Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:558

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
201609656/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 november 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Meije 300, Zegveld" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2018/6768
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609656/1/R2.

Datum uitspraak: 28 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in de gedingen tussen:

1.    [appellant sub 1A] en anderen, allen wonend te Zegveld, gemeente Woerden,

2.    [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2A]), wonend te Zegveld, gemeente Woerden,

en

de raad van de gemeente Woerden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Meije 300, Zegveld" vastgesteld.

Tegen het besluit van 24 november 2016 hebben [appellant sub 1A] en anderen en [appellant sub 2A] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1A] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2017, waar [appellant sub 1A] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], advocaat te Zegveld, [appellant sub 2A], vertegenwoordigd door mr. J. de Vet, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S. de Rijke en ing J. van Doorne, bijgestaan door mr. H.J.M. Winkelhuijzen, advocaat te Alphen aan den Rijn, zijn verschenen. Ter zitting is Buitenplaats De Blauwe Meije en Free Heart B.V., vertegenwoordigd door mr. B.J. Meruma, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door [gemachtigden] als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan voorziet in een bestemming ten behoeve van recreatieve activiteiten voor de gronden gelegen aan de Meije 300 te Zegveld. Het plan maakt onder meer kleinschalige bedrijvigheid, horeca (waaronder nachtverblijf) en de uitoefening van bijbehorende voorzieningen mogelijk. Een deel van de bebouwing binnen het plangebied is aangemerkt als cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en het plan is mede bedoeld voor de instandhouding van de waardevolle kenmerken hiervan. In het plangebied is het complex "De Blauwe Meije" gevestigd.

2.    [appellant sub 1A] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] heeft tezamen met [appellant sub 1A] en anderen, maar ook separaat beroep ingesteld -  kunnen zich niet verenigen met het plan. Met name vrezen zij dat de activiteiten van de Blauwe Meije die het plan mogelijk maakt, waaronder horeca en horecagerelateerde activiteiten, een zodanige schaal zullen aannemen dat zij hiervan als omwonenden onaanvaardbare hinder zullen ondervinden. Zij vrezen directe hinder als gevolg van deze activiteiten, maar ook indirecte hinder in de vorm van verkeers- en parkeeroverlast.    

3.    De uitspraak is als volgt opgebouwd. Eerst zal de Afdeling ingaan op de ontvankelijkheid van de indieners van de beroepen (4). Daarna zal de Afdeling ingaan op de beroepsgronden die te maken hebben met de gevreesde overlast door (met name) horeca en hieraan gerelateerde activiteiten (6 tot en met 10). Ten slotte zal de Afdeling de beroepsgronden bespreken die hier los van staan (11 tot en met 18).

    De tekst van de relevante planregels is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Ontvankelijkheid

4.    [appellant sub 1B] heeft beroep ingesteld en behoort tot de partij die is aangeduid als [appellant sub 1A] en anderen. [appellant sub 1B] woont aan [locatie] op een afstand van meer dan 400 meter van het plangebied. Niet is gebleken dat vanaf het perceel van [appellant sub 1B] zicht bestaat op het plangebied. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die binnen het plangebied mogelijk worden gemaakt, is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.

    Voorts heeft [appellant sub 1B] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van [appellant sub 1B] rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt.

    De conclusie is dat [appellant sub 1B] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen. Het beroep van [appellant sub 1A] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 1B], is niet-ontvankelijk.

4.1.    De overige appellanten die behoren tot de partij die is aangeduid als [appellant sub 1A] en anderen, alsmede [appellant sub 2A], wonen op een kortere afstand van het plangebied dan [appellant sub 1B] en zijn naar het oordeel van de Afdeling belanghebbende bij het besluit.

