Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:567

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
201700810/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:15337, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 29 oktober 2015 heeft het college aan [appellante] medegedeeld dat op de hoek [straat] in Alphen aan den Rijn een speelplek gerealiseerd gaat worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700810/1/A1.

Datum uitspraak: 21 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Alphen aan den Rijn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 december 2016 in zaak nr. 16/5489 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn.

Procesverloop

Bij brief van 29 oktober 2015 heeft het college aan [appellante] medegedeeld dat op de hoek [straat] in Alphen aan den Rijn een speelplek gerealiseerd gaat worden.

Bij brief van 1 juni 2016 heeft het college [appellante] medegedeeld dat de bezwarencommissie het door haar tegen het besluit van 29 oktober 2015 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Bij uitspraak van 15 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. drs. R. Müller, advocaat te Alphen aan den Rijn, en het college, vertegenwoordigd door R.M. Klerks, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] woont in een appartementengebouw in Alphen aan den Rijn. Het college heeft haar bij brief van 29 oktober 2015 medegedeeld dat naast het appartementengebouw een speelplek zal worden gerealiseerd. [appellante] vreest hinder van de speelplek te zullen ondervinden, met name door het lawaai van spelende kinderen.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college geen besluit op haar bezwaar heeft genomen. Daartoe voert zij aan dat in de brief van 1 juni 2016 staat dat de bezwarencommissie, en dus niet het college, het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.1. [appellante] voert terecht aan dat in de brief van 1 juni 2016 staat dat de bezwarencommissie haar bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Die mededeling is onjuist, aangezien de bezwarencommissie het college slechts geadviseerd heeft het bezwaar van [appellante] niet-ontvankelijk te verklaren. Gelet echter op de omstandigheid dat de brief van 1 juni 2016 uitdrukkelijk namens het college is verzonden en daarin wordt verwezen naar het advies van de bezwarencommissie van 19 mei 2016, moet die brief naar het oordeel van de Afdeling zo worden begrepen dat het college het bezwaar zelf niet-ontvankelijk heeft verklaard en voor de motivering van die beslissing heeft verwezen naar het advies van de bezwarencommissie. [appellante] heeft de brief zelf ook terecht zo opgevat door daartegen beroep in te stellen en in de aanhef van het beroepschrift te vermelden dat het beroep is gericht "tegen het besluit van 1 juni 2016 van het College van Burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn". De rechtbank heeft in de onjuiste mededeling dat het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard door de bezwarencommissie dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet heeft beslist op het bezwaar van [appellante].

Het betoog faalt.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de mededeling in de brief van 29 oktober 2015 dat een speelplek gerealiseerd gaat worden geen besluit behelst als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), zodat daartegen geen bezwaar openstond. Volgens haar is de beslissing om een speelplek in te richten een publiekrechtelijke rechtshandeling. Voorts voert zij aan dat op grond van artikel 3:1 van de Awb ook feitelijke handelingen met de nodige zorgvuldigheid moeten worden voorbereid en uitgevoerd en dat een bestuursorgaan daarbij een belangenafweging moet verrichten. Ook het verbod van détournement de pouvoir en het evenredigheidsbeginsel zijn op grond van die bepaling van toepassing, aldus [appellante].

3.1. Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb luidt:

"Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling."

Artikel 3:1, tweede lid, luidt:

"Op andere handelingen van bestuursorganen dan besluiten zijn de afdelingen 3.2 tot en met 3.4 van overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de handelingen zich daartegen niet verzet."

Artikel 7:1, eerste lid, luidt:

"Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken […]".

Artikel 8:1 luidt:

"Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter."

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, uitspraak van 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:99, heeft een beslissing rechtsgevolg, indien zij er op is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen.

3.3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de mededeling dat een speelplek wordt ingericht betrekking heeft op feitelijk handelen. Die mededeling is niet gericht op rechtsgevolg, omdat daarmee niet een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen ontstaat of teniet wordt gedaan, dan wel de juridische status van een persoon of een zaak wordt vastgesteld. Niet is gebleken dat voor de inrichting van de speelplek op grond van een publiekrechtelijke regeling toestemming vereist was. De mededeling dat een speelplek wordt ingericht kan dan ook niet worden aangemerkt als een dergelijke toestemming. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat die mededeling geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is, zodat daartegen geen bezwaar openstond. Het college heeft het bezwaar van [appellante] daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

De verwijzing naar artikel 3:1, tweede lid, leidt niet tot een ander oordeel. Juist is dat op grond van die bepaling de afdelingen 3.2 tot en met 3.4 van de Awb van overeenkomstige toepassing zijn op andere handelingen van bestuursorganen dan besluiten, voor zover de aard van de handelingen zich daartegen niet verzet. In zoverre zal het college ook bij andere handelingen dan besluiten rekening moeten houden met de door [appellante] aangehaalde eisen. Dit doet er echter niet aan af dat op grond van de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb slechts tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, bezwaar kan worden gemaakt en beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld. De rechtbank heeft zich daarom terecht beperkt tot de beoordeling of sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, en mocht, nu daarvan geen sprake is, niet beoordelen of de beslissing om een speelplek in te richten met inachtneming van de daarvoor geldende eisen is genomen.

Het betoog faalt.

4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wordt aan een bespreking van de overige beroepsgronden van [appellante] niet toegekomen.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, griffier.

w.g. Slump

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2018

402-457.