Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:648

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
201703599/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 januari 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Muziekwijk" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703599/1/R1.

Datum uitspraak: 28 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Almere,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Almere,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Muziekwijk" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 januari 2018, waar [appellant A], [appellant B] en de raad, vertegenwoordigd door mr. B. Thier, ing. G.J.A. van de Bovenkamp en J. Drevel, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen is ter zitting nog een luchtfoto overgelegd.

Overwegingen

    Inleiding

1.    In het kader van de wettelijk voorgeschreven actualisatieplicht voor bestemmingsplannen heeft de raad een nieuw bestemmingsplan opgesteld voor de wijk Muziekwijk. Tussen de Hogering en de Youri Egorovweg ligt een stuk grond dat momenteel wordt gebruikt voor het houden van paarden. Aan dit stuk grond is de bestemming "Groen" en de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - stadsweide" toegekend.

    [appellant A] en [appellant B], die aan de Youri Egorovweg wonen, kunnen zich niet met het plan verenigen nu er geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de begeleidende documenten bij het plan en de publicaties van het plan niet deugen. Verder stellen [appellant A] en [appellant B] dat de toegestane ruiterpaden de belangen van de bewoners schaden, doordat de leidingenstrook ongeschikt is als ruiterpad nu deze gebruikt wordt als hondenlosloopgebied en deze ook als zodanig zou moeten worden bestemd. Tot slot stellen [appellant A] en [appellant B] dat het plan ten onrechte waakhonden toelaat op de stadsweiden, nu waakhonden geen landbouwhuisdieren zijn en ze zullen zorgen voor overlast.

Begeleidende documenten

2.    [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat er veel fouten staan in de begeleidende documenten bij het vastgestelde plan. Zo gaat het collegevoorstel over het ter inzage leggen van het ontwerpbestemmingsplan "Vogelhorst" in plaats van "Muziekwijk". Verder is de Nota van zienswijzen te summier en worden vragen niet allemaal behandeld waardoor de wijze waarop de raad naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daarnaast is er volgens [appellant A] en [appellant B] veel mis gegaan bij het behandelen van het bezwaar tegen de omgevingsvergunningen voor de stallen.

2.1.    De Afdeling stelt vast dat in het voorstel aan het college van burgemeester en wethouders met betrekking tot de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan wordt gesproken over het ontwerpbestemmingsplan "Vogelhorst". Uit de rest van het voorstel en het vaststellingsbesluit van de raad volgt echter duidelijk dat het gaat over het bestemmingsplan "Muziekwijk". De Afdeling is van oordeel dat het duidelijk is over welk bestemmingsplan een besluit is genomen.

    Ten aanzien van de Nota van zienswijzen overweegt de Afdeling dat artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen verzet dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

    Verder overweegt de Afdeling ten aanzien van het betoog van [appellant A] en [appellant B] tegen de omgevingsvergunningen voor de stallen dat in deze procedure het bestemmingsplan voorligt en niet de omgevingsvergunningen voor de stallen. Om die reden blijft dit betoog buiten inhoudelijke bespreking.

    Het betoog faalt.  

Publicatie Staatscourant

3.    [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat in de publicatie van het vastgestelde plan is verwezen naar onjuiste artikelen in het bestemmingsplan, het gebruik van haakjes bij de woorden landbouwhuis(dieren) en (landbouwhuis)dieren in de planregels niet juist is en het niet correct is dat het begrip "stadsweide" en bijlage 5 pas bij de vaststelling van het plan zijn toegevoegd. Door vorenstaande verschrijvingen is er volgens [appellant A] en [appellant B] sprake van een ondeugdelijke publicatie.

3.1.    Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

    Het betoog faalt.

Toetsingskader

4.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Wet geurhinder en veehouderij

5.    [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat de afstand tussen het dichtstbijzijnde geurgevoelige object en de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - stadsweide" ten onrechte slechts 42 m bedraagt, nu op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) een afstand moet worden aangehouden van 100 m, omdat de locatie bedrijfsmatig wordt gebruikt en er sprake is van een inrichting. [appellant A] en [appellant B] stellen dat de locatie door de dieren die er worden gehouden en de omvang kwalificeert als een inrichting. Daarnaast stellen [appellant A] en [appellant B] dat de verhuur van de grond door de gemeente eveneens een bedrijfsmatige activiteit is, waardoor er sprake is van een inrichting en de Wgv van toepassing is.

5.1.    Op de verbeelding van het plan is aan de betrokken gronden de bestemming "Groen" en de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - stadsweide" toegekend.

    In het plan is het volgende bepaald:

"Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

[…]

1.55 hobbymatig houden van landbouwhuis(dieren)

een activiteit waarbij dieren worden gehouden uitsluitend bestemd om te worden aangewend voor recreatief gebruik en er geen activiteiten voor en door derden worden uitgevoerd, met dien verstande dat er geen sprake mag zijn van activiteiten die onder de Wet milieubeheer vallen.

