Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:697

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
201700630/2/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het in dit geval bevoegd was om bestuursdwang toe te passen door het voertuig met kenteken […] (hierna: het voertuig) weg te slepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700630/2/A2.

Datum uitspraak: 28 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 december 2016 in zaak nr. 16/4001 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 11 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2740) heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak het geconstateerde gebrek in het besluit van 4 mei 2016 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college bij brief van 24 november 2017 een nadere motivering van het besluit van 4 mei 2016 gegeven.

Bij brief van 27 december 2017 hebben [appellant A] en [appellant B] een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit van 4 mei 2016 is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het in dit geval bevoegd was om bestuursdwang toe te passen door het voertuig met kenteken […] (hierna: het voertuig) weg te slepen.

2.    Het college heeft zich in de brief van 24 november 2017 op het standpunt gesteld dat het voertuig hinderlijk op een in- en uitrit stond geparkeerd, hetgeen in strijd is met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: het RVV 1990) en artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994). Uit een verklaring van de wijkbeheerder van stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam volgt dat de in- en uitrit een vluchtroute is voor bewoners en een ontsluitingsweg is voor voertuigen in de achterliggende parkeergarage in geval van calamiteiten. De in- en uitrit dient eveneens te kunnen worden gebruikt voor voertuigen ten behoeve van werkzaamheden aan de tuin op het dak van de garage. Het voertuig blokkeerde ongeveer de helft van de in- en uitrit waardoor grote voertuigen geen doorgang konden vinden en bestuurders van overige voertuigen slechts met de nodige moeite hun weg konden vervolgen. Gelet hierop was verwijdering van het voertuig noodzakelijk in verband met het belang van de vrijheid van het verkeer. Het college heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het van handhaving had moeten afzien. Het college heeft zich verder op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat om de wegsleepkosten niet bij [appellant A] of [appellant B] in rekening te brengen. De overtreding is aan [appellant A] te wijten en het was van belang om deze overtreding ongedaan te maken door middel van het toepassen van bestuursdwang.

3.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het voertuig in strijd met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het RVV 1990 en artikel 5 van de Wvw 1994 stond geparkeerd en dat verwijdering van het voertuig noodzakelijk was in verband met het belang van de vrijheid van het verkeer. Zij hebben in dat kader aangevoerd dat de aanduiding op het aan het hek bevestigde bord nagenoeg niet is te lezen en dat in de directe omgeving van de plek waar het voertuig was geparkeerd geen verkeersborden ter aanduiding van een parkeerverbod stonden. Zij hebben verder aangevoerd dat in het aan de brief van 24 november 2017 gehechte Algemeen klachtenformulier meldkamer Handhaving en Toezicht niet staat dat het voertuig in strijd met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het RVV 1990 is geparkeerd of dat anderszins hinder voor het doorgaande verkeer is veroorzaakt, maar dat het voertuig voor een nooduitgang stond geparkeerd. In de tussenuitspraak is geoordeeld dat hiervan geen sprake is. Voorts mist volgens hen de verklaring van de wijkbeheerder feitelijke grondslag.

3.1.    Artikel 24 van het RVV 1990

"1. De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren:

[…]

b. voor een inrit of een uitrit;

[…]"

Wvw 1994

Artikel 5 luidt:

"Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd."

Artikel 170 luidt:

"1. Tot de bevoegdheid van burgemeester en wethouders tot oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet, behoort de bevoegdheid tot het overbrengen en in bewaring stellen van een op een weg staand voertuig, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met

[…]

b. het belang van de vrijheid van het verkeer […]"

3.2.    Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het voertuig in strijd met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het RVV 1990 de in- en uitrit blokkeerde. Uit de weginrichting en het hek met het daarop bevestigde bord kan worden afgeleid dat sprake is van een in- en uitrit. Dat er geen verkeersbord stond ter aanduiding van een parkeerverbod doet daar niet aan af, omdat het ook zonder een dergelijk bord voor [appellant A] duidelijk had moeten zijn dat zij daar niet mocht parkeren.

Het college heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat verwijdering van het voertuig noodzakelijk was in verband met de vrijheid van het verkeer. In hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college daarbij niet heeft mogen afgaan op de verklaring van de wijkbeheerder dat de in- en uitrit een ontsluiting is voor voertuigen in de achterliggende parkeergarage in geval van calamiteiten en dat de doorgang dient te kunnen worden gebruikt door voertuigen ten behoeve van werkzaamheden aan de tuin op het dak van de garage. Het voertuig blokkeerde ongeveer de helft van de in- en uitrit, waardoor het in ieder geval grotere voertuigen hinderde. Dat het voorgaande niet in het door een medewerker van de politie Amsterdam Zuid ingevulde klachtenformulier is vermeld maakt niet dat het college het voertuig niet had mogen wegslepen, omdat het ter beoordeling van het college staat of bestuursdwang wordt toegepast en op welke grond. Gezien het voorgaande was het college bevoegd om bestuursdwang toe te passen door het voertuig weg te slepen.

3.3.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

[appellant A] en [appellant B] hebben in dat kader aangevoerd dat [appellant A] samen met de wijkagent het voertuig zo ver mogelijk naar de hoek van de zijstraat heeft geduwd waardoor bij haar het vertrouwen is gewekt dat zij er alles aan had gedaan om de overtreding te voorkomen. Dit is evenwel geen bijzondere omstandigheid in vorenbedoelde zin. Daarbij is van belang dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, uit de verklaring van [appellant A] ter zitting blijkt dat zij het voertuig reeds voordat zij constateerde dat het niet meer wilde starten in overtreding had geparkeerd en het voertuig daarna nog een dag heeft laten staan, in plaats van het te laten repareren of te laten ophalen.

3.4.    Het betoog faalt.

4.    Het betoog van [appellant A] en [appellant B] dat het besluit van 24 november 2017 niet op de juiste wijze is bekendgemaakt omdat daarin de rechtsmiddelenclausule ontbreekt, faalt reeds omdat het geen besluit betreft maar een gewijzigde motivering van het besluit van 4 mei 2016.

5.    [appellant A] en [appellant B] betogen verder dat de kosten van het in bewaring stellen van het voertuig niet voor hun rekening mogen komen. Doordat het college met de brief van 24 november 2017 de motivering van het besluit van 4 mei 2016 heeft gewijzigd, moet het wegslepen van het voertuig en het in bewaring stellen daarvan, onrechtmatig worden geacht.

5.1.    Uit hetgeen onder 3.2 en 3.3 is overwogen volgt dat het wegslepen en het in bewaring stellen van het voertuig niet onrechtmatig was. In hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de kosten van het in bewaring stellen van het voertuig niet voor hun rekening mogen komen.

Het betoog faalt.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 4 mei 2016 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.

7.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 december 2016 in zaak nr. 16/4001;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 4 mei 2016, kenmerk WU.16.0263;

V.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.254,50 (zegge: tweeduizend tweehonderdvierenvijftig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Jurgens    w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2018

85-809.