    Het betoog van Buitenplaats De Blauwe Meije en Free Heart B.V., onder verwijzing naar de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, dat deze personen weliswaar gevolgen kunnen ondervinden van de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt, maar geen gevolgen van enige betekenis, zodat zij niet belanghebbend zijn, treft geen doel. De Afdeling baseert zich daarbij op de omstandigheden van het geval, waaronder de nabijheid van het plangebied tot de woningen van [appellant sub 1A] en anderen, het zicht dat zij hebben op het plangebied en het verkeer dat invloed kan hebben op het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1A] en anderen.

    [appellant sub 1A] en anderen, waaronder in het vervolg van de uitspraak niet langer [appellant sub 1B] is begrepen, en [appellant sub 2A] kunnen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, beroep instellen. De beroepen zijn ontvankelijk.

Toetsingskader

5.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het plan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Beroepsgronden over hinder en overlast

6.    [appellant sub 1A] en anderen stellen dat het plan een onaanvaardbare aantasting veroorzaakt van hun woon- en leefklimaat. In de eerste plaats stellen zij dat bij de vaststelling van het plan geen of onvoldoende rekening is gehouden met geluidhinder vanaf het plangebied. Ten tweede is volgens hen de bestemming "Recreatie" ten onrechte toegekend aan de betrokken gronden, omdat in feite grotendeels horeca en detailhandel mogelijk wordt gemaakt. Ten derde zal het plan volgens hen onevenredige verkeers- en parkeerhinder teweegbrengen.

(Geluids)overlast en horeca

7.    [appellant sub 1A] en anderen stellen dat de raad geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met de (geluids)overlast van met name de horeca die binnen het plangebied mag worden gevestigd. Zij stellen dat de maximale mogelijkheden van het plan in de beoordeling van de gevolgen zijn onderschat, waaronder de mogelijkheden voor horeca en de mogelijkheden die het plan biedt voor (zelfstandige) catering. Daarnaast is volgens hen ten onrechte geen geluidsonderzoek uitgevoerd met betrekking tot de belasting op de gevels van de nabijgelegen woonschepen en woningen.

7.1.    De raad stelt dat voor de beoordeling van de gevolgen van het plan is aangesloten bij de brochure "Bedrijven en milieuzonering 2009" van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure). Voor de horeca die het plan mogelijk maakt, geldt een richtafstand van tien meter tot woningen. Aan deze afstand voldoet het plan volgens de raad. De raad stelt dat het stemgeluid dat hoorbaar kan zijn vanaf de terrassen geen onaanvaardbare overlast met zich brengt, omdat het plan een relatief beperkte oppervlakte voor terrassen mogelijk maakt en omdat er voldoende afstand is tussen de mogelijkheden voor terrassen en omliggende woningen. Daarbij wijst de raad op artikel 3, lid 3.3.2, van de planregels waarin is bepaald dat muziek of versterkt stemgeluid buiten gesloten gebouwen niet is toegestaan. Mede hierdoor hoeft volgens de raad niet te worden gevreesd voor onevenredige overlast.

    Over de catering stelt de raad dat deze een dusdanig beperkte schaal heeft dat zij niet zozeer een zelfstandige activiteit is die valt onder de categorie ‘catering’ in de VNG-brochure, maar veeleer onder de categorie horeca waarvoor een richtafstand geldt van 10 meter tot woningen.

    Over de vraag of een geluidonderzoek had moeten worden uitgevoerd, wijst de raad op de normen in het Activiteitenbesluit milieubeheer voor geluidwaarden. Hierin is bepaald dat het stemgeluid op een terras niet wordt meegenomen bij de vraag of aan de geluidnormen wordt voldaan. Een separaat geluidonderzoek voegt volgens de raad dan ook niets toe aan de beoordeling.

7.2.    De Afdeling overweegt dat in de VNG-brochure een richtafstand wordt aangehouden van 30 meter tussen cateringbedrijven en omliggende woningen. De raad is evenwel uitgegaan van een richtafstand van 10 meter. Hierover blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat de raad heeft beoogd om in het plan geen (zelfstandig) cateringbedrijf mogelijk te maken, maar uitsluitend catering die ondergeschikt is aan en gericht is op het leveren van eten en drinken ter ondersteuning van de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten als bedoeld in artikel 1, onder 24, van de planregels. Voor een zodanige vorm van catering acht de raad het aanvaardbaar om aan te sluiten bij de richtafstand van 10 meter uit de VNG-brochure voor de categorie ‘Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra’ en eventueel ‘Café's, bars’ (hierna: ‘horeca’).

