Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:601

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
201709743/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief van 2 oktober 2017 heeft de voorzitter van de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp [appellant] gewaarschuwd dat hij niet voldoet aan het vereiste voor het lidmaatschap van de raad dat hij ingezetene van de gemeente Pijnacker-Nootdorp is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2018/12 met annotatie van Mr. O. Schuwer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709743/1/A2.

Datum uitspraak: 21 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant],

en

de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp,

verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 2 oktober 2017 heeft de voorzitter van de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp [appellant] gewaarschuwd dat hij niet voldoet aan het vereiste voor het lidmaatschap van de raad dat hij ingezetene van de gemeente Pijnacker-Nootdorp is.

Bij brief van 5 oktober 2017 heeft [appellant] deze waarschuwing aan het oordeel van de raad onderworpen.

Bij besluit van 26 oktober 2017 heeft de raad geoordeeld dat de voorzitter van de raad terecht aan [appellant] een waarschuwing heeft gegeven.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Kiesraad heeft desgevraagd inlichtingen verschaft.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.F.J. Sluiter, advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. Oskam, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Tevens is de Kiesraad, vertegenwoordigd door mr. R.N.A. Al, verschenen.

Overwegingen

1.    Op 8 september 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de voorzitter van de raad en [appellant], in het bijzijn van de griffier van de raad. Blijkens het door de griffier opgemaakte verslag van dat gesprek heeft de voorzitter aan [appellant] medegedeeld dat haar signalen hebben bereikt dat [appellant] niet meer in de gemeente Pijnacker-Nootdorp woont. In het verslag is vermeld dat [appellant] heeft toegelicht dat hij door omstandigheden zijn woning in Nootdorp heeft moeten verkopen en dat hij voor zijn vrouw en zoon een woning heeft gekocht in Voorburg. Om te blijven voldoen aan de vereisten van het raadslidmaatschap heeft hij zich ingeschreven in de basisregistratie personen (hierna: BRP) op het adres van zijn broer in Pijnacker. Hij verblijft en overnacht daar regelmatig (twee keer per week). In het verslag is voorts nog vermeld dat hij heeft erkend dat dit een constructie is om te voldoen aan het vereiste van ingezetenschap.

    Op 15 september 2017 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden tussen de voorzitter van de raad en [appellant]. Namens [appellant] is een correctie aangebracht op het eerdere verslag in de zin dat hij niet twee nachten per week in Pijnacker-Nootdorp verblijft, maar vier dagen. De voorzitter van de raad heeft volgens het verslag benadrukt dat de tijdelijkheid van de verblijven buiten de gemeente en de duurzaamheid van de verblijfconstructie belangrijke elementen zijn. Daarbij heeft de voorzitter aangegeven dat het in redelijkheid niet te verwachten is dat [appellant] het merendeel van de tijd in de gemeente Pijnacker-Nootdorp verblijft.

2.    Bij brief van 2 oktober 2017 heeft de voorzitter van de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp [appellant] gewaarschuwd dat hij niet voldoet aan het vereiste voor het lidmaatschap van de raad dat hij ingezetene van de gemeente Pijnacker-Nootdorp is. Aan die waarschuwing heeft de voorzitter de inhoud van de met [appellant] gevoerde gesprekken ten grondslag gelegd. Op basis van die gesprekken concludeert de voorzitter dat de werkelijke woonplaats van [appellant] vanaf maart 2017 Voorburg is. Daarbij heeft de voorzitter betrokken dat [appellant] geen intentie heeft om zich voor of na de verkiezingen te vestigen in de gemeente Pijnacker-Nootdorp, dat hij het afgelopen jaar in Voorburg heeft gewoond en dat hij pas sinds kort in het bezit is van de sleutels van het huis van zijn broer. Voorts heeft de voorzitter daarbij in aanmerking genomen dat geen sprake is van een korte overbruggingsperiode naar een nieuwe woning in Pijnacker-Nootdorp en dat er de komende periode tot maart 2018 geen duurzame situatie lijkt te zijn dat [appellant] naar redelijke verwachting de meeste malen in Pijnacker-Nootdorp zal overnachten.

3.    Bij besluit van 26 oktober 2017 heeft de raad, gezien de waarschuwing en het verzoek van [appellant] om de waarschuwing te onderwerpen aan het oordeel van de raad, geoordeeld dat [appellant] niet voldoet aan de vereisten van het raadslidmaatschap.

4.    [appellant] betoogt dat de raad niet heeft onderkend dat hij voldoet aan het vereiste van het raadslidmaatschap dat hij ingezetene is van de gemeente waar hij raadslid is. Daartoe voert hij in de eerste plaats aan dat hij geacht moet worden ingezetene van de gemeente te zijn, nu hij is ingeschreven in de BRP op een adres in de gemeente Pijnacker-Nootdorp. In de tweede plaats voert hij aan dat de raad geen bewijs heeft geleverd dat hij zijn werkelijke woonplaats niet in de gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft. De raad heeft geen, althans onvoldoende, onderzoek gedaan naar zijn werkelijke woonplaats en om die reden is het besluit voorts ook onzorgvuldig voorbereid en is de schijn van vooringenomenheid gewekt. Tot slot voert hij aan dat in het besluit geen belangenafweging heeft plaatsgevonden en het besluit onevenredig is.

