Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:570

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
201700742/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:8541, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2016 heeft het college aan Stichting Ymere een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen en vergroten van het gebouw Haarlemmerplein 50 tot en met 82 te Amsterdam met bestemming daarvan tot horeca 3 (zuidelijk bouwdeel) en horeca 4 (noordelijk bouwdeel) op de begane grond en de daaronder gelegen bouwlaag en zes woningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2018/7806
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700742/1/A1.

Datum uitspraak: 21 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2016 in zaak nr. 16/3375 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2016 heeft het college aan Stichting Ymere een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen en vergroten van het gebouw Haarlemmerplein 50 tot en met 82 te Amsterdam met bestemming daarvan tot horeca 3 (zuidelijk bouwdeel) en horeca 4 (noordelijk bouwdeel) op de begane grond en de daaronder gelegen bouwlaag en zes woningen.

Bij uitspraak van 19 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. K. de Wit, rechtsbijstandverlener te Heusden, het college, vertegenwoordigd door mr. C.L. Brinks, en Ymere, vertegenwoordigd door mr. M.A. Grapperhaus, advocaat te Amsterdam, en [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Ymere is eigenaar van het als rijksmonument aangewezen gebouw Haarlemmerplein 50 tot en met 82 (hierna: het gebouw), dat ook bekend staat als De Haarlemmerpoort. In het gebouw bevinden zich 17 woningen, die door Ymere worden verhuurd. Het vergunde project, dat in strijd is met de ten tijde van het besluit van 7 april 2016 geldende bestemmingsplannen "Haarlemmerbuurt" en "Haarlemmerbuurt/Westelijke eilanden", voorziet onder meer in het plaatsen van vier deuren in de zijgevels en het aanbrengen van bordestrappen. Daarnaast krijgt een deel van het gebouw een horecafunctie.

    [appellant] huurde een woning op de begane grond van het gebouw. Als het project wordt uitgevoerd, verdwijnt die woning te behoeve van horeca.

Procesbelang

2.    Het college en Ymere hebben de vraag opgeworpen of [appellant] nog belang heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep, aangezien hij inmiddels niet meer in het gebouw woont.

2.1.    [appellant] heeft toegelicht dat hij vanwege de realisering van het project is gedwongen de woning te verlaten. Hij wil graag terugkeren naar die woning. Ter zitting is gebleken dat niet is uitgesloten dat als het project geen doorgang vindt, van de sloop van die woning wordt afgezien en [appellant] daarnaar kan terugkeren. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat [appellant] nog belang heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep.

Afwijken bestemmingsplan

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor het afwijken van het ten tijde van het besluit van 7 april 2016 geldende bestemmingsplan "Haarlemmerbuurt".

3.1.    Bij uitspraak van 15 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:429, heeft de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van de raad van de gemeente Amsterdam tot vaststelling van het bestemmingsplan "Haarlemmerpoort" ongegrond verklaard. Daarmee is dit bestemmingsplan onherroepelijk geworden. Niet in geschil is dat dit bestemmingsplan het project toestaat. Onder deze omstandigheden heeft [appellant] geen belang meer bij een bespreking van de gronden die betrekking hebben op het verlenen van omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan "Haarlemmerbuurt". De Afdeling zal die gronden dan ook niet beoordelen.

3.2.    Ten aanzien van hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd over de aantasting van zijn woon- en leefklimaat, overweegt de Afdeling dat zij in de uitspraak van 15 februari 2017 gemotiveerd uiteen heeft gezet waarom aan een inhoudelijke beoordeling daarvan in die zaak niet is toegekomen. De Afdeling ziet geen aanleiding om daar in deze zaak anders over te oordelen.

Aantasting monument

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich onder verwijzing naar adviezen van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) en de Commissie voor Welstand en Monumenten (hierna: CWM) op het standpunt heeft mogen stellen dat het project niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het monumentale karakter van het gebouw. Volgens [appellant] blijkt uit het rapport "Cultuurhistorische effectrapportage verbouwingsplan Haarlemmerpoort te Amsterdam" van De Erfgoed Praktijk van 12 juni 2016 dat het project ertoe zal leiden dat het aangezicht van het gebouw ingrijpend verandert en het wezen ervan, als poortgebouw, zal worden aangetast. Daarbij wijst [appellant] er ook op dat, anders dan waarvan het college is uitgegaan, het gebouw nooit echt publiekelijk toegankelijk is geweest.

    Ter nadere onderbouwing van zijn betoog heeft [appellant] in hoger beroep het rapport "Notitie inzake het hoger beroep tegen het verbouwingsplan Haarlemmerpoort te Amsterdam" van De Erfgoed Praktijk van 23 november 2017 overgelegd. Daaruit blijkt volgens hem dat de goedkeuring voor met name de entrees ondeugdelijk is gemotiveerd.