    Zoals [appellant sub 1A] en anderen echter terecht aanvoeren wordt in artikel 1, onder 24, van de planregels weliswaar ondersteunende catering genoemd, maar is in artikel 3, lid 3.1, onder e, van de planregels ook catering mogelijk gemaakt die niet hiertoe is beperkt. De planregels zijn in zoverre tegenstrijdig.

    Gelet op de plantoelichting en het verhandelde ter zitting, heeft de raad beoogd slechts ondergeschikte catering mogelijk te maken in het plan. De raad heeft dan ook niet bestemd wat het beoogde te bestemmen. De beroepen zijn daarom gegrond. De Afdeling zal het woord "catering" in artikel 3, lid 3.1, onder e, vernietigen.

7.3.    Ten aanzien van de (verder strekkende) beroepsgrond over de gevreesde overlast van met name horeca beoordeelt de Afdeling deze, ervan uitgaande dat het woord "catering" niet langer staat in artikel 3, lid 3.1, onder e, van de planregels.

    De raad heeft voor de beoordeling van de gevolgen van de mogelijkheden die het plan biedt, de VNG-brochure toegepast. In deze brochure wordt ‘horeca’ aangemerkt als bedrijvigheid van categorie 1. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter tussen horeca en woningen. In de VNG-brochure wordt bij het bepalen van deze afstand ook rekening gehouden met het aspect geluid. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding om te oordelen dat de raad zich voor de horeca, inclusief de ondersteunende catering, niet bij deze richtafstand kon aansluiten. Het plan maakt enkel een proeflokaal en theesalon/lunchroom mogelijk. Hieronder vallen op grond van artikel 1, onder 35, van de planregels niet een hotel, cafetaria, café, bar, restaurant en partycentrum.

    Aan de richtafstand van 10 meter tussen de locatie waar het plan mogelijkheden biedt voor horeca en woningen wordt ruimschoots voldaan. Hierom bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad een geluidonderzoek had moeten uitvoeren. De raad heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de mogelijkheden die het plan biedt voor horeca geen onaanvaardbare inbreuk maken op het woon- en leefklimaat van de omwonenden.

De bestemming recreatie

8.    [appellant sub 1A] en anderen stellen dat ten onrechte de bestemming "Recreatie" is toegekend aan de gronden binnen het plangebied. De activiteiten die mogelijk worden gemaakt, kunnen namelijk grotendeels bestaan uit horeca en detailhandel en vallen als zodanig niet onder deze bestemming. Zij wijzen in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3986, waaruit volgens hen volgt dat (zelfstandige) horeca niet onder een recreatiebestemming kan vallen. Voor zover het plan seminars en dergelijke mogelijk maakt, stellen zij dat deze activiteiten ook niet onder het begrip ‘recreatie’ vallen. In dit verband wijzen zij op de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2345 waaruit volgens hen volgt dat voor de duiding van begrippen als ‘seminar’ aansluiting moet worden gezocht bij hetgeen gewoonlijk onder dergelijke begrippen wordt verstaan.

    Verder wijzen zij op de afzonderlijke activiteiten die op grond van artikel 3, lid 3.1, binnen het plangebied zijn toegestaan. Een aantal van deze activiteiten, bijvoorbeeld een galerie, detailhandel en internetverkoop, zijn niet te beschouwen als recreatie.

