Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:596

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
201701373/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, partiële herziening Poeleweg 17 te IJhorst" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701373/1/R3.

Datum uitspraak: 21 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend te IJhorst, gemeente Staphorst,

en

de raad van de gemeente Staphorst,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, partiële herziening Poeleweg 17 te IJhorst" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2018, waar [appellant A] en de raad, vertegenwoordigd door ing. M. van Oostveen, zijn verschenen.

Overwegingen

Het toetsingskader

1.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het plan

2.    Het plan voorziet in een herontwikkeling van het perceel Poeleweg 17 te IJhorst. Op dat perceel bevindt zich een voormalig agrarisch bedrijf. De herontwikkeling bestaat uit het recht om, in ruil voor de reeds gesaneerde en nog te saneren bedrijfsgebouwen, twee nieuwe woningen met bijgebouw te realiseren. Daarnaast wordt de op het perceel aanwezige historische boerderij gerestaureerd en krijgt deze een nieuwe functie in de vorm van een combinatie van een woning met een theeschenkerij, een pannenkoekenhuis en een bed and breakfast, mede geschikt voor zorgbehoevenden.

Inleiding

3.    [appellant A] en [appellant B] wonen op de [locatie1] onderscheidenlijk [locatie 2] te IJhorst, op een afstand van circa 170 m van het plangebied. Zij kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover daarin voor dit perceel wordt voorzien in de horecafunctie die ter plaatse een theeschenkerij, pannenkoekenhuis en bed and breakfast mogelijk maakt.

Beroepsgronden

4.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat toevoeging van de horecafunctie waarin het plan voorziet, door onder meer gebruik van het terras en geluidhinder, zal leiden tot aantasting van de op slechts enkele meters van het plangebied gelegen Ecologische Hoofdstructuur (lees: Natuurnetwerk Nederland, hierna: NNN).

4.1.    In paragraaf 5.7.1.2 van de plantoelichting is nader uiteengezet waarom de aanwezigheid van het NNN nabij het plangebied niet in de weg staat aan de vaststelling van het bestemmingsplan. In dit kader wordt van belang geacht dat, hoewel de voorgenomen renovatie en nieuwbouwplannen mogelijk leiden tot een lichte toename in lichtverstoring naar het NNN en ook enige verstoring is te verwachten door aanwezigheid van mensen op plaatsen waar het NNN toegankelijk is, het NNN geen externe werking kent waardoor verdere toetsing aan het provinciaal NNN-beleid niet aan de orde is.

In de niet nader onderbouwde stellingen van [appellant A] en [appellant B] ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bestemmingsplan op dit punt geen strijd oplevert met de provinciale structuurvisies waarin het NNN nader is uitgewerkt.

Het betoog faalt.

5.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat het alcoholverbod voor de horecafunctie waarin het bestemmingsplan voorziet niet handhaafbaar is.

5.1.    Artikel 1, aanhef en onder 1.30, van de planregels, luidt:

"In deze regels wordt verstaan onder Horeca categorie 1: een horecabedrijf, waar in hoofdzaak maaltijden worden verstrekt en waar doorgaans geen overlast voor het leefklimaat wordt veroorzaakt, zoals restaurants, hotels en pensions en een horecabedrijf dat vooral is gericht op het overdag en ‘s avonds verstrekken van in hoofdzaak alcoholvrije dranken en etenswaren, zoals ijssalons, croissanterieën, lunchrooms en naar de aard en de openingstijden daarmee gelijk te stellen openingstijden."

Artikel 4, lid 4.1, luidt:

"Bestemmingsomschrijving

De voor "Wonen - 1" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijfs- of kantooractiviteiten, bed and breakfast in het hoofdgebouw;

b. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - recreatie en horeca":

1. horeca categorie 1, met uitzondering van het overnachten in de vorm van een hotel en pension, met dien verstande dat de oppervlakte ten hoogste 75 m² bedraagt;

2. bed and breakfast, verdeeld over maximaal acht slaapkamers;

met de daarbij behorende:

c. gebouwen;

d. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen;

e. tuinen, erven en terreinen;

f. bouwwerken geen gebouwen zijnde;

g. nutsvoorzieningen;"

5.2.    De definitieomschrijving van Horeca categorie 1, die op grond van de woonbestemming ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - recreatie en horeca" is toegestaan, staat de verstrekking van ‘in hoofdzaak alcoholvrije’ dranken toe. Voor zover [appellant A] en [appellant B] betogen dat het bestemmingsplan voor de toegekende horecafunctie voorziet in een absoluut alcoholverbod, mist dat betoog derhalve feitelijke grondslag.

