Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:566

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
201702010/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "1e Exloërmond" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2018/6759
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702010/1/R3.

Datum uitspraak: 21 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te 1e Exloërmond, gemeente Borger-Odoorn,

en

de raad van de gemeente Borger-Odoorn,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "1e Exloërmond" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 november 2017, waar partijen niet zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan betreft een actualisatie van het bestemmingsplan "1e Exloërmond" van 1984. Het plangebied ziet op het gehele bebouwingslint van 1e Exloërmond. Het plan heeft in hoofdzaak een conserverend karakter, maar bevat wel enkele nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden voor bestaande agrarische bedrijven.

    [appellant] en anderen wonen aan de [locatie 1] onderscheidenlijk [locatie 2] te 1e Exloërmond. De Afdeling begrijpt het beroep aldus dat [appellant] en anderen vrezen voor uitbreiding van de bestaande agrarische bedrijven in de omgeving van hun woningen waardoor hun woon- en leefklimaat onaanvaardbaar wordt aangetast.

Toetsingskader

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Landschappelijke inpassing

3.    [appellant] en anderen richten zich tegen artikel 3, lid 3.2.1, sub b, onder 1, van de planregels. Zij voeren aan dat ten onrechte geen inhoudelijke eisen worden gesteld aan een erfinrichtingsplan.

3.1.    Artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels luidt:

"Voor het bouwen ten behoeve van het agrarische bedrijf gelden de volgende regels:

a. de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

b. bij het bouwen van nieuwe gebouwen en overkappingen met een inhoud van meer dan:

1. 500 m3 dient het bouwplan vergezeld te gaan van een erfinrichtingsplan;

2. 2.000 m3 dient het bouwplan vergezeld te gaan van een landschappelijk inpassingsplan ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing en een goede ruimtelijke kwaliteitsverhouding tot de bestaande bebouwing;

de erfbeplanting moet worden aangelegd en in standgehouden conform het erfinrichtingsplan respectievelijk het landschappelijk inpassingsplan; deze verplichting wordt als voorwaarde bij de omgevingsvergunning opgenomen."

3.2.    In de plantoelichting staat dat de kern 1e Exloërmond in het veenkoloniale gebied ligt. De verkaveling is rechtlijnig, met lange optrekkende kavels loodrecht op de weg of het kanaal. De meeste agrarische erven zijn onderdeel van het bebouwingslint. De opzet van de erven is eenduidig: een woonhuis op het voorerf en (stal)len op het achtererf. De raad heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat uitbreiding van de bebouwing op agrarische erven dan ook relatief eenvoudig in dit landschapstype kan worden ingepast, waarbij de bestaande verkavelingsstructuur gehandhaafd blijft. Volgens de raad vraagt de uitbreiding van agrarische bebouwing wel zorgvuldigheid nu de impact van nieuwe stallen in het open landschap groot is. Een passende landschappelijke inpassing kan zorgdragen voor een goede overgang van erf naar omgeving, aldus de raad. De raad stelt dat in artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels derhalve is bepaald dat bij het realiseren van nieuwe bebouwing binnen het bouwvlak met een volume van meer dan 500 m3, het bouwplan vergezeld dient te gaan van een erfinrichtingsplan. Door eveneens te bepalen dat de erfbeplanting moet worden aangelegd en in stand moet worden gehouden overeenkomstig het erfinrichtingsplan en dat deze verplichting als voorwaarde bij de omgevingsvergunning moet worden opgenomen, is de landschappelijke inpassing van nieuwe bebouwing op bestaande erven volgens de raad voldoende gewaarborgd.

    De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet heeft mogen volstaan met een erfinrichtingsplan als zodanig, zodat in voorkomende gevallen, aan de hand van een concreet bouwplan, maatwerk kan worden geleverd.

    Het betoog faalt.

Mestvergistingsinstallaties

4.    [appellant] en anderen kunnen zich niet verenigen met artikel 3, lid 3.5.3, van de planregels. Volgens hen passen mestvergistingsinstallaties niet in een dorp gelet op de richtafstand van 100 m in de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure). Zij voeren aan dat niet is gewaarborgd dat een mestvergistingsinstallatie een gesloten installatie dient te zijn in verband met geur. Voorts voeren zij aan dat de geluidbelasting als gevolg van een mestvergistingsinstallatie niet is onderzocht.