4.1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage en maakt deel uit van deze uitspraak.

4.2.    Niet in geschil is dat [appellant] als ingezetene ingeschreven staat in de BRP van de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Op grond van artikel 3 van de Gemeentewet wordt [appellant] als ingezetene van de gemeente Pijnacker-Nootdorp geacht zijn werkelijke woonplaats in die gemeente te hebben, behoudens, in dit geval: door de raad te leveren bewijs van het tegendeel.

    In de gegeven omstandigheden heeft de burgemeester op zichzelf genomen terecht een onderzoek naar de woonsituatie van [appellant] ingesteld. De raad heeft echter niet aangetoond dat [appellant], in weerwil van zijn inschrijving in de BRP in de gemeente Pijnacker-Nootdorp, zijn werkelijke woonplaats niet in die gemeente heeft. De enkele verwijzing naar de verslagen van gesprekken op 8 en 15 september 2017 is daartoe onvoldoende. In het verslag van 8 september 2017 is vermeld dat [appellant] heeft medegedeeld dat hij regelmatig, namelijk twee dagen per week, op het adres van zijn broer in Pijnacker verblijft en overnacht. Dit verslag betreft echter een niet door [appellant] geaccordeerde weergave van het gesprek en [appellant] heeft een week later te kennen gegeven dat hij heeft bedoeld te zeggen dat hij doorgaans twee dagen per week in Voorburg verbleef. Daarmee kan aan de weergave van de gestelde mededelingen van [appellant] in het verslag niet de bewijskracht worden toegekend, die de raad daaraan toegekend wenst te zien. De raad had derhalve meer aanknopingspunten moeten bieden ter ondersteuning van het standpunt dat [appellant] zijn werkelijke woonplaats niet in de gemeente Pijnacker-Nootdorp had of heeft.

    Bovendien is er een door [appellant] overgelegd rapport van J.A. Pruijn, toezichthouder BRP. Daarin is vermeld dat de toezichthouder bij een huiscontrole op 21 november 2017 op het adres van de broer van [appellant] geen aanwijzing heeft gevonden dat dingen niet kloppen.

    Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] niet voldoet aan de vereisten van het lidmaatschap van de raad als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Gemeentewet.

    Het betoog slaagt.

5.    Het beroep is gegrond. Het besluit van 26 oktober 2017 dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

6.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp van 26 oktober 2017, kenmerk 17INT11604;

III.    veroordeelt de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendentwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV.    gelast dat de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

w.g. Borman    w.g. Rijsdijk

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2018

705. BIJLAGE - Wettelijk kader

Gemeentewet

Artikel 2

In deze wet wordt onder ingezetenen verstaan: zij die hun werkelijke woonplaats in de gemeente hebben.

Artikel 3

Zij die als ingezetene met een adres in een gemeente zijn ingeschreven in de basisregistratie personen (hierna: BRP), worden voor de toepassing van deze wet, behoudens bewijs van het tegendeel, geacht werkelijke woonplaats te hebben in die gemeente.

Artikel 10

1. Voor het lidmaatschap van de raad is vereist dat men ingezetene van de gemeente is […];

[…].

Kieswet

Artikel D 8

[…]

3. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelt de zaak met toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Afdeling 8.2.4 blijft buiten toepassing. […].    

Artikel X 1

1. Zodra onherroepelijk is komen vast te staan dat een lid van een vertegenwoordigend orgaan een van de vereisten voor het lidmaatschap niet bezit of dat hij een met het lidmaatschap onverenigbare betrekking vervult, houdt hij op lid te zijn.

[…].

Artikel X 5

1. Wanneer een lid van de gemeenteraad komt te verkeren in een van de gevallen, genoemd in het eerste lid van artikel X 1, geeft hij hiervan kennis aan de raad, met vermelding van de reden.

2. Indien de kennisgeving niet is gedaan en de voorzitter van de raad van oordeel is, dat een lid van de gemeenteraad verkeert in een van de gevallen, genoemd in het eerste lid van artikel X 1, waarschuwt hij de belanghebbende schriftelijk.

3. Het staat deze vrij de zaak uiterlijk op de achtste dag na de dagtekening van de in het tweede lid bedoelde waarschuwing aan het oordeel van de raad te onderwerpen.

Artikel X 9

Artikel D 8 is van overeenkomstige toepassing op een besluit als bedoeld in artikel X 4, derde lid, X 5, derde lid, X 7, vierde lid, X 7a, vierde lid, en X 8, vierde lid.