Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:607

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
201704020/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "’s-Gravenweg-West" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/173
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704020/1/R3.

Datum uitspraak: 21 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Capelle aan den IJssel,

en

de raad van de gemeente Capelle aan den IJssel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "’s-Gravenweg-West" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2018, waar [appellant B], bijgestaan door mr. M.C. van Meppelen Scheppink, advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door drs. ing. C. van Hemert, E.B. Weeder en R.I. Smit, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [bedrijf], vertegenwoordigd door R.P.B. van de Wetering, gehoord.

Overwegingen

Het toetsingskader

1.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening

Het plan

2.    Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor het gebied ’s-Gravenweg-West. De regeling maakt in beperkte mate uitbreiding van de bestaande functies mogelijk, maar beoogt ook voldoende waarborgen te bieden voor handhaving van de ruimtelijke kwaliteit binnen het plangebied.

Het bestaande pannenkoekenhuis aan de [locatie 1] is, conform het huidige gebruik, aldus bestemd.

Inleiding

3.    [appellant A] en [appellant B] wonen aan de [locatie 2] onderscheidenlijk [locatie 3] en stellen overlast te ervaren als gevolg van het op de [locatie 1] gevestigde pannenkoekenrestaurant, meer specifiek van de bij deze horecagelegenheid behorende speelweide met speelvoorzieningen.

De planregeling

4.    Artikel 1, lid 1.51, van de planregels luidt, voor zover thans van belang:

"horeca

Een bedrijf dat is gericht op het verstrekken van een nachtverblijf en/of het ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en/of het exploiteren van zaalaccomodatie, een en ander gepaard gaande met dienstverlening. Tot de hieronder genoemde begrippen Horeca 1 tot en met Horeca 6 worden mede begrepen de niet genoemde, maar naar aard, omvang en uitstraling op het woon- en leefmilieu vergelijkbare horecasoorten:

[…]

Horeca 2 (maaltijdverstrekkers):

vormen van horeca-activiteiten die primair zijn gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van maaltijden voor consumptie ter plaatse en waarvan de exploitatie doorgaans geen aantasting van het woon- en leefklimaat veroorzaakt, zoals restaurants, bistro’s en grand cafés;

[…].

Artikel 1, lid 1.73, luidt:

"ondergeschikte speelvoorzieningen speelvoorzieningen, behorende bij en ondergeschikt aan de bestemming Horeca, in de vorm van speelgelegenheid zoals speeltoestellen, speelattributen en spelaanleiding, waarbij beweging bij het gebruik van speelvoorzieningen uitsluitend door middel van menskracht mag worden voortgebracht.

Artikel 7, lid 7.1, luidt:

"De voor ‘Horeca’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. horeca tot en met horeca-categorie 2, met dien verstande dat zaalverhuur is toegestaan met een maximale bruto vloeroppervlak van 175 m²;

b. groenvoorzieningen;

c. water;

d. bij deze bestemming behorende voorzieningen: zoals parkeervoorzieningen, straatmeubilair, terras, ontsluitingswegen, voorzieningen van openbaar nut en andere vergelijkbare voorzieningen;

e. bij deze bestemming behorende ondergeschikte speelvoorzieningen, zowel binnen als buiten het bouwvlak met dien verstande dat buiten het bouwvlak speelvoorzieningen zijn toegestaan op een terrein met een aaneengesloten oppervlakte van ten hoogste 690 m².

Artikel 7, lid 7.3.2, luidt:

"Voor de ondergeschikte speelvoorzieningen genoemd in artikel 7.1 onder e gelden de volgende regels:

a. de speelvoorzieningen mogen uitsluitend worden gebruikt door de bezoekers van de horeca;

b. het terrein van de speelvoorzieningen mag uitsluitend worden gebruikt tussen 10:00 uur ’s ochtends en 21:00 uur ’s avonds."