4.1.    Artikel 3, lid 3.5.3, van de planregels luidt:

"Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.1, sub d, voor het gebruik van de gronden en bouwwerken voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf in combinatie met de biovergisting ((co)vergisting) van mest, mits:

a. het bedrijf in hoofdzaak eigen geproduceerde mest verwerkt en eigen en/of van derden afkomstige co-substraten toevoegt; de co-vergiste mest wordt in hoofdzaak gebruikt op de gronden die tot het bedrijf behoren of wordt naar derden afgevoerd; of:

b. het bedrijf in hoofdzaak aangevoerde mest verwerkt, geproduceerd door derden en eigen en/of van derden afkomstige co-substraten toevoegt; de co-vergiste mest wordt in hoofdzaak gebruikt op de tot het bedrijf behorende gronden;

c. is aangetoond dat er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;

d. er sprake is van een bouwperceel, gelegen aan een weg die berekend is op zwaar verkeer;

e. is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, waarbij er minimaal een afstand van 50 meter van de vergistingsinstallatie tot geurgevoelige objecten moet worden aangehouden, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

f. de biovergisting niet wordt gecombineerd met andere nevenactiviteiten binnen het agrarisch bedrijf waarbij personen binnen de risicocontour van de biogasopslag verblijven (zoals kinderopvang, zorgboerderij, verblijfsrecreatie);

g. er overeenstemming is over een goede landschappelijke inpassing."

4.2.    De Afdeling stelt vast dat artikel 3, lid 3.5.3, van de planregels een algemene afwijkingsbevoegdheid bevat die geen betrekking heeft op een specifieke locatie. Bij deze afwijkingsbevoegdheid zijn voorwaarden gesteld die moeten waarborgen dat toepassing van deze bevoegdheid niet in strijd komt met een goede ruimtelijke ordening. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2618, kan de raad bij het opnemen van een dergelijke afwijkingsbevoegdheid in een bestemmingsplan in beginsel volstaan met de afweging of deze in het algemeen op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kan worden toegepast.

    In de plantoelichting is uiteengezet dat de afwijkingsbevoegdheid ziet op een zogenoemde bedrijfseigen agrarische activiteit, meestal in combinatie met een veehouderij of een akkerbouwbedrijf. De Afdeling stelt vast dat in artikel 3, lid 3.5.3, van de planregels is bepaald dat bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.1, sub d, voor het gebruik van de gronden en bouwwerken voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf in combinatie met de biovergisting ((co)vergisting) van mest. In de planregels is opgenomen dat alleen toepassing kan worden gegeven aan de afwijkingsbevoegdheid indien is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, waarbij er minimaal een afstand van 50 m van de vergistingsinstallatie tot geurgevoelige objecten moet worden aangehouden. Voor zover [appellant] en anderen hebben gewezen op de aanbevolen richtafstand van 100 m in de VNG-brochure rond installaties voor co-vergisting van mest voor geur en geluid heeft de raad toegelicht dat deze afstand ziet op een zogenoemde industriële vergistingsinstallatie, oftewel een centrale mestverwerking op een grotere schaal, en dat een minimale afstand van 50 m voor de hier bedoelde vorm van biovergisting voldoende is. De beoordeling of biovergisting van mest bij een agrarisch bedrijf kan worden toegestaan wordt naar aanleiding van het concrete verzoek om af te wijken van het bestemmingsplan gemaakt aan de hand van de aanwezige situatie ter plaatse.

    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de totstandkoming van het plan ten onrechte heeft nagelaten de geluideffecten te onderzoeken die het gevolg zijn van de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid om bij een agrarisch bedrijf biovergisting van mest mogelijk te maken. Evenmin ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad in de planregels ten onrechte niet heeft gewaarborgd dat de biovergisting een gesloten installatie dient te zijn. De Afdeling ziet derhalve in het betoog van [appellant] en anderen geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de afwijkingsbevoegdheid op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kan worden toegepast. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad deze planregel in redelijkheid niet heeft mogen opnemen in het plan.

    Het betoog faalt.

Windpark De Drentse Monden en Oostermoer

5.    [appellant] en anderen betogen dat het plan ten onrechte niet in samenhang met de aanleg van het Windpark De Drentse Monden en Oostermoer is beoordeeld. Zij stellen dat het inpassingsplan reeds is vastgesteld, zodat de raad had moeten beoordelen in hoeverre het windpark het onderhavige plan beïnvloedt.

5.1.    De raad heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat de in het inpassingsplan "Windpark De Drentse Monden en Oostermoer" opgenomen gronden bij de vaststelling van het onderhavige plan buiten het plangebied zijn gelaten. Ten behoeve van het bestemmingsplan is een milieueffectrapport opgesteld waarin de verschillende milieueffecten van de ontwikkelingen die op grond van het plan mogelijk zijn - dit betreft met name de schaalvergroting in de landbouw - uiteen zijn gezet. Nu [appellant] en anderen niet hebben geconcretiseerd met welke cumulatieve effecten van het windpark rekening had moeten worden gehouden, geeft het aangevoerde de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid.

    Het betoog faalt.

Herhalen zienswijze

6.    [appellant] en anderen hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] en anderen hebben in het beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

7.    Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, griffier.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Lodeweges

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2018

625.