiteitsvereiste, neergelegd in artikel 8:69a van de Awb, zich verzet tegen vernietiging van het besluit van 17 februari 2015 op deze grond. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat [appellant sub 1], noch de stichting aan Kamerstraat 1 woont, dan wel gevestigd is. De door hen ingeroepen norm beoogt dan ook niet hun belangen te beschermen, aldus de rechtbank.

De stichting en [appellant sub 1] betogen in hoger beroep dat de rechtbank heeft miskend dat de in artikel 3 van de Wgv neergelegde bepaling dient ter bescherming van zowel de woning aan Kamerstraat 1 als de woning van [appellant sub 1] aan [locatie 2]. De stichting en [appellant sub 1] verwijzen in deze naar de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1379). Voorts betogen de stichting en [appellant sub 1] dat de stichting zich, gelet op haar statuten en feitelijke werkzaamheden, eveneens op deze norm mag beroepen.

11.1.    Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

Artikel 2, eerste lid, van de Wgv, luidt: "Bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot met 9."

Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, luidt: "In afwijking van het eerste lid bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen."

11.2.    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

11.3.    Niet in geschil is dat de woningen aan Kamerstraat 1, [locatie 2] en [locatie 3] woningen zijn die op of na 19 maart 2000 nog bij een andere veehouderij behoorden en buiten de bebouwde kom liggen. Zoals onder 11 is overwogen, woont [appellant sub 1] aan de [locatie 2]. De norm uit artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wgv strekt derhalve tot bescherming van de belangen van [appellant sub 1], zodat artikel 8:69a van de Awb in zoverre niet aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg staat. Reeds hierom is het betoog terecht voorgedragen. Echter, de Afdeling ziet, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, geen aanleiding tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

12.    De stichting en [appellant sub 1] betogen dat in de aangevraagde en vergunde situatie niet wordt voldaan aan de in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wgv vermelde afstand van 50 m tot een geurgevoelig object. De ruimte in de woning aan de Kamerstraat 1 die door het college wordt omschreven als "een soort van berging/fietsenstalling/halletje/ doorloop" (hierna: het halletje) dient volgens de stichting en [appellant sub 1] te worden aangemerkt als een deel van een geurgevoelig object in de zin van de Wgv. Volgens de stichting en [appellant sub 1] vallen daarnaast ook andere delen van de woning, zoals de wc, douche en een deel van de woonkamer, binnen de 50 m cirkel, zodat in zoverre evenmin wordt voldaan aan de afstandsnorm.

12.1.    Artikel 1 van de Wgv luidt, voor zover hier van belang: "In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder geurgevoelig object: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt […]".

12.2.    Ter zitting heeft het college onweersproken gesteld dat de woning aan Kamerstraat 1 een boerderij met een oud staldeel betreft, waarvan het staldeel binnen de 50 m cirkel en het woongedeelte buiten de 50 m cirkel valt. Desgevraagd hebben de stichting en [appellant sub 1] hun betoog toegelicht en gesteld dat zich boven het halletje een verdieping bevindt waar in de toekomst een slaapkamer zou kunnen worden gemaakt. Deze verdieping is van binnenuit, via het halletje bereikbaar en valt samen met het halletje binnen de 50 m cirkel. Ter zitting hebben de stichting en [appellant sub 1] gesteld dat zij de plaatsing van de 50 m cirkel op de bij het besluit behorende tekeningen niet betwisten.

12.3.    In de considerans van de omgevingsvergunning zijn figuren met daarop de 50 m cirkel opgenomen. Zoals onder 12.2 is overwogen, wordt de plaatsing van deze cirkel door de stichting en [appellant sub 1] niet betwist. Uit de figuren blijkt dat de 50 m cirkel over het staldeel van de boerderij aan de Kamerstraat 1 loopt en over een klein gedeelte van het halletje. Dit halletje wordt blijkens de foto’s in het dossier gebruikt als opslag/stalling. De verdieping erboven stond blijkens de foto’s leeg. Dit is door de stichting en [appellant sub 1] niet bestreden. De ruimtes worden niet permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Dat de ruimte boven het halletje in de toekomst zou kunnen worden gebruikt als slaapkamer betekent niet dat de ruimte ten tijde van het nemen van het besluit van 17 februari 2015 volgens de definitie uit artikel 1 van de Wgv als een geurgevoelig object moest worden aangemerkt. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het besluit van 17 februari 2015 in strijd met artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wgv is verleend.

Het betoog faalt.

Incidenteel hoger beroep

13.    Vergunninghoudster betoogt dat de rechtbank het besluit van 17 februari 2015 ten onrechte heeft vernietigd vanwege het geluidaspect. In dit verband voert vergunninghoudster aan dat voor de berging/garage die in het geluidrapport als gebouw 21 staat vermeld, al eerder vergunning is verleend en dit gebouw als zodanig mag worden gerealiseerd. Volgens vergunninghoudster heeft het college terecht beslist op de aanvraag zoals deze is ingediend en heeft de rechtbank dit miskend.

13.1.    In de tussenuitspraak van 17 mei 2016 heeft de rechtbank overwogen dat gebouw 21 in het akoestisch rapport staat vermeld als een bestaand gebouw. De rechtbank acht niet in geschil dat gebouw 21 niet is gerealiseerd en overweegt dat daarom op grond van het akoestisch rapport niet kan worden vastgesteld of de inrichting kan voldoen aan de gestelde geluidgrenswaarden. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld een nadere motivering te geven. Het college heeft een aanvullend geluidonderzoek overgelegd waaruit blijkt dat ook zonder gebouw 21 aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Naar aanleiding van deze motivering heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak het besluit van 17 februari 2015 vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten.

13.2.    Niet in geschil is dat gebouw 21 een berging/garage betreft waarvoor eerder een bouwvergunning is verleend. Evenmin is in geschil dat dit gebouw tot op heden niet is opgericht. Op de tekening behorende bij het besluit van 17 februari 2015 staat de berging/garage als onderdeel van de inrichting vermeld en ook in het akoestisch rapport is daarmee rekening gehouden. Het college diende te beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend, derhalve inclusief de berging/garage. Indien na vergunningverlening zou blijken dat vanwege het niet oprichten van gebouw 21 niet aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan, kan het college handhavend optreden.

Het betoog slaagt.

Slotoverwegingen

14.    Het hoger beroep is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep is gegrond. De tussenuitspraak van 17 mei 2016 en de ongedateerde einduitspraak dienen te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 17 februari 2015 van het college alsnog ongegrond verklaren.

15.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep ongegrond;

II.    verklaart het incidenteel hoger beroep gegrond;

III.    vernietigt de tussenuitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 mei 2016 in zaak nr. 15/1778 en de ongedateerde einduitspraak van de rechtbank Gelderland, verzonden op 12 januari 2017, in zaak nr. 15/1778;

IV.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter,

en mr. H. Bolt en mr. B.P.M. van Ravels, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. De Jong

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2018

628.