Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:606

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
201608659/3/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 6 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2388, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen 20 weken na de verzending van deze tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in zijn besluit van 4 oktober 2016 tot vaststelling van het wijzigingsplan "[locatie], Loon op Zand, 2016" te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608659/3/R2.

Datum uitspraak: 21 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna: tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Loon op Zand,

en

het college van burgemeester en wethouders van Loon op Zand,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 6 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2388, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen 20 weken na de verzending van deze tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in zijn besluit van 4 oktober 2016 tot vaststelling van het wijzigingsplan "[locatie], Loon op Zand, 2016" te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college op 14 november 2017 het wijzigingsplan "[locatie], Loon op Zand, 2016" gewijzigd vastgesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [appellant] een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Tussenuitspraak en de gevolgen daarvan

1.    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling in overweging 8.1 geoordeeld dat het bestreden besluit rechtsonzeker is nu de op de verbeelding bij het wijzigingsplan aangebrachte aanduidingen, bezien in samenhang met de toepasselijke planregels, niet duidelijk maken in hoeverre ter plaatse ook bebouwing ten behoeve van andersoortige (verblijfs)recreatieve functies kan worden opgericht en ten behoeve van welke andersoortige (verblijfs)recreatieve functies de onbebouwde delen van het perceel kunnen worden gebruikt. In dit verband heeft de Afdeling er op gewezen dat ten aanzien van kleinschalig logeren in de planregels geen bouwmogelijkheid, maar wel een gebruiksmogelijkheid is opgenomen.

Voorts heeft de Afdeling in overweging 9.2 overwogen dat het college, nu niet wordt voldaan aan de richtafstanden, genoemd in de door hem aangehouden VNG-brochure, onvoldoende heeft gemotiveerd dat ter plaatse van de woning van [appellant] sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

1.1.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant], gericht tegen het besluit van 4 oktober 2016, gegrond en dient dat besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en het rechtszekerheidsbeginsel.

Het herstelbesluit

2.    Ter uitvoering van de in de tussenuitspraak gegeven opdracht heeft het college bij het besluit van 14 november 2017 kleinschalig logeren gemaximeerd op 3 verblijfseenheden met ten hoogste 70 m² per verblijfseenheid. Verder is op de verbeelding een aanduiding "specifieke vorm van recreatie, dagrecreatie uitgesloten" aangebracht die geldt voor de strook grond die ligt binnen 30 m, gemeten vanaf de woning van [appellant]. In de planregels is vastgelegd dat op die strook grond dagrecreatie niet is toegestaan. Verder is de beschrijving van (toegelaten voorzieningen voor) dagrecreatie aangescherpt. Tot slot is het inrichtingsplan aan de nieuwe planregeling aangepast.

    Het herstelbesluit van 14 november 2017 is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede onderwerp van het geding.

De nieuwe planregels

3.    De relevante planregels, zoals deze luiden na het besluit van 14 november 2017, zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Zienswijze [appellant]

4.    [appellant] betoogt in de eerste plaats dat het gewijzigd vastgestelde plan ten onrechte nog steeds toelaat dat dagrecreatie/dagopvang plaatsvindt op een afstand van meer dan 30 m van zijn woning. Gezien de aantallen kinderen die op het perceel zullen worden opgevangen, zal dit leiden tot grote overlast, met name in de vorm van geluidsoverlast. Deze dagrecreatie/dagopvang zal bovendien ook plaatsvinden op het perceelsgedeelte dat een agrarische bestemming heeft. Verder is naar zijn mening onduidelijk hoe de strook grond van 30 m rond zijn woning zal worden begrensd. Daarnaast voert [appellant] aan dat het bestaande gebouw dat op het bij het wijzigingsplan behorende erfbeplantingsplan als gebouw D (hierna: gebouw D) is aangemerkt, ook op grond van het gewijzigd vastgestelde plan voor dagopvang wordt ingezet terwijl een deel van dat gebouw op minder dan 30 m van zijn woning ligt.   

Beoordeling van het besluit van 14 november 2017

5.    De Afdeling stelt voorop dat [appellant] geen gronden aanvoert tegen de wijze waarop in het gewijzigde plan de mogelijkheden zijn vastgelegd om bouwwerken op te richten en te gebruiken voor verblijfsrecreatie.

    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het college bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de in de nabijheid van het perceel van [appellant] beoogde activiteiten in redelijkheid aansluiting heeft kunnen zoeken bij de richtafstanden die behoren bij een naschoolse opvang en een bed and breakfast. Dit betekent dat in dit geval een richtafstand van 30 m tot de woning van [appellant] van toepassing was. Over het betoog van [appellant] dat ook op een grotere afstand van de woning van [appellant] geen dagrecreatie/kinderopvang mag plaatsvinden overweegt de Afdeling dat het gaat om een betoog dat al door haar in de tussenuitspraak is beoordeeld en verworpen. Niet kan worden aanvaard dat, behoudens het geval dat een wijziging in het besluit of een verandering van omstandigheden daartoe aanleiding geeft, in een beroep tegen een nieuw besluit dat is genomen na de vernietiging van een eerder besluit, een appellant nieuwe argumenten zou kunnen aanvoeren ten einde te bewerkstellingen dat de rechter terugkomt van een in de eerste uitspraak als definitief bedoelde verwerping van een beroepsgrond. Een andere opvatting zou op onaanvaardbare wijze afbreuk doen aan de rechtszekerheid van andere partijen in een procedure als deze. Van dergelijke omstandigheden is in zo verre geen sprake.    

