Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:575

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
201704820/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:14993, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 mei 2016 heeft de minister een verzoek van [appellante] om vergoeding van schade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704820/1/A2.

Datum uitspraak: 21 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 december 2016 in zaak nr. 16/6771 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Defensie.

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2016 heeft de minister een verzoek van [appellante] om vergoeding van schade afgewezen.

Bij besluit van 11 juli 2016 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 8 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2018, waar [appellante], bijgestaan door mr. A.A. Harmelen, advocaat te Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door mr. L. Beening, zijn verschenen.

Overwegingen

Geschil in hoger beroep

1.    In hoger beroep is niet in geschil het oordeel van de rechtbank dat de minister zich, gelet op het bepaalde in artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder b (lees: f), van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 7:1 van de Awb, in het besluit van 11 juli 2016 terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen bezwaar openstond tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

2.    Tussen partijen is in hoger beroep alleen in geschil het oordeel van de rechtbank dat [appellante] met op 2 maart 2016 en 12 april 2016 verzonden e-mailberichten niet (alsnog) bezwaar heeft gemaakt tegen een besluit van 9 oktober 2014. Bij dit besluit heeft de minister jaargangen van het personeelsblad van de Militaire Inlichtingen- en veiligheidsdienst (hierna: MIVD) verstrekt aan Stichting Argus.

3.    [appellante] was tot december 2015 werkzaam bij het ministerie van Defensie. Van 1 december 2000 tot 1 april 2003 was zij werkzaam als hoofd mediacentrum van de MIVD. In het personeelsblad is in 2001 een artikel verschenen over [appellante].

Beoordeling van het hoger beroep

4.    Anders dan [appellante] betoogt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de e-mailberichten van 2 maart 2016 en 12 april 2016 niet kunnen worden aangemerkt als bezwaarschrift tegen het besluit van 9 oktober 2014. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.1.    Voorop staat dat [appellante] in de e-mailberichten op geen enkele wijze duidelijk heeft gemaakt dat zij (alsnog) tegen het besluit van 9 oktober 2014 bezwaar wenst te maken. In de e-mail van 2 maart 2016 reageert [appellante] op een artikel in de Volkskrant van 27 februari 2016. In dat artikel is vermeld dat namen van (ex)medewerkers in een personeelsblad zijn gepubliceerd en dat (ex)medewerkers door publicatie gevaar lopen. [appellante] vraagt de MIVD naar aanleiding daarvan om advies over het gebruik van social media om een netwerk op te bouwen en haar kansen op het vinden van werk te vergroten. In de e-mail van 12 april 2016 stelt [appellante] dat volgens haar een fout is gemaakt door de jaargangen van het personeelsblad beschikbaar te stellen aan Stichting Argus. Zij wijst erop dat de minister in haar antwoord op vragen uit de Tweede Kamer heeft aangegeven dat achteraf kan worden geconcludeerd dat de namen in het personeelsblad geanonimiseerd hadden moeten worden. [appellante] sluit de e-mail vervolgens af met een verzoek om te komen tot een voorstel voor compensatie. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de e-mail van 12 april 2016 geen verzoek tot heroverweging bevat van het besluit van 9 oktober 2014, wat daar verder ook van zij, maar een verzoek tot compensatie voor het door [appellante] gestelde onrechtmatig handelen. Dat in een e-mail van 18 april 2016 aan [appellante] wordt verzocht haar bezwaren inzake het gebruik van social media en haar verwachtingen ten aanzien van het ministerie van Defensie kenbaar te maken, leidt, anders dan [appellante] betoogt, niet tot het oordeel dat haar eerdere e-mailberichten moeten worden aangemerkt als bezwaarschrift.

    Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Van Ravels    w.g. Planken

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2018

299.