Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:657

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
201702489/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:464, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2016 heeft de raad een vastgestelde vergoeding voor door [appellant] verleende rechtsbijstand herzien en vastgesteld op € 852,61.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702489/1/A2.

Datum uitspraak: 28 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], kantoorhoudend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 2 februari 2017 in zaak nr. 16/2423 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2016 heeft de raad een vastgestelde vergoeding voor door [appellant] verleende rechtsbijstand herzien en vastgesteld op € 852,61.

Bij besluit van 28 juni 2016 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 februari 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2017, waar [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.O. Vos, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is advocaat en neemt deel aan het High Trust-programma van de raad. Uitgangspunt van dit programma is dat de vraag of een zaak toevoegingswaardig is niet langer door de raad naar aanleiding van een toevoegingsaanvraag, maar door de rechtsbijstandverlener voorafgaand aan het indienen van de toevoegingsaanvraag wordt beoordeeld. Afgegeven toevoegingen en vastgestelde vergoedingen worden vervolgens achteraf steekproefsgewijs gecontroleerd.

2.    De raad heeft bij besluit van 26 november 2014 een toevoeging verleend voor rechtsbijstand door [appellant] aan [bedrijf] voor een klacht bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM).

    Op 6 februari 2015 heeft [appellant] een vergoeding voor die zaak aangevraagd bij de raad. Daarbij heeft hij vermeld dat hij 32 uren aan rechtsbijstand heeft besteed

    Bij besluit van 9 februari 2015 heeft de raad de vergoeding vastgesteld op een bedrag van € 1.237,24 op basis van elf toegekende punten.

    Naar aanleiding van een steekproefcontrole in het kader van het High Trust-programma heeft de raad bij het besluit van 1 februari 2016, gehandhaafd bij het besluit van 28 juni 2016, de vastgestelde vergoeding herzien en vastgesteld op € 852,61 omdat de zaak een klacht bij het EHRM betreft. Voor een klachtprocedure bij het EHRM wordt een adviesvergoeding als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: het Bvr) van acht punten toegekend, aldus de raad.

Geschil

3.    In geschil is of de rechtsbijstand die [appellant] heeft verleend voor het indienen van een klacht bij het EHRM valt onder het begrip procedure als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bvr of onder het begrip advieszaak als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van het Bvr.

Aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ1112) geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de raad ten onrechte een vergoeding op basis van een advieszaak heeft toegekend. Een zaak die dient bij het EHRM  kan gelet op de opsomming van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bvr en mede gelet op het daaromtrent in de nota van toelichting gestelde, niet worden gerangschikt onder procedure in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bvr. Dat een ieder verbindende bepalingen uit het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) verbindende kracht hebben in Nederland op grond van artikel 93 van de Grondwet maakt niet dat daarmee sprake is van een naar Nederlands recht wettelijk geregelde klachtenprocedure, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een zaak die dient bij het EHRM niet gerangschikt kan worden onder procedure in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bvr. Via artikel 93 van de Grondwet is de procedure op grond van artikel 34 van het EVRM algemeen verbindend in Nederland. Die procedure dient derhalve aangemerkt te worden als een zaak op het terrein van het bestuursrecht die aanhangig is gemaakt bij de instantie die oordeelt in een wettelijk geregelde klachtprocedure als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bvr.

5.1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

5.2.    De Afdeling ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van 1 juli 2009. Een zaak die dient bij het EHRM wordt, gelet op de opsomming in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bvr en mede gelet op het daaromtrent in de nota van toelichting gestelde, niet gerangschikt onder het begrip wettelijk geregelde klachtprocedure in de zin van het Bvr. De procedure bij het EHRM is ingesteld en wordt geregeld bij verdrag en niet bij wet. Er bestaat geen aanleiding om vooruitlopend op de aanbevelingen van de Commissie evaluatie puntentoekenning gefinancierde rechtsbijstand, waarnaar de raad ter zitting heeft verwezen, in dit geval hierover anders te oordelen. In het midden kan blijven of artikel 34 van het EVRM een een ieder verbindende bepaling is als bedoeld in artikel 93 van de Grondwet, nu daaruit niet voortvloeit dat de in deze bepaling geregelde verzoekschriftprocedure een wettelijk geregelde klachtprocedure is als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bvr. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat geen sprake is van een wettelijk geregelde klachtprocedure waardoor geen grond bestaat voor het oordeel dat de raad ten onrechte een vergoeding op basis van een advieszaak heeft toegekend.

