Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:574

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
201700738/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:8472, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 oktober 2015 heeft het college geweigerd [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruik van loodsen op het perceel [locatie] te Aalsmeer (hierna: het perceel) voor opslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700738/1/A1.

Datum uitspraak: 21 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Aalsmeer,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 december 2016 in zaak nr. 16/2092 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer.

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2015 heeft het college geweigerd [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruik van loodsen op het perceel [locatie] te Aalsmeer (hierna: het perceel) voor opslag.

Bij besluit van 17 februari 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 5 september 2016 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld een gebrek in het besluit van 17 februari 2016 te herstellen.

Bij uitspraak van 20 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 17 februari 2016 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. K. van der Leij, advocaat te Spaarndam, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. R. van Eldik, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] is eigenaar van een aantal loodsen op het perceel. Op grond van het bestemmingsplan "Schinkelpolder" hebben de gronden waarop de loodsen staan de bestemming "Gemengd - Agrarisch en Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - grondverzetbedrijf". Volgens [appellant] is het niet mogelijk om de loodsen op een rendabele wijze te gebruiken overeenkomstig de bestemming. Daarom heeft hij het college gevraagd hem een omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruik van de loodsen ten behoeve van opslag. Het college heeft geweigerd dat te doen.

2.    De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd, omdat het college daarin niet deugdelijk had gemotiveerd waarom het gebruik van de loodsen ten behoeve van opslag in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en het gemeentelijk beleid. De rechtbank heeft echter aanleiding gezien de rechtsgevolgen van dat besluit in stand te laten, omdat de loodsen in een glastuinbouwconcentratiegebied liggen en gebruik ten behoeve van opslag in een dergelijk gebied in strijd is met artikel 26c van de Provinciale Ruimtelijke Verordening van Noord-Holland (hierna: de Verordening). Het gemeentelijk beleid stemt overeen met het bepaalde in dat artikel, aangezien het beleid erop is gericht glastuinbouw te behouden en waar mogelijk te versterken. Er doet zich dan ook niet de situatie voor dat het gemeentelijk beleid wordt belemmerd door provinciale regels als bedoeld in de ontheffingsbepaling van artikel 34 van de Verordening. Het college heeft dan ook kunnen afzien van de mogelijkheid om gedeputeerde staten van Noord-Holland om ontheffing van de Verordening te vragen, aldus de rechtbank.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college heeft kunnen afzien van het vragen van ontheffing van de Verordening. Volgens hem heeft de rechtbank miskend dat het college in zijn beoordeling had moeten betrekken dat het niet mogelijk is om de loodsen op een rendabele wijze te gebruiken overeenkomstig de bestemming.

    Voorts voert [appellant] aan dat het gemeentelijk beleid om alleen glastuinbouwbedrijven of daaraan gelieerde bedrijven toe te staan misschien formeel in overeenstemming is met de Verordening, maar het college daar in veel gevallen van afwijkt. In dat verband verwijst [appellant] naar de omgevingsvergunning die het college heeft verleend voor de ingebruikname van een tuinbouwkas als grootkeuken op het perceel Rietwijkeroordweg 52. Voorts stelt hij dat het perceel Oosteinderweg 529 in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt voor opslag. Volgens hem handelt het college dan ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

3.1.    Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening luidt:

"In deze verordening wordt mede verstaan onder bestemmingsplan:

een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht juncto artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, of artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken."

    Artikel 26 c luidt:

"[…]

3. een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een glastuinbouwconcentratiegebied, zoals aangegeven op kaart 7 en de digitale verbeelding ervan, maakt de vestiging van nieuwe bedrijvigheid anders dan primaire glastuinbouw niet mogelijk.

4. In afwijking van het derde lid, kan een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een glastuinbouwconcentratiegebied, zoals aangegeven op kaart 7 en de digitale verbeelding ervan, bestemmingen of regels bevatten voor bedrijven die gelieerd zijn aan glastuinbouw.

5. In afwijking van het derde lid kan een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een glastuinbouwconcentratiegebied, zoals aangegeven op kaart 7 en de digitale verbeelding ervan, bestemmingen of regels bevatten die bedrijven mogelijk maken die niet zijn gelieerd aan glastuinbouw mits deze bedrijven aantoonbaar bijdragen aan de verduurzaming van de aanwezige glastuinbouwbedrijven.

[…]"

    Artikel 34 luidt

"Gedeputeerde staten kunnen op aanvraag van burgemeester en wethouders een ontheffing als bedoeld in artikel 4.1a van de wet verlenen van artikel 5 tot en met artikel 33 van deze verordening voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienden provinciale belangen. […]"

3.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat op grond van artikel 34 van de Verordening slechts ontheffing van artikel 26c kan worden verleend voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienden provinciale belangen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat die situatie zich hier niet voordoet, aangezien het gemeentelijk beleid tot behoud en versterking van glastuinbouw in overeenstemming is met de Verordening. De stelling van [appellant] dat het niet mogelijk is om de loodsen op een rendabele wijze te gebruiken overeenkomstig de bestemming, doet aan het door het college gevoerde beleid niet af en leidt dan ook niet tot een ander oordeel.

3.3.    Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft het college toegelicht dat op het perceel Rietwijkeroordweg 52 een glastuinbouwbedrijf is gevestigd. Er is een omgevingsvergunning verleend om een deel van de tuinbouwkas in gebruik te kunnen nemen als grootkeuken en kookstudio. In de grootkeuken en kookstudio worden maaltijden bereid van overwegend ter plaatse geteelde producten. De grootkeuken en kookstudio zijn aangemerkt als bedrijfsgebonden nevenactiviteiten, omdat slechts 2,3% van het bedrijfsgebouw daarvoor wordt gebruikt, aldus het college.

3.4.    Uit de omgevingsvergunning voor Rietwijkeroordweg 52 en de door het college gegeven toelichting blijkt dat die vergunning betrekking heeft op een nevenactiviteit bij het op grond van het bestemmingsplan toegestane glastuinbouwbedrijf. De aanvraag van [appellant] ziet op opslagactiviteiten die geen verbinding hebben met glastuinbouw. Van een gelijk geval is reeds daarom geen sprake. De stelling van [appellant] dat feitelijk een veel groter deel van het perceel Rietwijkeroordweg 52 voor horecadoeleinden wordt gebruikt en het perceel ook voor het overige in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt, leidt niet tot een ander oordeel. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel kan pas sprake zijn als het college in een rechtens gelijk geval wel omgevingsvergunning heeft verleend. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college dat heeft gedaan. Voor zover op het perceel Rietwijkeroordweg 52 activiteiten plaatsvinden in strijd met het bestemmingsplan en de verleende omgevingsvergunning is dat in deze procedure niet van belang. Dat betreft een kwestie van handhaving. Dit geldt ook voor het door [appellant] gestelde, met het bestemmingsplan strijdige gebruik op het perceel Oosteinderweg 529.

3.5.    De conclusie is dat de aanvraag van [appellant] om de loodsen te mogen gebruiken voor opslag in strijd is met de Verordening en ontheffing daarvan niet mogelijk is. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college in andere, rechtens gelijke gevallen wel omgevingsvergunning heeft verleend. Onder die omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college van het vragen van ontheffing van de Verordening heeft kunnen afzien en heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar in stand kunnen laten.

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, griffier.

w.g. Slump

lid van de enkelvoudige kamer    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2018

402-457.