Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:565

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
201706221/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juni 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Parkeernormen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2018-0047
Module Ruimtelijke ordening 2018/7931
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706221/1/R1.

Datum uitspraak: 21 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Ermelo,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Parkeernormen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. G. Bosma, advocaat te Utrecht, en de raad, vertegenwoordigd door S. Veltmaat-Harwijne en M.A.A. Geerts, zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Op basis van het door de raad op 30 juni 2016 vastgestelde Parkeerbeleidsplan Ermelo, is de Nota Parkeernormen Ermelo opgesteld. Omdat door wijzigingen in het Besluit ruimtelijke ordening de juridische borging van het parkeerbeleid dient te gebeuren via het bestemmingsplan is voor het gehele grondgebied van de gemeente Ermelo onderhavig plan opgesteld. De Nota Parkeernormen Ermelo is als bijlage bij de planregels gevoegd. Met het plan worden de parkeernormen van toepassing verklaard voor alle geldende bestemmingsplannen binnen de gemeente Ermelo, met uitzondering van het bestemmingsplan "Burgemeester Langmanstraat e.o.".

    [appellant] is eigenaar van de panden aan de [locatie 1]-[locatie 2] te Ermelo. Voor het pand aan de [locatie 2] geldt volgens [appellant] dat sprake is van leegstand waardoor een bestemmingswijziging noodzakelijk is. [appellant] heeft in het verleden via een omgevingsvergunning geprobeerd om het gebruik van het pand te wijzigen in detailhandel. Deze omgevingsvergunning is toen geweigerd, omdat de toen geldende parkeernorm niet kon worden gehaald op het perceel of in de directe omgeving. Bij een bestemmingswijziging is volgens [appellant] het aspect parkeren relevant, waartoe duidelijke regels van belang zijn, welke rechtszekerheid verschaffen. [appellant] kan zich niet met het plan verenigen, omdat het plan hem deze rechtszekerheid niet biedt.

Toetsingskader

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Nadere eisen

3.    [appellant] verzet zich tegen artikel 3, lid 3.1.3, van de planregels, op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders ten aanzien van de gemeentelijke parkeernormen nadere eisen kan stellen aanvullend aan het bepaalde in lid 3.1.1. Uit de tekst van de planregel blijkt volgens [appellant] niet dat, zoals de raad stelt, het college kan besluiten om een hogere parkeereis te stellen, omdat artikel 3, lid 3.1.3 van de planregels lijkt te zien op de situatie dat niet aan de parkeernormen wordt voldaan. Bij het stellen van een hogere parkeereis gaat het volgens [appellant] om de situatie dat - mogelijk - juist wel wordt voldaan aan de parkeernorm, maar dat het college deze parkeernorm in de specifieke situatie te laag vindt. [appellant] stelt verder dat onduidelijk is wanneer het college aanvullende voorwaarden mag stellen en dat onvoldoende is geborgd dat de nadere eisen uitsluitend op basis van ruimtelijk relevante beweegredenen kunnen worden gesteld.

3.1.    Artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) luidt:

"Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels:

(…)

d. burgemeester en wethouders ten aanzien van in het plan omschreven onderwerpen of onderdelen nadere eisen kunnen stellen."

    In het plan is het volgende bepaald:

"Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 3 overige regels

3.1 Parkeernormen

3.1.1 Parkeernorm

Bij het gebruiken en/of bebouwen van gronden dient voldaan te worden aan de gemeentelijke parkeernormen (met bijbehorende eisen voor locatie en inrichting) ten behoeve van (vracht)auto's en overige verkeersvoertuigen en de bijhorende bepalingen omtrent de ontsluiting en bevoorrading als opgenomen in bijlage 1. Deze eis geldt als een voorwaardelijke verplichting in de zin van de Wet ruimtelijke ordening.