4.1.    De CMW heeft op 6 mei 2015 advies uitgebracht over het project. Zij is daarmee akkoord gegaan. Op 27 september 2016 heeft de CMW een reactie gegeven op het rapport van De Erfgoed Praktijk van 12 juni 2016. In die reactie zet de CMW uiteen dat de aanwijzing van een gebouw tot monument niet betekent dat het gebouw wordt bevroren in de toestand die het op dat moment heeft. Monumenten worden voortdurend aangepast aan nieuwe functies zodat ze een maatschappelijk relevante betekenis kunnen blijven houden.

    Naar aanleiding van de kritiek van De Erfgoed Praktijk dat het maken van vier nieuwe entrees met bordestrappen niet een herstel van een oorspronkelijke of vroegere situatie inhoudt, merkt de CMW op dat in de huidige toestand de restanten van vier openingen in de zijgevels van het gebouw duidelijk waarneembaar zijn. Toegangen op deze plaatsen kunnen op basis van archiefmateriaal niet worden bewezen maar ook niet uitgesloten. Wel is vast te stellen dat er ter plekke van de beoogde toegangen altijd nissen en ramen aanwezig zijn geweest.

    Naar aanleiding van de kritiek van De Erfgoed Praktijk dat het aanbrengen van de entrees een aanzienlijke aantasting vormt van de monumentale waarden van het gebouw omdat zij niet passen bij de functie en het karakter van een stadspoort, merkt de CMW op dat het wegnemen van de bestaande borstweringen onder de vensters in fysieke zin een kleine ingreep is waarbij geen historisch waardevol materiaal verloren gaat. De ingreep doet geen afbreuk aan de reden tot aanwijzing van de poort, te weten de herkenbaarheid als ceremonieel poortgebouw bestaande uit een centrale doorgang met zijvleugels. Mocht dat in de toekomst wenselijk zijn, is de ingreep door het terugplaatsen van borstweringen eenvoudig ongedaan te maken. Bezien in het licht van het gebruik van het monument en de beperkte aantasting van fysieke monumentale waarden, zijn de gevelaanpassingen ten behoeve van de entrees beoordeeld als acceptabele ingrepen en daarom positief beoordeeld, aldus de CMW.

4.2.    De minister heeft op 11 november 2013 advies uitgebracht over een eerdere versie van het project. Volgens de minister is sprake van een sobere en doelmatige restauratie. De materiële aantasting van het monument is beperkt en het karakter van de structuur van het monument wordt hierdoor niet wezenlijk aangetast, aldus dat advies.

    Op 21 juli 2015 heeft de minister advies uitgebracht over het voorliggende project. In dat advies stelt hij zich op het standpunt dat de contouren van het poortgebouw intact en herkenbaar blijven.

    Naar aanleiding van het rapport van De Erfgoed Praktijk van 12 juni 2016 is namens de minister op 3 oktober 2016 te kennen gegeven dat dit rapport geen aanleiding geeft voor een nieuw advies.

4.3.    Naar het oordeel van de Afdeling is in de adviezen van de CMW en de minister deugdelijk gemotiveerd waarom de materiele aantasting van het poortgebouw beperkt is en het karakter en de structuur ervan niet wezenlijk worden aangetast. Ondanks de wijzigingen blijft het gebouw herkenbaar als stadspoort. Uit de adviezen kan worden afgeleid dat daarbij niet van doorslaggevend belang is of het gebouw ooit publiekelijk toegankelijk is geweest of dat er ooit entrees aanwezig waren. Gelet hierop en op de omstandigheid dat het project er juist mede op is gericht om het monument in stand te houden, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich op grond van de adviezen van de CMW en de minister op het standpunt heeft mogen stellen dat geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van de monumentale waarden van het gebouw. Het college heeft dan ook in redelijkheid omgevingsvergunning kunnen verlenen voor het wijzigen van het beschermde monument.

    Het in hoger beroep overgelegde rapport van De Erfgoed Praktijk van 23 november 2017 leidt niet tot een ander oordeel. In dat rapport wordt geconcludeerd dat voor het aanbrengen van de entrees historisch bewijs ontbreekt. De CMW heeft echter al in haar reactie van 27 september 2016 deugdelijk gemotiveerd waarom dat niet van doorslaggevend belang is. Ook ten aanzien van de stelling dat de entrees een ernstige aantasting vormen van het karakter van het gebouw als poortgebouw en de herkenbaarheid van de historische functie van het gebouw verminderen, heeft de CMW gemotiveerd uiteengezet waarom dat niet het geval is. Dat De Erfgoed Praktijk op deze punten een andere waardering aan de ingrepen geeft dan de CMW, biedt geen grond voor het oordeel dat het advies van de CMW niet deugdelijk is. Ten slotte doet de stelling van De Erfgoed Praktijk dat de entrees niet noodzakelijk zijn voor het onderbrengen van een horecafunctie in het gebouw er niet aan af dat in de adviezen van de CMW en de minister deugdelijk is gemotiveerd waarom de aantasting van het gebouw beperkt is.

    Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, griffier.

w.g. Slump

lid van de enkelvoudige kamer    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2018

402-457.