[…]

1.92 stadsweide

een perceel grond dat gebruikt wordt voor het hobbymatig houden van (landbouwhuis)dieren.

[…]

Artikel 9 Groen

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

d. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - stadsweiden’ een stadsweide;

[…]

met dien verstande:

l. voor het maximum aantal dieren per stadsweide, met een maximum van 50 punten, geldt de tabel uit bijlage 5."

5.2.    De Afdeling overweegt dat een redelijke uitleg van artikel 1, lid 1.55 en lid 1.92, en artikel 9, lid 9.1, van de planregels met zich brengt dat een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) niet is toegestaan op het stuk grond met de bestemming "Groen" en de functieaanduiding  "specifieke vorm van recreatie - stadsweide". Er mag ingevolge artikel 1, lid 1.55, van de planregels bij het hobbymatig houden van (landbouwhuis)dieren immers geen sprake zijn van activiteiten die onder de Wm vallen. Nu de door [appellant A] en [appellant B] aangehaalde afstand van 100 m tussen een veehouderij en een geurgevoelig object ziet op een inrichting als bedoeld in de Wm en daar in dit geval geen sprake van mag zijn, heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen om bovengenoemde afstand niet aan te houden. Het betoog van [appellant A] en [appellant B] dat de verhuur van de grond door de gemeente bedrijfsmatig is, maakt het voorgaande niet anders nu het gaat om het karakter van het houden van dieren en dit betoog niet maakt dat het houden van dieren in dit geval bedrijfsmatig is.

    Het betoog faalt.

Woon- en leefklimaat

6.    [appellant A] en [appellant B] stellen dat de richtafstanden uit de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering", editie 2009 (hierna: VNG-brochure) laten zien dat er geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Volgens [appellant A] en [appellant B] is de raad ten onrechte aangesloten bij de richtafstanden die gelden voor een kinderboerderij. Het stuk grond waar paarden, een stal, een paddock en een rijbak met stadionlampen staan, is volgens hun meer vergelijkbaar met bijvoorbeeld een manege, nu een kinderboerderij een educatieve functie heeft en vaak publiek bezit is.    [appellant A] en [appellant B] wijzen op de toelichting bij het voorheen geldende bestemmingsplan "Muziekwijk Noord" en op een stuk uit 2005 waaruit volgens hen volgt dat paardenweiden niet passend zijn in een stadswijk.

7.    In het plan is het volgende bepaald:

"Artikel 9 Groen

[…]

9.2 Bouwregels

Op de in artikel 9.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van nutsvoorzieningen en stadsweiden en ten behoeve van de bestemmingsomschrijving bouwwerken geen gebouw zijnde, met dien verstande dat de volgende maximale maten gelden:

[…]

2. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - stadsweiden’ zijn per stadsweide: bouwhoogte 4 m en een oppervlakte van maximaal 100 m², waarvan maximaal 70 m² ten behoeve van stallen en erf- en terreinafscheiding met een bouwhoogte van 2 m;

[…]"

7.1.    De Afdeling overweegt dat, nog daargelaten dat de toelichting op een bestemmingsplan geen juridisch bindend onderdeel is van een bestemmingsplan, aan een voorheen geldend bestemmingsplan - en de toelichting daarop - geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen, andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Ook aan het document uit 2005 waar [appellant A] en [appellant B] naar verwijzen kunnen geen rechten worden ontleend nu het geen raadsbesluit is, maar een brief van het college aan de raad.

    De raad heeft, gelet op de aard en de omvang van de locatie met de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - stadsweide" en de ingevolge artikel 9, lid 9.1, onder sub l, van de planregels toegestane dieren, er in redelijkheid voor kunnen kiezen om aan te sluiten bij de richtafstanden die gelden voor de categorie kinderboerderij. Dat de locatie met de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - stadsweide" geen educatieve functie heeft en geen publiek bezit is, is in dit kader niet relevant nu de richtafstanden betrekking hebben op milieuaspecten als geur, stof en geluid. De grootste richtafstand ten aanzien van een kinderboerderij is 30 m. Nu de afstand tussen de locatie met de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - stadsweide" en het dichtstbijzijnde gevoelige object ongeveer 42 m bedraagt, kon de raad er in redelijkheid vanuit gaan dat ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is verzekerd.

    Het betoog faalt.  

Rechtszekerheid

8.    [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat het begrip "stadsweide" niet is terug te vinden in woordenboeken, wet- en regelgeving, stukken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en/of de Sectorraad voor paarden, waardoor het begrip leidt tot rechtsonzekerheid. Ook de haakjes bij de definitie van "het houden van (landbouwhuis)dieren" kunnen volgens [appellant A] en [appellant B] zorgen voor rechtsonzekerheid, omdat de toelichting op het plan het heeft over "het houden van dieren", hetgeen volgens het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een ander begrip is dan het houden van landbouwhuisdieren. Nu het hobbymatig houden van (landbouwhuis)dieren volgens [appellant A] en [appellant B] een verwijzing is naar de Wgv - waarbij het hobbymatig houden van landbouwhuisdieren in woonwijken functioneel is gebaseerd op de eigen woning of op het educatieve en publieke aspect van kinderboerderijen en scholen - wordt dit begrip oneigenlijk gebruikt. Bij de locatie met de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - stadsweide" zijn er immers geen eigen woningen en is er geen publiek en/of educatief aspect, aldus [appellant A] en [appellant B].

8.1.        Ten aanzien van de begrippen "stadsweide" en "het houden van (landbouwhuis)dieren" overweegt de Afdeling dat de tekst uit artikel 1, lid 1.55 en lid 1.92 duidelijk is en niet voor meerderlei uitleg vatbaar. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt mocht stellen dat de begrippen "stadsweide" en "het houden van (landbouwhuis)dieren" duidelijk en ondubbelzinnig zijn. Dat het begrip "stadweide" niet is terug te vinden in woordenboeken, wet- en regelgeving, stukken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en/of de Sectorraad voor paarden, en het begrip "het houden van landbouwhuisdieren" door andere instanties of in andere stukken, anders wordt gebruikt, maakt - wat daar ook van zij - het voorgaande niet anders, nu dit niet af kan doen aan hetgeen in de planregels ondubbelzinnig is bepaald.

    Het betoog faalt.

Ruiterpaden en een hondenlosloopgebied

9.    [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat de raad met het plan ten onrechte ruiterpaden mogelijk maakt in de Muziekwijk. Zij vrezen dat een ruiterpad tot overlast zal leiden. Bovendien is het volgens [appellant A] en [appellant B] niet mogelijk om de ruiterpaden vanuit de locatie met de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - stadsweide" aan te laten sluiten op het ruiterpadnetwerk Pampus Hout, onder andere door de aanwezigheid van twee uitvalswegen. Verder is de leidingenstrook, waar ingevolge dit plan ook ruiterpaden kunnen worden gerealiseerd en waar ruiters in strijd met de Wegenverkeerswet gebruik van maken, volgens [appellant A] en [appellant B] niet geschikt als ruiterpad, nu de leidingenstrook in gebruik is als hondenlosloopgebied. De leidingenstrook zou volgens [appellant A] en [appellant B] in het plan dan ook bestemd moeten worden als hondenlosloopgebied.

9.1.    In het plan is het volgende bepaald:

"Artikel 9 Groen

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

met de daarbij behorende:

e. verhardingen, ruiter-, voet- en fietspaden;

[…]"

9.2.    De raad heeft toegelicht dat met het oog op mogelijke toekomstige ontwikkelingen, zoals wellicht de aanleg van groen, fietspaden, voetpaden, nutsvoorzieningen, maar ook een ruiterpad, een flexibele bestemming in een stedelijke omgeving als deze wenselijk is. De Afdeling ziet, gelet op de toelichting van de raad, in hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een ruiterpad in dit geval ruimtelijk aanvaardbaar is. De stelling dat het niet mogelijk is de ruiterpaden aan te laten sluiten op het ruiterpadnetwerk Pampus Hout maakt - wat daar ook van zij - het voorgaande niet anders, nu dit niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

    Ten aanzien van het hondenlosloopgebied heeft de raad toegelicht dat de Algemene Plaatselijke Verordening inclusief hondenkaart uitputtend regelt waar honden los mogen lopen, waar ze niet mogen komen en waar ze alleen aangelijnd mogen zijn. De Afdeling overweegt dat regels met betrekking tot een hondenlosloopgebied in dit geval niet in het plan behoefden te worden opgenomen, nu de raad deze regels niet nodig hoefde te achten met het oog op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan.

    Het betoog faalt.

Waakhonden

10.    [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat honden ten onrechte worden toegestaan op de locatie met de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - stadsweide", nu honden niet kwalificeren als landbouwhuisdieren. Daarnaast zullen waakhonden volgens [appellant A] en [appellant B] veel overlast veroorzaken, nu de eigenaren er niet de hele dag bij zijn om de waakhonden tot de orde te roepen.

11.    De Afdeling stelt vast dat uit de planregels volgt dat het gebruik van een stadsweide uit het hobbymatig houden van (landbouwhuis)dieren bestaat, waaronder ingevolge bijlage 5 - waarin de toegestane diersoorten staan opgesomd, met daarbij een maximum aantal per soort - ook honden vallen. De raad heeft toegelicht dat in bijlage 5 het maximum aantal dieren en diersoorten staat opgenomen, zodat de milieubelasting beperkt blijft en er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling ziet, gelet op de toelichting van de raad, alsmede gezien hetgeen hiervoor onder 5.2 is overwogen, in het betoog van [appellant A] en [appellant B] geen aanleiding voor het oordeel dat de raad honden niet heeft mogen toestaan op de locatie met de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - stadsweide".

    Het betoog faalt.      

Conclusie

12.    Het beroep is ongegrond.

13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Kranenburg    w.g. Sparreboom

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2018

195-849.