De beroepsgronden

5.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat het bestemmingsplan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat. Daartoe voeren zij aan dat zij tijdens de openingstijden van het pannenkoekenhuis ernstige geluidsoverlast ervaren die wordt veroorzaakt door kinderen die gebruik maken van de speelvoorzieningen van het pannenkoekenhuis. Deze speelvoorzieningen worden eerst in het voorliggende plan expliciet als zodanig bestemd. Bovendien moet, ongeacht de vraag of sprake is van een wijziging ten opzichte van het vorige planologische regime, bij de vaststelling van een bestemmingsplan steeds worden onderzocht en gemotiveerd dat dit plan niet leidt tot een zodanige verslechtering van het woon- en leefklimaat van omwonenden dat ter plaatse niet langer sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient tevens het stemgeluid van spelende kinderen te worden betrokken.

Ook betogen [appellant A] en [appellant B] dat de planregeling onvoldoende waarborgen bevat om de geluidsoverlast te beperken. Daartoe voeren zij aan dat onduidelijk is wat onder "ondergeschikte speelvoorzieningen" moet worden verstaan. Voorts zijn deze speelvoorzieningen op grond van artikel 7, lid 7.3.2, van de planregels slechts op incourante uren gesloten en valt de in deze bepaling opgenomen beperking dat deze slechts door bezoekers mogen worden gebruikt niet te handhaven.

5.1.    De raad stelt dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Daartoe voert de raad aan dat bij de vaststelling van het plan rekening is gehouden met de invloed daarvan op het woon- en leefklimaat van omwonenden. Voorts is de toegekende bestemming volgens de raad in lijn met de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 mei 2017, waarin het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen de exploitatievergunning ongegrond is verklaard. Bij dit oordeel heeft de rechtbank onder meer meegewogen dat de aanwezigheid van de speeltuin bij het pannenkoekenhuis past binnen de bestemming "Horecadoeleinden" en in zoverre geen strijd oplevert met het bestemmingsplan "’s-Gravenweg-West 2006".

5.2.    [appellant A] en [appellant B] hebben ter onderbouwing van hun betoog naar verschillende akoestische rapporten verwezen, te weten:

 - ‘Akoestisch onderzoek V1.0 naar de akoestische situatie rondom de: [bedrijf], [locatie 1], Capelle aan Den IJssel’ van het geluidBuro van 23 september 2015;

- ‘Geluidonderzoek inzake [locatie 1] te Capelle a/d IJssel’ van Tauw van 3 december 2015;

- ‘Akoestisch onderzoek V2.0  Aanvullend onderzoek naar de akoestische situatie rondom: [bedrijf], [locatie 1], Capelle aan Den IJssel’ van het geluidBuro van 11 juli 2016; en

- ‘Second opinion akoestisch onderzoek [bedrijf] te Capelle a/d IJssel’ van DPA/Cauberg-Huygen van 17 februari 2017.

Uit deze rapporten volgt volgens [appellant A] en [appellant B] zonder meer dat het gebruik van de bij het pannenkoekenhuis behorende speelvoorzieningen objectief gezien als zeer hinderlijk en overlastgevend moet worden gekwalificeerd. Ook wordt betoogd dat ten onrechte geen nader akoestisch onderzoek is verricht terwijl de conclusies in deze rapporten daarvoor meer dan voldoende aanleiding geven.

5.3.    Voor zover [appellant A] en [appellant B] betogen dat ten behoeve van dit plan ten onrechte geen nader akoestisch onderzoek is verricht, kunnen zij daarin niet worden gevolgd. Er zijn verschillende akoestische rapporten voorhanden, van onderzoeken die recent zijn verricht en waarvan de inhoud als zodanig niet wordt bestreden. De Afdeling acht niet aannemelijk dat de conclusies van een nieuw onderzoek wezenlijk zullen verschillen van de conclusies die in voormelde onderzoeken zijn getrokken.