    Omdat volgens [appellant sub 1A] en anderen het plan in feite zelfstandige horeca mogelijk maakt, is het plan eveneens in strijd met het gemeentelijke horecabeleid. Dit beleid staat in het buitengebied weliswaar ondersteunende horeca toe, maar geen zelfstandige horeca. [appellant sub 1A] en anderen wijzen in dit verband op de Ruimtelijke structuurvisie 2009-2030 (hierna: de Structuurvisie) en naar de Horecastructuurvisie 2010 (hierna: de Horecastructuurvisie).

8.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de bestemming "Recreatie" de planmogelijkheden dekt. Weliswaar wordt ter plaatse ook horeca en detailhandel toegestaan, maar de meeste activiteiten binnen deze bestemming vallen onder recreatie.

    De raad stelt verder dat blijkens de verbeelding horeca slechts is toegestaan op een tweetal terrassen en de hooimijt. Gelet op de bepalingen over horeca in de planregels die geen ongelimiteerde horeca toestaan en de beperking in oppervlakte van horeca, wordt voldaan aan het gemeentelijke beleid over horeca in het buitengebied.

8.2.    Aan het plangebied is de bestemming "Recreatie" toegekend. Op grond van artikel 3, lid 3.1, van de planregels kunnen deze gronden voor een aantal functies worden gebruikt, waaronder kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten die op grond van artikel 1, onder 24, bedrijvigheid omvatten op het gebied van cultuureducatie en recreatie, verhuur van vaartuigen en een theesalon/lunchroom (uitsluitend op gronden met de functieaanduiding ‘horeca’). Enkele niet (strikt) recreatieve gebruiksmogelijkheden zijn bijvoorbeeld internetverkoop en een galerie. Daarnaast maakt deze bestemming het mogelijk om de waardevolle bebouwingskenmerken van het plangebied in stand te houden en biedt de bestemming ruimte voor water en waterhuishouding.

8.3.    De Afdeling overweegt dat de raad beleidsruimte heeft bij het toekennen van bouw- en gebruiksmogelijkheden en het geven van regels die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarbij dient de raad de naamgeving van bestemmingen in overeenstemming te brengen met hetgeen wordt bestemd. Dit volgt uit artikel 2, eerste lid, van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012 (hierna: de Regeling) op grond waarvan de vormgeving en inrichting van een bestemmingsplan plaatsvindt overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (hierna: SVBP2012). In deze standaard staan aanwijzingen over de vormgeving van bestemmingsplannen om te verzekeren dat niet te grote verschillen ontstaan tussen bestemmingsplannen van verschillende gemeenten, zodat bij het raadplegen van een bestemmingsplan geen onzekerheid bestaat over de bestemmingen.

    Naar het oordeel van de Afdeling kon de raad in redelijkheid de gebruiksmogelijkheden die het plan biedt, tezamen en in samenhang bezien, beschouwen als recreatief gebruik. De omstandigheid dat sommige vormen van gebruik, afzonderlijk beschouwd, niet vallen onder het begrip recreatie, doet niet af aan die algemene aanduiding.

    Hierom kunnen ook de verwijzingen naar de uitspraken van de Afdeling van 13 maart 2013 en 31 augustus 2016 die de vraag betroffen of bepaalde vormen van gebruik pasten binnen een bestemming die was toegekend, niet leiden tot de conclusie dat de bestemming "Recreatie" niet passend is bij hetgeen is bestemd binnen het plangebied.    

    Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet de bestemming "Recreatie" heeft mogen opnemen in het plan. Het betoog faalt.

8.4.    Over het betoog dat het plan in strijd is met het gemeentelijk beleid, omdat het plan zelfstandige horeca mogelijk maakt, overweegt de Afdeling als volgt. Het plan maakt op grond van artikel 3, lid 3.1, onder e, horeca mogelijk, in de vorm van een theesalon/lunchroom, proeflokaal, en bijbehorend terras, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "horeca". De aanduiding "horeca" ziet op gronden binnen het plangebied met een totale oppervlakte van 112 m2. Gelet op de totale oppervlakte van het plangebied en de overige gebruiksmogelijkheden die het plan mogelijk maakt, kon de raad in redelijkheid de horeca als ondersteunend hiervoor beschouwen.

