Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:65

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-01-2018
Datum publicatie
17-01-2018
Zaaknummer
201703853/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:7532, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 november 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv-aanvraag) te verlenen, buiten behandeling gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2018/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703853/1/V1.

Datum uitspraak: 10 januari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 april 2017 in zaak nr. 17/2244 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv-aanvraag) te verlenen, buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 16 januari 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 april 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 16 november 2016 herzien (lees: herroepen) en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de mvv-aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.J.M. Peeters, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    Referente heeft op 5 september 2016 de mvv-aanvraag ingediend. Bij brief van 12 september 2016 (hierna: de brief) heeft de staatssecretaris referente meegedeeld dat zij € 50,00 aan leges moet betalen voordat de staatssecretaris de mvv-aanvraag in behandeling kan nemen, op welk rekeningnummer zij de leges kan betalen, dat de leges binnen twee weken na de datum van de brief moeten zijn ontvangen en dat hij de mvv-aanvraag niet in behandeling neemt als zij niet betaalt. Niet in geschil is dat referente bij het indienen van de aanvraag niet de mogelijkheid had om aan het loket te betalen en dat de brief de eerste mogelijkheid bood om de leges te betalen. Evenmin is in geschil dat referente de brief heeft ontvangen en de leges niet binnen de gestelde termijn heeft betaald. De staatssecretaris heeft de mvv-aanvraag daarom met toepassing van artikel 2n, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) buiten behandeling gesteld.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat in artikel 2n, eerste lid, van de Vw 2000 niet staat dat als de aanvrager de leges in eerste instantie niet heeft betaald, de staatssecretaris hem geen betalingsherinnering hoeft te sturen. Volgens de rechtbank kan dit artikel ook zo worden gelezen dat het pas kan worden ingeroepen nadat de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de leges te betalen, maar die - ook na de gebruikelijke herinnering - niet heeft betaald en kan voor die uitleg steun worden gevonden in paragraaf B1/3.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000). Voorts heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:514, overwogen dat de staatssecretaris referente ten onrechte geen herinnering heeft gestuurd toen betaling uitbleef.

Hoger beroep

3.    De grief van de staatssecretaris is gericht tegen de onder 2 weergegeven overwegingen. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank miskend dat met artikel 2n, eerste lid, van de Vw 2000 juist is beoogd af te wijken van de hoofdregel dat een herstelmogelijkheid moet worden geboden voordat een aanvraag buiten behandeling kan worden gesteld. Verder voert hij aan dat de rechtbank een eigen en onjuiste uitleg heeft gegeven aan paragraaf B1/3.3.3 van de Vc 2000.

3.1.    Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb luidt: 'Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.'

    Artikel 2n, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 luidt: 'In afwijking van artikel 4:5, eerste en vierde lid, van de Awb kan Onze Minister een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf dan wel terugkeervisum buiten behandeling laten zonder de aanvrager in de gelegenheid te hebben gesteld de aanvraag aan te vullen indien de ter afdoening van de aanvraag verschuldigde leges niet zijn betaald.'

    Paragraaf B1/3.3.3 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, luidt: 'De referent moet bij de indiening van de aanvraag (..) de verschuldigde leges betalen. Wanneer de referent in gebreke is, stelt de IND hem één keer in de gelegenheid om binnen twee weken na kennisgeving alsnog de gevraagde gegevens over te leggen en de leges te betalen.'

3.2.    In artikel 2n, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 is vermeld dat de staatssecretaris een mvv-aanvraag buiten behandeling kan stellen wegens het niet tijdig betalen van leges zonder eerst een herstelmogelijkheid te bieden die leges te betalen. Daarbij is uitdrukkelijk vermeld dat wordt afgeweken van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2007/08, 31 549, nr. 3) is vermeld dat artikel 2f (thans: artikel 2n) van de Vw 2000 in afwijking van artikel 4:5, eerste en vierde lid, van de Awb de mogelijkheid introduceert tot een eenvoudige buitenbehandelingstelling van ongenoegzame aanvragen, dat alleen al wegens het grote aantal aanvragen een onverkorte toepassing van artikel 4:5 van de Awb op praktische bezwaren stuit en dat het eerste lid van artikel 2f van de Vw 2000 ertoe strekt om de staatssecretaris, in afwijking van artikel 4:5 van de Awb, de bevoegdheid te verlenen een aanvraag buiten behandeling te laten. Hieruit volgt dat de staatssecretaris terecht betoogt dat met artikel 2n, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, gelet op de tekst van dit artikel en de memorie van toelichting, is beoogd af te wijken van de hoofdregel van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb dat eerst een herstelmogelijkheid moet worden geboden voordat een aanvraag buiten behandeling kan worden gesteld. De rechtbank kan dan ook niet worden gevolgd in haar oordeel dat artikel 2n, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 aldus moet worden gelezen dat het pas kan worden ingeroepen nadat de aanvrager de gelegenheid heeft gehad om de leges te betalen en deze ook na betalingsherinnering niet heeft betaald.

3.3.    Vervolgens is de vraag aan de orde of de staatssecretaris op grond van het in paragraaf B1/3.3.3 van de Vc 2000 vastgestelde beleid toch gehouden was eerst een herstelmogelijkheid te bieden.

    Uit de tekst van deze paragraaf volgt niet dat de staatssecretaris slechts één betalingsmogelijkheid biedt. Uit de zin 'Wanneer de referent in gebreke is, stelt de IND hem één keer in de gelegenheid om binnen twee weken na kennisgeving alsnog de gevraagde gegevens over te leggen en de leges te betalen' volgt juist dat de staatssecretaris een herstelmogelijkheid als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, Awb biedt.

    Dat, zoals de staatssecretaris betoogt, paragraaf B1/3.3.3 van de Vc 2000 moet worden gelezen in het licht van voormelde memorie van toelichting en dat beoogd is met de term "in gebreke" aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling van 20 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:354, volgt niet uit de tekst van deze paragraaf en de algemene toelichting op de aanvraagprocedure van paragraaf B1/3 als vermeld in Bijlage 2 (onder '1. Inleiding') in de door de staatssecretaris aangehaalde Stcrt. 2013, nr. 8389. Verder is van belang dat voormelde uitspraak van 20 september 2012, evenals de door de staatssecretaris aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:514, zien op procedures over een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, waarop artikel 4:5, eerste lid, van de Awb van toepassing is en niet op een mvv-aanvraag. Indien de staatssecretaris heeft beoogd gebruik te maken van de hem door de wetgever toegekende bevoegdheid slechts één betalingsmogelijkheid te bieden, had het op zijn weg gelegen dit ondubbelzinnig in paragraaf B1/3.3.3 van de Vc 2000 te vermelden aangezien deze paragraaf juist ziet op de aanvraagprocedure voor een mvv door een referent in Nederland.

    Uit het voorgaande volgt dat de staatssecretaris, anders dan hij betoogt, op grond van paragraaf B1/3.3.3 van de Vc 2000 een herstelmogelijkheid moet bieden voor het betalen van leges voordat hij een mvv-aanvraag buiten behandeling stelt.

3.4.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris met de brief geen herstelmogelijkheid heeft geboden voor het betalen van de verschuldigde leges. Door de mvv-aanvraag buiten behandeling te stellen zonder referente een herstelmogelijkheid te bieden, heeft de staatssecretaris gehandeld in strijd met paragraaf B1/3.3.3 van de Vc 2000. De rechtbank heeft daarom terecht geconcludeerd dat de staatssecretaris de mvv-aanvraag ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld.

    De grief faalt.

Conclusie

4.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

5.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een griffierecht van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Willems

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2018

412-827.