5.3.    Het betoog faalt.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2018

17-809. BIJLAGE

Artikel 34 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Het Hof kan verzoekschriften ontvangen van ieder natuurlijk persoon, iedere niet-gouvernementele organisatie of iedere groep personen die beweert slachtoffer te zijn van een schending door een van de Hoge Verdragsluitende Partijen van de rechten die in het Verdrag of de Protocollen daarbij zijn vervat. De Hoge Verdragsluitende Partijen verplichten zich ertoe de doeltreffende uitoefening van dit recht op generlei wijze te belemmeren.

Wet op de rechtsbijstand

Artikel 12

1. Rechtsbijstand wordt uitsluitend verleend ter zake van in de Nederlandse rechtssfeer liggende rechtsbelangen aan natuurlijke en rechtspersonen wier financiële draagkracht de in artikel 34 genoemde bedragen niet overschrijdt.

2. Rechtsbijstand wordt niet verleend indien:

[…]

f. het een rechtsbelang betreft dat wordt voorgelegd aan een bij verdrag met rechtspraak belast internationaal college of een daarmee vergelijkbaar internationaal college en het college zelf in een aanspraak op vergoeding van rechtsbijstand voorziet;

[…].

Artikel 37, vijfde lid

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot:

a. het bedrag van de vergoeding en de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;

[…].

Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

[…]

b. procedure:

1. een zaak die aanhangig is gemaakt bij een bij wet ingesteld tuchtrechtelijk college alsmede een zaak op het terrein van het burgerlijk of bestuursrecht die aanhangig is gemaakt bij:

- de burgerlijke rechter,

- de bestuursrechter,

- het bestuursorgaan dat in administratief beroep oordeelt,

- het bestuursorgaan dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht oordeelt over een bezwaar,

- de regionaal directeur voor de arbeidsvoorziening in het kader van het geven van een oordeel over een ontslagvergunning op grond van artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945,

- de huurcommissie die oordeelt in het kader van de Huurprijzenwet woonruimte,

- de instantie die oordeelt over een geschil dat is onderworpen aan arbitrage of bindend advies,

- de instantie die oordeelt in een wettelijk geregelde klachtprocedure,

- de Minister voor Immigratie en Asiel in het kader van het inbrengen van een zienswijze op het voornemen om:

1. een beslissing te nemen met betrekking tot de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000;

2. een beslissing te nemen met betrekking tot de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, van de Vreemdelingenwet 2000; dan wel

3. een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 28, eerste lid, onderdeel c, en 33, onderdeel b, van de Vreemdelingenwet 2000 in te trekken;

2. de behandeling door de Minister voor Immigratie en Asiel van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000, waaronder mede wordt begrepen de aan de aanvraag voorafgaande termijn, bedoeld in artikel 3.109, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000;

c. advieszaak: een zaak op het terrein van het tuchtrecht of het burgerlijk of bestuursrecht die geen procedure is;

[…].

Artikel 12, tweede lid

Aan een advieszaak waarin zes uur of meer rechtsbijstand wordt verleend, worden acht punten toegekend. Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.

Werkinstructie Bereik, Hoofdstuk 1, bereik algemeen, paragraaf 1.1

Procedure

Een procedure is een civiel-, bestuurs- of strafrechtelijke zaak die bij een bepaalde (rechterlijke) instantie aanhangig is gemaakt. Zie artikel 1 Besluit vergoedingen. Bijvoorbeeld een wettelijk geregelde klachtprocedure.

Advies

Valt een civiel- of bestuursrechtelijke zaak of tuchtzaak niet onder het begrip procedure, dan is het een advieszaak. Bijvoorbeeld:

- bodemzaak (klacht) en voorlopige voorziening (interim measure) bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens;

[…].