Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:603

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
201504578/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 2015, kenmerk PDN/2015-109, heeft de staatssecretaris het gebied "Haringvliet" op grond van artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van richtlijn 92/43/EEG (PB 1992 L 206), zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 2013/17/EG (PB 2013 L 158; hierna: Habitatrichtlijn) en het besluit van 24 maart 2000 tot aanwijzing van het gebied "Haringvliet" als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van richtlijn 79/409/EEG (PB 1979 L 103), thans, na wijziging, richtlijn 2009/147/EG (PB 2009 L 20; hierna: Vogelrichtlijn) gewijzigd. Deze speciale beschermingszones vormen tezamen het Natura 2000-gebied "Haringvliet".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2018/93 met annotatie van S.D.P. Kole
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504578/2/R2.

Datum uitspraak: 21 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Vereniging Hoekschewaards Landschap, gevestigd te Oud-Beijerland (hierna: de Vereniging),

appellante,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken (thans: Economische Zaken en Klimaat),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2015, kenmerk PDN/2015-109, heeft de staatssecretaris het gebied "Haringvliet" op grond van artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van richtlijn 92/43/EEG (PB 1992 L 206), zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 2013/17/EG (PB 2013 L 158; hierna: Habitatrichtlijn) en het besluit van 24 maart 2000 tot aanwijzing van het gebied "Haringvliet" als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van richtlijn 79/409/EEG (PB 1979 L 103), thans, na wijziging, richtlijn 2009/147/EG (PB 2009 L 20; hierna: Vogelrichtlijn) gewijzigd. Deze speciale beschermingszones vormen tezamen het Natura 2000-gebied "Haringvliet".

De Afdeling heeft bij uitspraak van 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1351, het Hof van Justitie (hierna: het Hof) verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de door haar gestelde vraag en de behandeling van het beroep geschorst tot het Hof uitspraak heeft gedaan (hierna: de verwijzingsuitspraak).

Bij arrest van 19 oktober 2017, ECLI:EU:C:2017:774 (hierna: het arrest) heeft het Hof de gestelde vraag beantwoord.

De Vereniging heeft een reactie op het arrest ingediend.

Geen van partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht nader ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft gesloten.

Overwegingen

1.    Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in werking getreden en is de Nbw 1998 ingetrokken. Omdat het bestreden besluit is genomen voor 1 januari 2017, volgt uit artikel 9.10 van de Wnb dat dit geschil moet worden beoordeeld aan de hand van het voor die datum geldende recht.

    Voor een uiteenzetting van het wettelijk kader wordt verwezen naar de verwijzingsuitspraak.

2.    Het Hof heeft in het dictum van het arrest de prejudiciële vraag als volgt beantwoord:

    "Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/72 van de Commissie van 3 december 2014 tot vaststelling van een achtste bijgewerkte lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio, is ongeldig voor zover bij dat besluit het gebied Haringvliet (NL1000015) op die lijst is opgenomen zonder dat de Leenheerenpolder hiervan deel uitmaakt."

3.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de verwijzingsuitspraak, onder 11, is met het besluit van 28 april 2015, voor zover de Leenheerenpolder hierin niet is aangewezen als onderdeel van het Habitatrichtlijngebied Haringvliet, toepassing gegeven aan het uitvoeringsbesluit van de Europese commissie van 3 december 2014, gelezen in samenhang met artikel 4, tweede en vierde lid, van de Habitatrichtlijn. Nu dit uitvoeringsbesluit op grond van de uitspraak van het Hof ongeldig is, mocht de staatssecretaris geen toepassing hieraan geven (vergelijk het arrest van het Hof van 30 oktober 1975, Rey Soda, C-23/75, ECLI:EU:C:1975:142, punt 51).

    Het beroep van de Vereniging is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij de begrenzing van het Habitatrichtlijngebied "Haringvliet" zodanig is vastgesteld dat de Leenheerenpolder geen deel van het gebied uitmaakt, dient te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van de Vereniging geen bespreking meer.

4.    De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder b, van de Awb de staatssecretaris op te dragen binnen 20 weken een nieuw besluit te nemen omtrent de begrenzing van het Natura 2000-gebied "Haringvliet", met inachtneming van deze uitspraak, de verwijzingsuitspraak en het arrest. De staatssecretaris kan tot het nemen van het nieuwe besluit overgaan zonder opnieuw toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb.

5.    De staatssecretaris dient ten aanzien van de Vereniging op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Economische Zaken van 28 april 2015, kenmerk PDN/2015-109, tot aanwijzing van het Natura 2000-gebied "Haringvliet" voor zover de Leenheerenpolder niet is opgenomen binnen dit gebied;

III.    draagt de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat op om binnen 20 weken een nieuw besluit te nemen omtrent de begrenzing van het Natura 2000-gebied "Haringvliet", zoals hiervoor onder II is vernietigd, met inachtneming van deze uitspraak, de uitspraak van de Afdeling van 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1351, en het arrest van het Hof van Justitie van 19 oktober 2017, ECLI:EU:C:2017:774;

IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat tot vergoeding van bij de Vereniging Hoekschewaards Landschap in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.525,54 (zegge: drieduizend vijfhonderdvijfentwintig euro en vierenvijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat aan de Vereniging Hoekschewaards Landschap het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.

w.g. Kranenburg    w.g. Scheele

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2018

723.