(…)

3.1.3 Nadere eis

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aanvullend aan het bepaalde in artikel 3.1.1 indien het niet voldoen aan die bepalingen gezien het gebruik en / of het bouwplan van het desbetreffende plangebied, mede gezien de omgeving, op overwegende bezwaren stuit. Het besluit tot het stellen van de nadere eis moet worden voorzien van een motivering waaruit in ieder blijkt dat de eis noodzakelijk is om de ruimtelijke kwaliteit te borgen."

3.2.    Indien bij bestemmingsplan een bevoegdheid voor het college tot het stellen van een nadere eis wordt opgenomen, dient het voldoende duidelijk te zijn in welke gevallen en onder welke omstandigheden het college gebruik kan maken van zijn bevoegdheid. Zoals de Afdeling reeds heeft geoordeeld in haar uitspraak van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:432, mag de bevoegdheid om nadere eisen te stellen uitsluitend worden toegekend met het oog op incidentele gevallen, wanneer een aanvraag om vergunning daartoe aanleiding geeft, met het oog op een goede planologische inpassing van het bouwplan in het concrete geval, en mag deze niet voorzien in een regeling die wezenlijk afbreuk kan doen aan de bouwmogelijkheden waarin het bestemmingsplan bij recht voorziet.

3.3.    Ter zitting is gebleken dat de raad met artikel 3, lid 3.1.3, van de planregels heeft beoogd de bevoegdheid tot het stellen van een nadere eis aan het college te geven voor gevallen waarin de parkeernormen met bijbehorende eisen voor locatie en inrichting uit de Nota Parkeernormen Ermelo, niet zijn toegesneden op die specifieke situatie, omdat bijvoorbeeld meer parkeerplaatsen nodig zijn en dus een strengere eis nodig is. Uit de planregel volgt echter dat het college een nadere eis kan stellen aanvullend aan het bepaalde in artikel 3, lid 3.1.1, van de planregels, indien het niet voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit. Dit betekent dat het college alleen een nadere eis kan stellen indien niet wordt voldaan aan die bepalingen, bijvoorbeeld wat het aantal parkeerplaatsen betreft. Dit is niet in overeenstemming met hetgeen de raad heeft beoogd te regelen. Daarnaast is niet duidelijk dat, zoals de raad ter zitting heeft verklaard, met de zinsnede "die bepalingen" in lid 3.1.3 uitsluitend de parkeernormen met bijbehorende eisen voor locatie en inrichting uit de Nota Parkeernormen Ermelo worden bedoeld en bijvoorbeeld niet het stappenplan als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Nota Parkeernormen Ermelo. De Afdeling overweegt dat uit artikel 3, lid 3.1.3, van de planregels onvoldoende blijkt in welke gevallen en onder welke omstandigheden het college gebruik kan maken van de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen.

    Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft artikel 3, lid 3.1.3, van de planregels niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

    Het betoog slaagt in zoverre.

3.4.    Ten aanzien van de mogelijke inhoud van de nadere eis overweegt de Afdeling dat voldoende is geborgd dat de nadere eis uitsluitend kan worden gesteld vanwege ruimtelijk relevante redenen, nu een nadere eis ingevolge artikel 3, lid 3.1.3, van de planregels moet worden voorzien van een motivering waaruit blijkt dat de eis noodzakelijk is om de ruimtelijke kwaliteit te borgen.

    Het betoog faalt in zoverre.

Conclusie

4.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd voor zover het artikel 3, lid 3.1.3, van de planregels betreft.

5.    Uit het oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

6.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Ermelo van 8 juni 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Parkeernormen" voor zover het betreft artikel 3, lid 3.1.3, van de planregels;

III.    draagt de raad van de gemeente Ermelo op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, http://www.ruimtelijkeplannen.nl.

IV.    veroordeelt de raad van de gemeente Ermelo tot vergoeding van in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten ten aanzien van [appellant] tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendentwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat de raad van de gemeente Ermelo aan [appellant] het door hem voor de behandeling van zijn beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt;

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

w.g. Van der Wiel    w.g. Zwemstra

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2018

91-849.