Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:598

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
201703854/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:2447, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek van [appellante] om een persoonlijke betalingsregeling afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703854/1/A2.

Datum uitspraak: 21 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 april 2017 in zaak nr. 16/5321 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek van [appellante] om een persoonlijke betalingsregeling afgewezen.

Bij besluit van 1 juli 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en een persoonlijke betalingsregeling vastgesteld, inhoudende dat zij gedurende 24 maanden € 406,00 per maand terugbetaalt.

Bij uitspraak van 4 april 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P. de Haas, advocaat te Rotterdam, en T. Khidous LLM, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] dient een bedrag van € 14.328,00 aan teveel ontvangen voorschotten kinderopvangtoeslag over het jaar 2012 terug te betalen aan de Belastingdienst/Toeslagen. Omdat [appellante] dit bedrag niet in één keer kan terugbetalen, heeft zij de Belastingdienst/Toeslagen bij brief van 30 november 2015 verzocht om die terugvordering op te nemen in de reeds vastgestelde betalingsregeling voor de terugvorderingen van kinderopvangtoeslag over de jaren 2009 tot en met 2011 en de huurtoeslag over de jaren 2013 en 2014.

    Bij het besluit van 25 februari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek om een persoonlijke betalingsregeling afgewezen, omdat de toeslagschuld valt te wijten aan grove onachtzaamheid van [appellante]. De dienst heeft [appellante] vervolgens wel uitstel van betaling verleend onder de voorwaarde dat zij de terugvordering in 24 maandelijkse termijnen gaat voldoen. Bij het besluit van 1 juli 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het tegen het besluit van 25 februari 2016 gemaakte bezwaar gegrond verklaard omdat bij nader inzien geen sprake is van opzet of grove schuld. Vervolgens heeft de dienst [appellante] uitstel van betaling verleend en een persoonlijke betalingsregeling op basis van haar betalingscapaciteit vastgesteld, inhoudende dat zij gedurende 24 maanden € 406,00 per maand terugbetaalt.

Oordeel van de rechtbank

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de vaststelling van de kinderopvangtoeslag over 2012 in deze procedure als een gegeven moet worden aanvaard. Het hieromtrent genomen besluit heeft (materiële) rechtskracht. Nu [appellante] de berekening van de betalingscapaciteit niet heeft betwist heeft de Belastingdienst/Toeslagen deze op goede gronden vastgesteld op € 406,00 per maand, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vaststelling van de kinderopvangtoeslag als een gegeven moet worden aanvaard en dat het besluit over de terugvordering materiële rechtskracht heeft. Op grond van artikel 8 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Uitvoeringsregeling Awir) wordt de werking van de terugvordering opgeschort totdat die onherroepelijk vaststaat. Dit is hier het geval omdat nog een bezwaar aanhangig is tegen het besluit over de terugvordering en het besluit op het herzieningsverzoek nog niet onherroepelijk is geworden. Gelet hierop had de Belastingdienst/Toeslagen niet op het verzoek om een betalingsregeling mogen beslissen.

3.1.    Artikel 8, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Awir luidt:

"Indien de belanghebbende tijdig een gemotiveerd bezwaar of verzoek om herziening als bedoeld in artikel 21a van de wet heeft ingediend tegen de terugvordering dan wel beroep of hoger beroep heeft ingediend tegen de uitspraak op een bezwaar of verzoek om herziening als bedoeld in artikel 21a van de wet, kan de Belastingdienst/Toeslagen uitstel van betaling van de terugvordering verlenen tot het moment waarop op het bezwaar of verzoek om herziening als bedoeld in artikel 21a van de wet, het beroep of hoger beroep is beslist."

    De Belastingdienst/Toeslagen voert bij de toepassing van de Uitvoeringsregeling Awir beleid, neergelegd in de Leidraad Invordering 2008 (hierna: de Leidraad).

    Artikel 79.9a van de Leidraad luidt:

"Voor de toepassing van artikel 8 van de Uitvoeringsregeling Awir geldt het volgende. De Belastingdienst/Toeslagen merkt een gemotiveerd bezwaarschrift of herzieningsverzoek tegen een terugvorderingsbeschikking aan als een verzoek om uitstel van betaling. In beginsel wordt het aldus gevraagde uitstel verleend tenzij:

- de belanghebbende ter zake van de betreffende tegemoetkoming of het voorschot daarop bewust onjuiste gegevens heeft verstrekt;

- de terugvordering anderszins aan opzet of grove schuld van de belanghebbende is te wijten."

