Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:667

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
201702542/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:765, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 3 maart 2016 heeft het college naar aanleiding van een verzoek om handhavend op te treden tegen een door de vereniging Halse Motor- en Automobielclub (hierna: Halmac) met puin aangelegd pad aan de Wolverveenseweg 29 te Zelhem, laten weten dat daartegen zal worden opgetreden wanneer de door Halmac voor die aanleg gevraagde omgevingsvergunning niet zal worden verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702542/1/A1.

Datum uitspraak: 28 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Bronckhorst, en anderen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 februari 2017 in zaak nr. 16/6434 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst.

Procesverloop

Bij brief van 3 maart 2016 heeft het college naar aanleiding van een verzoek om handhavend op te treden tegen een door de vereniging Halse Motor- en Automobielclub (hierna: Halmac) met puin aangelegd pad aan de Wolverveenseweg 29 te Zelhem, laten weten dat daartegen zal worden opgetreden wanneer de door Halmac voor die aanleg gevraagde omgevingsvergunning niet zal worden verleend.

Bij brief van 13 september 2016, verzonden op 16 september 2016 (hierna: brief 1), heeft het college het daartegen door onder meer [appellant] en anderen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 13 september 2016, verzonden op 23 september 2016 (hierna: brief 2), heeft het college meegedeeld dat het verzoek om handhaving is afgewezen, en dat deze afwijzing geen besluit is voor zover het verzoek is ingediend door andere personen dan de bewoners van [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3].

Bij uitspraak van 16 februari 2017 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het door [appellant] en anderen ingestelde beroep. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college en Halmac hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2018, waar [appellant] en [gemachtigde A], bijgestaan door mr. J. Veltman, advocaat te Amersfoort, en Halmac, vertegenwoordigd door [gemachtigde B], zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De rechtbank heeft de brief van 3 maart 2016 aangemerkt als een besluit op het verzoek om handhaving, brief 1 van 13 september 2016 als een besluit op het daartegen gemaakte bezwaar, en brief 2 van 13 september 2016 als een wijziging van dat besluit op bezwaar. De Afdeling gaat van dezelfde, in hoger beroep ook niet bestreden, duiding van deze stukken uit.

2.    Op 31 maart 2016 heeft het college krachtens artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van het pad waarop het handhavingsverzoek ziet.

[appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het door hen tegen het besluit van 3 maart 2016 op het verzoek om handhaving gemaakte bezwaar op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht moet worden aangemerkt als een mede tegen de omgevingsvergunning gemaakt bezwaar.

Subsidiair betogen [appellant] en anderen dat de rechtbank heeft miskend dat de bij brief van 3 mei 2016 ingediende gronden van dat bezwaar mede hadden moeten worden beschouwd als een tegen de omgevingsvergunning ingediend bezwaarschrift.

3.     Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft een bezwaar van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

Er is in de regel pas sprake van een besluit als bedoeld in deze bepaling, indien hetzelfde bestuursorgaan bij nader besluit door intrekking, wijziging of vervanging, met herhaalde aanwending van dezelfde bevoegdheid en op dezelfde feitelijke grondslag, van het eerder door hem genomen besluit terugkomt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:682).

Het besluit om krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een vergunning te verlenen houdt geen intrekking, wijziging of vervanging van het besluit van 3 maart 2016 op het verzoek om handhaving in, is ook niet gebaseerd op dezelfde bevoegdheidsgrondslag noch op dezelfde feitelijke grondslag. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat niet op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht van rechtswege een bezwaar tegen het besluit van 31 maart 2016 is ontstaan.

4.    De bij brief van 3 mei 2016 ingediende bezwaargronden zijn uitsluitend een uiteenzetting van de bezwaren tegen het besluit op het verzoek om handhaving. Het college heeft daarin terecht niet mede een bezwaarschrift tegen de verleende omgevingsvergunning gelezen. Ook in dit opzicht heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de beroepsprocedure over het (gewijzigde) besluit op bezwaar van 13 september 2016 mede betrekking heeft op de verleende omgevingsvergunning.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. D.J.C. van den Broek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier.

w.g. Van den Broek    w.g. Van der Zijpp

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2018

262.