5.4.    De bezwaren van [appellant A] en [appellant B] richten zich met name tegen de piekgeluiden die worden veroorzaakt door stemgeluid van spelende kinderen. Hoewel geluidhinder die wordt veroorzaakt door menselijk stemgeluid niet wettelijk is genormeerd, dient dit in het kader van het bestemmingsplan wel in de beoordeling te worden betrokken, nu in het kader van een goede ruimtelijke ordening een bredere beoordeling nodig is dan op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer dient te worden verricht.

Bij de gemaakte planologische afweging heeft de raad betrokken dat in dit bestemmingsplan voor [locatie 1] een reeds bestaande situatie als zodanig is bestemd. Daarnaast is dit perceel gelegen in stedelijk gebied, waarin omwonenden ook met ander omgevingsgeluid worden geconfronteerd, waaronder dat van de nabijgelegen provinciale autoweg N219. Voorts doet de geluidshinder zich volgens de raad niet dagelijks voor, maar beperkt deze zich met name tot de drukke dagen in het pannenkoekenhuis, te weten de woensdagmiddagen, de weekends en de schoolvakanties, voor zover de weersomstandigheden het toelaten om buiten te spelen. Niettemin heeft de raad getracht de invloed van het pannenkoekenhuis op het woon- en leefklimaat van omwonenden zoveel als mogelijk te beperken. De raad wijst er in dit kader op dat het perceel specifiek is bestemd, waarbij zaalverhuur is toegestaan met een maximaal bruto vloeroppervlak van 175 m² en dat het toegekende bouwvlak is beperkt tot de bestaande bebouwing. Voorts is daartoe planologisch vastgelegd dat op het perceel slechts ondergeschikte speelvoorzieningen zijn toegestaan, dat de openingstijden van deze voorzieningen zijn beperkt tot de openingstijden van het pannenkoekenhuis en dat deze slechts mogen worden gebruikt door bezoekers van het pannenkoekenhuis.

Voorts is ter zitting gebleken dat, hoewel in de visie van de raad vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet zonder meer noodzakelijk, vanuit de gemeente eenduidige toezeggingen zijn gedaan over het aan weerszijden van het perceel [locatie 1] - dus zowel ter afscherming van het perceel van [appellant A] als van het perceel van [appellant B] - plaatsen van geluidsschermen, teneinde de geluidshinder die door hen wordt ervaren zoveel als mogelijk te beperken.

5.5.    Anders dan [appellant A] en [appellant B] acht de Afdeling met de in artikel 1, lid 1.73, van de planregels opgenomen definitie van "ondergeschikte speelvoorzieningen" voldoende duidelijk vastgelegd wat daaronder dient te worden verstaan.

Naleving van de planregeling, voor zover daarin het gebruik van de speelvoorzieningen is beperkt tot bezoekers van het pannenkoekenhuis, betreft voorts een handhavingskwestie, die in deze procedure niet aan de orde kan komen. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de planregeling in het geheel niet handhaafbaar moet worden geacht en de raad deze om die reden niet in redelijkheid aldus heeft kunnen vaststellen.

5.6.    Hoewel uit de overgelegde akoestische rapporten blijkt dat [appellant A] en [appellant B] op dagen dat de speelvoorzieningen van het pannenkoekenrestaurant in gebruik zijn daarvan geluidshinder ervaren, ziet de Afdeling in het licht van het voorgaande geen grond voor het oordeel dat de raad, alle betrokken belangen tegen elkaar afwegend, het door [appellant A] en [appellant B] bestreden plandeel niet in redelijkheid aldus heeft kunnen vaststellen.

6.    Voor zover [appellant A] en [appellant B] voor het overige hebben verzocht hun zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen, wordt overwogen dat in de nota beantwoording zienswijzen bij het besluit is ingegaan op deze zienswijzen. [appellant A] en [appellant B] hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

7.    Het beroep van [appellant A] en [appellant B] is ongegrond.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijker-Dekker, griffier.

w.g. Daalder    w.g. Wijker-Dekker

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2018

562.