Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:652

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
201700691/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:8613, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 februari 2015 heeft het college [appellant sub 2] onder oplegging van een dwangsom van € 20.000,00 ineens gelast de ontruimingsinstallatie van de Crown Studio’s Aalsmeer op het perceel Van Cleeffkade 15 te Aalsmeer vóór 1 juni 2015 te voorzien van een geldig certificaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700691/1/A1.

Datum uitspraak: 28 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer,

2. [appellant sub 2], gevestigd te [plaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2016 in zaak nr. 16/3886 in het geding tussen:

[appellant sub 2],

en

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen (lees: Aalsmeer).

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2015 heeft het college [appellant sub 2] onder oplegging van een dwangsom van € 20.000,00 ineens gelast de ontruimingsinstallatie van de Crown Studio’s Aalsmeer op het perceel Van Cleeffkade 15 te Aalsmeer vóór 1 juni 2015 te voorzien van een geldig certificaat.

Bij besluit van 7 januari 2016 heeft het college besloten over te gaan tot invordering van een door [appellant sub 2] verbeurde dwangsom van € 20.000,00.

Bij besluit van 2 mei 2016 heeft het college het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.

Bij uitspraak van 22 december 2016 heeft de rechtbank het beroep van [appellant sub 2] tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar tegen de last onder dwangsom gegrond verklaard, het verzoek om het college te veroordelen tot betaling van een dwangsom afgewezen, het college opgedragen om binnen zes weken alsnog op het bezwaarschrift van [appellant sub 2] tegen de last onder dwangsom te beslissen, het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 2 mei 2016 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen om binnen zes weken na de nog te nemen beslissing op het bezwaar tegen de last onder dwangsom een nieuw besluit op bezwaar te nemen ten aanzien van het invorderingsbesluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld en heeft [appellant sub 2] incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 1 juni 2017 heeft het college het door [appellant sub 2] tegen de besluiten van 3 februari 2015 en 7 januari 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en die besluiten gehandhaafd.

[appellant sub 2] heeft een zienswijze gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2017, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R. van Eldik, en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. D.G. Lasschuit, advocaat te Leiden, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Tussen partijen is in geschil of de last onder dwangsom in rechte vast staat. In dat verband is aan de orde of [appellant sub 2] bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 3 februari 2015 en, indien dat het geval is, het college op dat bezwaar heeft beslist. De rechtbank heeft geconcludeerd dat [appellant sub 2] met haar brief van 9 maart 2015 bezwaar heeft gemaakt tegen de last onder dwangsom en dat het college ten onrechte niet op dat bezwaar heeft beslist. Tussen partijen is voorts in geschil of het college mocht overgaan tot invordering. De rechtbank heeft in dat verband overwogen dat het college eerst inhoudelijk dient te beslissen op het bezwaar tegen de bij besluit van 3 februari 2015 opgelegde dwangsom, alvorens kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar tegen het invorderingsbesluit van 7 januari 2016.

Beoordeling hoger beroep

2.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de brief van [appellant sub 2] van 9 maart 2015 moet worden aangemerkt als een bezwaarschrift. Volgens het college is de brief van 9 maart 2015 een verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn.

2.1.    Bij het besluit van 3 februari 2015 heeft het college [appellant sub 2] onder oplegging van dwangsommen gelast een aantal overtredingen ongedaan te maken. Bij dit besluit heeft het college onder oplegging van een dwangsom van € 20.000,00 ineens gelast de ontruimingsinstallatie op het perceel vóór 1 juni 2015 te voorzien van een geldig certificaat op grond van het CCV-inspectieschema Ontruimingsalarminstallaties. [appellant sub 2] heeft bij brief van 9 maart 2015 op deze last gereageerd. In deze brief aan het college heeft [appellant sub 2] informatie verstrekt over de actuele stand van zaken met betrekking tot de door het college geconstateerde gebreken. Met betrekking tot de ontruimingsinstallatie is in de brief vermeld dat de ontruimingsinstallatie nog niet kan worden aangepast en dat [appellant sub 2] in overleg met het college tot een oplossing zal komen, zodat de ontruimingsinstallatie, indien die opnieuw moet worden aangebracht, niet voor 1 juni 2015 kan worden geïmplementeerd. Bij brief van 23 maart 2015 heeft het college [appellant sub 2] in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken nader te motiveren waarom zij niet aan de in de last gestelde termijn kan voldoen en waarom een verlenging van de hersteltermijn ten behoeve van de ontruimingsinstallatie nodig is. Daarbij heeft het college [appellant sub 2] verzocht een redelijke termijn te noemen waarbinnen zij wel aan de last kan voldoen. Bij brief van 3 april 2015 heeft [appellant sub 2] het college om uitstel gevraagd om op deze brief te reageren. Bij brief van 15 april 2015 heeft [appellant sub 2] het college medegedeeld dat de bestaande ontruimingsinstallatie niet kan worden gecertificeerd en dat de eigenaar van het pand heeft besloten een nieuwe ontruimingsinstallatie aan te leggen. Mede vanwege de omvang van het pand verzoekt [appellant sub 2] het college daarom de begunstigingstermijn te verlengen tot 1 februari 2016. Bij besluit van 12 mei 2015 heeft het college dit verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn afgewezen, waarbij het heeft aangetekend dat het bereid is de begunstigingstermijn te verlengen tot 1 december 2015 indien [appellant sub 2] middels een getekende opdracht met een planning en/of plan van aanpak van de uitvoerder aantoont dat de gevraagde verlenging noodzakelijk is. [appellant sub 2] heeft hierop bij brief van 14 augustus 2015 gereageerd, derhalve na het verstrijken van de begunstigingstermijn.