    Over zijn betoog dat gebruik ten behoeve van dagrecreatie/dagopvang op het betrokken perceelsgedeelte met een agrarische bestemming zal plaatsvinden overweegt de Afdeling dat de planregels een zodanig gebruik van die gronden verbieden. Voor zover [appellant] in dit verband heeft bedoeld te stellen dat tegen afwijkend gebruik onvoldoende zal worden opgetreden, betreft het een kwestie van handhaving die in deze procedure niet aan de orde kan komen.

    Bij het besluit van 14 november 2017 is, voor zover het betreft het gedeelte van het perceel [locatie] dat ligt op een kortere afstand dan 30 m van de woning van [appellant], de aanduiding "specifieke vorm van recreatie, dagrecreatie uitgesloten" in de verbeelding opgenomen. Op grond van het voor het perceel [locatie] aangepaste artikel 18, lid 18.4.7, van de planregels is op die gronden dagrecreatie niet toegestaan. De in het gewijzigd vastgestelde wijzigingsplan opgenomen uitsluiting van dagrecreatie heeft, anders dan [appellant] kennelijk meent, ook betrekking op het gebruik van gebouwen. Gebruik van gebouw D voor dagrecreatie/dagopvang is, voor zo ver het betreft het gedeelte van het gebouw dat op minder dan 30 m van de woning van [appellant] ligt, niet toegelaten. Voorts ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het besluit van 14 november 2017 in zoverre niet voldoende duidelijk begrensd is. Voor zover [appellant] in dit opzicht meent dat er niet tegen een strijdig gebruik zal worden opgetreden, betreft dit - zoals hiervoor ook is overwogen - een kwestie van handhaving die hier niet aan de orde kan komen. In dit verband wijst de Afdeling overigens nog op de bij het wijzigingsplan behorende erfbeplantingsplan, waarop het betreffende perceelsgedeelte is aangemerkt als "Erf, privé ruimte voor terras, ontsluiting en tuin" en welke landschappelijke inpassing binnen 3 jaar na het onherroepelijk geworden zijn van het wijzigingsplan moet zijn gerealiseerd, beheerd en in stand worden gehouden.

    Het betoog faalt.

Conclusie en proceskosten

6.    Het beroep, gericht tegen het besluit van 4 oktober 2016 is gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd. Het beroep, gericht tegen het besluit van 14 november 2017 is ongegrond.

    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep, gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Loon op Zand van 4 oktober 2016 tot vaststelling van het wijzigingsplan "[locatie], Loon op Zand, 2016", gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Loon op Zand van 4 oktober 2016 tot vaststelling van het wijzigingsplan "[locatie], Loon op Zand, 2016";

III.    verklaart het beroep, gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Loon op Zand van 14 november 2017 ongegrond;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Loon op Zand tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.252,50 (zegge: twaalfhonderdtweeënvijftig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Loon op Zand aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, griffier.

w.g. Hagen    w.g. Matulewicz

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2018

45. BIJLAGE

Planregels behorende bij het bestemmingsplan "Herziening Buitengebied 2015", zoals deze voor het perceel [locatie] van toepassing zijn na het besluit van 14 november 2017

Artikel 1 Begrippen:

[…].

dagrecreatie:

verblijf buiten de woning voor recreatieve doeleinden zonder dat er een overnachting elders mee gepaard gaat.

[…]

recreatieverblijf:

een gebouw of onderkomen, zoals een chalet of stacaravan, bestemd voor recreatieve doeleinden ten dienste van een huishouden dat zijn hoofdverblijf elders heeft, veelal gedurende het zomerseizoen of weekenden.

[…]

verblijfsrecreatie:

het verblijf voor recreatieve doeleinden buiten de eerste woning, waarbij ten minste een nacht wordt doorgebracht, met uitzondering van overnachtingen bij familie en kennissen. Hieronder worden onder meer verstaan een camping, groepsaccommodatie, et cetera;

[…].

Artikel 18 Recreatie - verblijfsrecreatie

18.1

Bestemmingsomschrijving

De voor "Recreatie - verblijfsrecreatie" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. recreatiebedrijven en/of recreatieterreinen bedoeld voor verblijfsrecreatie;

b. een recreatiewoning uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "recreatiewoning";

c. parkeervoorzieningen ter plaatse van de aanduiding "parkeerterrein";

d. agrarische nevenactiviteiten uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - agrarische nevenactiviteit";

e. recreatieve blokhutten uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - blokhutten";

f. een groepsaccommodatie uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodatie";

g. kleinschalig kamperen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke aanduiding - kleinschalig kamperen";

h. kleinschalig logeren uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig logeren";

[…]

k. verblijfsrecreatieve voorzieningen in de vorm van recreatiebedrijven uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "verblijfsrecreatie";

m. één bedrijfswoning per bestemmingsvlak […];

o. dagrecreatieve voorzieningen in de vorm van sport- en speelvoorzieningen ten behoeve van kleinschalige buitensport en spel zoals een trapveldje, picknicken, vliegeren en outdoor activiteiten;

[…]

q. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;

r. water, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen;

[…];

u. behoud, herstel en/of ontwikkeling van ecologische waarden, natuurwaarden en/of landschappelijke waarden.

[…]

18.4 Specifieke gebruiksregels

[…]

18.4.7

Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - dagrecreatie uitgesloten" is dagrecreatie als bedoeld in lid 18.1, onder o, niet toegestaan.

Planregels behorende bij het wijzigingsplan "[locatie] te Loon op Zand", zoals gewijzigd vastgesteld op 14 november 2017

Artikel 4

Binnen 3 jaar na het onherroepelijk worden van het wijzigingsplan, dient de landschappelijke inpassing te zijn gerealiseerd, beheerd en in stand gehouden conform het "erfbeplantingsplan" zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels.