Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:619

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
201706418/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, bepaald dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk dient te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2018/75 met annotatie van Mr. dr. A.M.L. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706418/1/V2.

Datum uitspraak: 20 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 31 juli 2017 in zaak nr. NL17.4257 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, bepaald dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk dient te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

Bij uitspraak van 31 juli 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de staatssecretaris opgedragen om de vreemdeling binnen vier weken na de dag van verzending van de uitspraak de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Thelosen, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Hetgeen de staatssecretaris in de eerste grief aanvoert, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

2.    In de tweede grief klaagt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien door hem in haar uitspraak op te dragen om binnen vier weken na de dag van verzending daarvan de vreemdeling de gevraagde vergunning te verlenen en te bepalen dat die uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Het is in de eerste plaats aan de staatssecretaris en niet aan de rechtbank om te beslissen of de uitspraak van de rechtbank noopt tot verlening van de gevraagde vergunning. Bij deze beslissing kan de staatssecretaris er rekening mee houden of de vreemdeling zich na de rechtbankuitspraak al dan niet opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten.

    De grief slaagt.

3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank daarin de staatssecretaris heeft opgedragen om binnen vier weken na de dag van verzending daarvan de vreemdeling de gevraagde vergunning te verlenen en te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor het overige.

4.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 31 juli 2017 in zaak nr. NL17.4257, voor zover de rechtbank daarin de staatssecretaris heeft opgedragen om binnen vier weken na de dag van verzending daarvan de vreemdeling de gevraagde vergunning te verlenen en heeft bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

III.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Prins

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2018

837.