2.2.    Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat de brief van [appellant sub 2] van 9 maart 2015 niet kan worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het besluit tot oplegging van een last onder dwangsom van 3 februari 2015. De brief is naar het oordeel van de Afdeling een informatieve brief waarin [appellant sub 2] aan het college mededeelt in hoeverre en op welke wijze de overtredingen ongedaan zijn gemaakt, alsmede een toelichting waarom nog niet kan worden overgegaan tot aanpassing van de ontruimingsinstallatie. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 2] in haar brief van 9 maart 2015 niet te kennen gegeven dat zij zich niet met het besluit van 3 februari 2015 kan verenigen. De Afdeling constateert voorts dat [appellant sub 2] zich niet heeft verzet tegen het besluit van 12 mei 2015 waarbij het college het verzoek van [appellant sub 2] tot verlenging van de begunstigingstermijn heeft afgewezen. Ook daaruit blijkt naar het oordeel van de Afdeling dat [appellant sub 2] niet de intentie had om een formele (bezwaar)procedure te voeren. Naar het oordeel van de Afdeling moeten de brieven van [appellant sub 2] en het college worden geduid in de context van het debat tussen partijen over beëindiging van de overtreding. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geconcludeerd dat [appellant sub 2] met de brief van 9 maart 2015 bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 3 februari 2015 en dat het college een besluit op dat bezwaar diende te nemen.

    Het betoog slaagt.

3.    [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over haar betoog dat het college ten onrechte is overgegaan tot invordering omdat aan haar ten onrechte een last onder dwangsom is opgelegd.

3.1.    De rechtbank heeft het besluit van 2 mei 2016 vernietigd omdat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de last onder dwangsom in rechte vast staat omdat [appellant sub 2] daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. Om die reden is het besluit van 2 mei 2016 naar het oordeel van de rechtbank ondeugdelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft daarbij geen oordeel gegeven over het voorgedragen betoog.

    Zoals uit hetgeen hiervoor onder 2.2 is overwogen, volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellant sub 2] bezwaar heeft gemaakt tegen de last onder dwangsom. Dat betekent dat de rechtbank wel een oordeel diende te geven over het door [appellant sub 2] voorgedragen betoog. In zoverre slaagt dit betoog.

4.    De Afdeling zal daarom de door de rechtbank niet besproken beroepsgronden van [appellant sub 2] tegen het besluit van het college van 2 mei 2016 hierna behandelen.

Bespreking invorderingsbesluit

5.    [appellant sub 2] betoogt dat het college ten onrechte tot invordering is overgegaan omdat aan haar ten onrechte een last onder dwangsom is opgelegd. Volgens [appellant sub 2] kan de overtreding van het Bouwbesluit 2012 die aan het besluit van 3 februari 2015 ten grondslag ligt, alleen aan eigenaren en exploitanten van gebouwen worden tegengeworpen. [appellant sub 2] is eigenaar noch exploitant van het pand. Zij is slechts vertegenwoordiger van de eigenaren en voert voor hen het beheer van het pand en heeft geen zelfstandige zeggenschap, aldus [appellant sub 2].

5.1.    De rechtmatigheid van het besluit van 3 februari 2015 is een gegeven, aangezien [appellant sub 2] noch tegen het besluit 3 februari 2015, noch tegen het besluit van het college van 12 mei 2015 rechtsmiddelen heeft aangewend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 23 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2991), kunnen bezwaren die betrekking hebben op de rechtmatigheid van het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom, waaronder de bevoegdheid tot het opleggen van die last, niet meer aan de orde komen in het kader van de toetsing van de invorderingsbeschikking. Dit is slechts onder zeer bijzondere omstandigheden anders. Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken. Voor zover [appellant sub 2] in dat verband betoogt dat het college ten onrechte niet heeft gereageerd op het verzoek van [appellant sub 2] bij brief van 14 augustus 2015 om verlenging van de begunstigingstermijn, wordt overwogen dat de begunstigingstermijn op 14 augustus 2015 al was verstreken en dat de dwangsom op dat moment al was verbeurd, zodat verlenging van de begunstigingstermijn in dit geval niet meer aan de orde was.

    Het betoog faalt.

Conclusie en slot

6.    Het hoger beroep van het college is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 2] tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar tegen de last onder dwangsom ongegrond verklaren alsmede het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 2 mei 2016 ongegrond verklaren.

7.    Bij het besluit van 1 juni 2017 heeft het college het door [appellant sub 2] tegen de besluiten van 3 februari 2015 en 7 januari 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en die besluiten gehandhaafd. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

    Met de vernietiging van de aangevallen uitspraak komt aan dit besluit de grondslag te ontvallen. De Afdeling zal daarom dit besluit vernietigen.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van het college gegrond;

II.    verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] gegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2016 in zaak nr. 16/3886;

IV.    verklaart de bij de rechtbank door [appellant sub 2] ingestelde beroepen ongegrond;

V.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer van 1 juni 2017, kenmerk Z-2017/004333.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Smulders-Wijgerde, griffier.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Smulders-Wijgerde

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2018

672.