5.3.    Naleving van de planregeling, voor zover daarin de horecafunctie wordt beperkt tot het verstrekken van in hoofdzaak alcoholvrije dranken, betreft voorts een handhavingskwestie, die in deze procedure niet aan de orde kan komen. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de planregeling in het geheel niet handhaafbaar moet worden geacht en de raad om die reden niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot voormelde planregeling.

Het betoog faalt.

6.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de parkeervoorzieningen waarin het plan voorziet zijn gebaseerd op een gemiddelde bezetting van de horeca-functie die het plan mogelijk maakt en niet toereikend zijn ingeval van een volledige bezetting daarvan.

6.1.    Artikel 12, lid 12.3, van de planregels luidt:

"Als uitgangspunt geldt dat in alle bestemmingen op eigen erf dient te worden geparkeerd. Het bevoegd gezag kan hiervan afwijken bij omgevingsvergunning indien in het geval van nieuwe ontwikkelingen in de nabijheid van deze ontwikkeling op een goede wijze kan worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Ter zake opgestelde parkeernormen worden gebaseerd op de uitgave CROW."

6.2.    Paragraaf 3.3 van de plantoelichting vermeldt over parkeren dat voor de parkeerbehoefte berekeningen kunnen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 317 (oktober 2012)’ van het CROW. Volgens de plantoelichting is er op de verhardingsvlakken voldoende parkeergelegenheid voor 17 auto’s en zal dit te allen tijde voldoende zijn.

Bij een aanwezigheid binnen het plangebied van drie woningen, acht kamers ten behoeve van de bed and breakfast en een theeschenkerij en/of pannenkoekenhuis met een oppervlakte van 75 m² komt de totale parkeerbehoefte, met toepassing van voormelde kencijfers, uit op 17,45 parkeerplaatsen.

6.3.    Ter zitting heeft de raad desgevraagd - onbestreden - verklaard dat het plangebied voldoende ruimte biedt voor het realiseren van 18 parkeerplaatsen. Voorts hebben [appellant A] en [appellant B] nader toegelicht dat de bezwaren niet zozeer zijn gericht tegen (een tekort aan) het aantal parkeerplaatsen binnen het plangebied, maar tegen de overlast die ontstaat door het gebruik van de parkeerplaatsen.

Gelet hierop ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het plan niet voorziet in de aanleg van voldoende parkeergelegenheid en om die reden in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Door [appellant A] en [appellant B] is voorts niet onderbouwd waarom het gebruik van deze parkeerplaatsen een zodanige overlast oplevert dat dat in dit geval in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht.

Het betoog faalt.

7.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat het plan ten onrechte uitgaat van een economische ontwikkeling en inkomsten die voortvloeien uit de horecafunctie die het plan mogelijk maakt. Daartoe voeren zij aan dat voor de bedrijfsvoering een beroep zal worden gedaan op vrijwilligers en dat IJhorst geen lokale leveranciers kent op wie in dit kader een beroep kan worden gedaan.

7.1.    Deze beroepsgrond is gericht tegen een passage uit het "Rapport Zienswijze(n) Ontwerpbestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening Poeleweg 17". Dit rapport maakt evenwel geen deel uit het van bestemmingsplan dat in deze procedure ter beoordeling voorligt, zodat aan de inhoud daarvan in dit kader geen bindende betekenis toekomt.

Reeds hierom kan het aldus aangevoerde niet tot vernietiging leiden.

8.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de horeca-functie, door vrijwilligers in te zullen schakelen voor de bedrijfsvoering, leidt tot concurrentievervalsing ten opzichte van de bestaande horecagelegenheid "Het Vosje" te IJhorst.

8.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2942), is de regulering van concurrentieverhoudingen geen ruimtelijk aspect en kan dat daarom in deze procedure niet aan de orde worden gesteld.

Het betoog faalt.

9.    Voor zover [appellant A] en [appellant B] de Afdeling ter zitting hebben verzocht om de uitspraak twee maanden aan te houden om partijen de kans te geven er onderling uit te komen, wordt dit verzoek afgewezen. Redengevend daarvoor is dat de raad heeft aangegeven bezwaar te hebben tegen dit uitstel, alsmede dat de zaak om dezelfde reden eerder gedurende langere tijd is aangehouden, wat niet tot resultaat heeft geleid.

10.    Het beroep is ongegrond.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijker-Dekker, griffier.

w.g. Daalder    w.g. Wijker-Dekker

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2018

562.