3.2.    Bij besluit van 2 mei 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het jaar 2012 vastgesteld op nihil en € 14.566,00 aan teveel ontvangen voorschotten teruggevorderd. Daartegen heeft [appellante] bezwaar gemaakt. Aangenomen dat, zoals [appellante] stelt, zij het besluit op dat bezwaar van 17 december 2014 destijds niet heeft ontvangen, is dat besluit op dat moment niet in werking getreden. De Belastingdienst/Toeslagen heeft het besluit van 17 december 2014 nogmaals bij brief van 28 oktober 2015 aan [appellante] verzonden. De ontvangst van die brief wordt door [appellante] erkend. Daarmee is het besluit van 17 december 2014 alsnog op 28 oktober 2015 aan [appellante] bekendgemaakt en in werking getreden. Dat het besluit van 17 december 2014 niet is ondertekend, zoals [appellante] ter zitting heeft gesteld, maakt in dit geval, waarin het gaat om een geautomatiseerd aangemaakte brief, niet dat het besluitkarakter daaraan moet worden ontzegd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1703). Of het besluit is ondertekend is voorts niet van belang voor de vraag of het besluit op de juiste wijze is bekendgemaakt. Niet is gebleken dat [appellante] tegen het besluit van 17 december 2014 beroep heeft ingesteld, waardoor dit besluit formele rechtskracht heeft gekregen. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen niet op het verzoek om een betalingsregeling heeft mogen beslissen omdat nog een bezwaar aanhangig is tegen het besluit van 2 mei 2014.

    De Belastingdienst/Toeslagen heeft de brief van [appellante] van 9 augustus 2016 als een verzoek om herziening van de vaststelling van de kinderopvangtoeslag over 2012 aangemerkt. De rechtbank kon bij de beoordeling van het besluit van 1 juli 2016 een nadien ingediend herzieningsverzoek niet betrekken. Een besluit dient immers te worden beoordeeld naar de feiten en omstandigheden zoals die zich ten tijde van het nemen van dat besluit voordoen. Het verzoek om herziening heeft er wel toe geleid dat de Belastingdienst/Toeslagen niet tot invordering van de teruggevorderde voorschotten kinderopvangtoeslag over 2012 is overgegaan. Indien het besluit op het herzieningsverzoek formele rechtskracht heeft gekregen en daarbij een terugvordering resteert kan [appellante] een nieuw verzoek om een betalingsregeling indienen. De gemachtigde van de Belastingdienst/Toeslagen heeft ter zitting toegezegd dat bij de beslissing op dat verzoek de 24 betalingstermijnen opnieuw zullen gaan lopen.

3.3.    Het betoog faalt.

4.    [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vastgestelde betalingsregeling in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Als alleenstaande ouder kan zij maandelijks niet rondkomen en kan zij in zware financiële omstandigheden terechtkomen indien zij naast de huidige betalingsregeling van € 173,00 per maand, op basis van de betalingsregeling hier aan de orde, € 406,00 per maand zal moeten betalen.

4.1.    Op grond van artikel 7, vierde en vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir en artikel 79.8 van de Leidraad wordt bij de vaststelling van de persoonlijke betalingsregeling rekening gehouden met de draagkracht van [appellante]. Verder kan in het invorderingstraject rekening worden gehouden met de beslagvrije voet en hoeft niet direct tot dwanginvordering te worden overgegaan. De belanghebbende moet dan wel, zoals volgt uit artikel 79.8a van de Leidraad, verzoeken rekening te houden met de beslagvrije voet.

    Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de betalingsregeling in strijd met het evenredigheidsbeginsel is vastgesteld.

    Het betoog faalt.

5.    Hetgeen [appellante] omtrent de terugvordering van kinderopvangtoeslag over 2012 heeft aangevoerd kan in deze procedure over de betalingsregeling niet aan de orde komen, waardoor dit betoog buiten beschouwing wordt gelaten.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Jurgens    w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2018

85-809.