    In de Structuurvisie van de gemeente Woerden staan geen specifieke beleidsvoornemens over horeca in het buitengebied zoals thans aan de orde. Voor zover [appellant sub 1A] en anderen stellen dat de mogelijkheden die het plan biedt, in de weg staan aan de verbetering van het recreatieve potentieel van het gebied, hetgeen een ambitie is die in de structuurvisie staat beschreven, kan de Afdeling dit betoog niet volgen. In de plantoelichting staat beschreven hoe het plan kan bijdragen aan het recreatieve potentieel door de mogelijkheid om recreatieve voorzieningen uit te breiden. Niet is gebleken dat het plan in dit opzicht belemmerend zal werken.

    Ten aanzien van de gestelde strijd met de Horecastructuurvisie, overweegt de Afdeling dat deze strijd betrekking heeft op hetgeen hierin staat vermeld over vrijstellingsprocedures. Volgens de Horecastructuurvisie bestaan in het landelijk gebied mogelijkheden voor kleinschalige horecavrijstellingen (tot 100 m²). Hierbij kan gedacht worden aan ondersteunende horeca zoals ontvangstruimten voor groepen tot 50 personen, theetuin/ijssalon en dergelijke.

    De Afdeling overweegt in de eerste plaats dat dit onderdeel van de Horecastructuurvisie gericht is op horecavrijstellingen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden en geen betrekking heeft op een bevoegdheid van de raad, zoals thans aan de orde, tot het vaststellen van een bestemmingsplan.

    In de tweede plaats biedt de Horecastructuurvisie ruimte voor ondersteunende horeca in het buitengebied in de vorm van onder meer een theetuin/ijssalon. Hierin voorziet het plan. De raad heeft verder ten behoeve van het plan de afweging gemaakt horeca tot een oppervlakte van 112 m2 mogelijk te maken. Hierbij is blijkens de zienswijzennota ervan uitgegaan dat de gebruiksoppervlakte van deze bruto-oppervlakte ongeveer 100 m2 is en daarmee past binnen het hiervoor beschreven beleid. Dit acht de Afdeling redelijk, zodat ook voor zover de raad zich gebonden acht aan de Horecastructuurvisie, het plan hiermee niet in strijd is. Het betoog dat het plan in strijd is met het horecabeleid van de gemeente Woerden faalt.

Hinder door verkeer en parkeren

9.    [appellant sub 1A] en anderen stellen dat de met het plan voorziene ontwikkelingen een onaanvaardbare verkeersdruk en -hinder zullen veroorzaken op de smalle dijk van de Meije, de weg waaraan zij wonen. In dit verband stellen zij dat het verkeersonderzoek dat mede aan het plan ten grondslag ligt, verouderd is en dat daarin de bestaande verkeersdruk onjuist is bepaald. Daarnaast is volgens hen de verdeling van verkeersbewegingen over de Meije en de Middenweg niet in overeenstemming met het huidige verkeersbeeld. Nu thans het meeste verkeer over de Meije komt, is het niet reëel om te stellen dat de verkeersgeneratie als gevolg van het plan voor tweederde deel toegerekend wordt aan de Middenweg.

    Dit heeft volgens hen niet alleen gevolgen voor de hinder en overlast die zij als omwonenden kunnen ervaren, maar ook voor het bepalen van de hoeveelheid stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied "Nieuwkoopse plassen en de Haeck".

9.1.    De raad stelt dat het verkeersonderzoek uit 2014 voldoende actueel is, omdat sindsdien geen wezenlijke veranderingen hebben plaatsgevonden in het verkeersbeeld. Gelet op de tellingen die zijn uitgevoerd en op de verwachte toename van verkeer die het plan mogelijk maakt, zal de verkeersdruk op de Meije ruim binnen de marge van acceptabele verkeersdruk blijven, aldus de raad.

9.2.    In opdracht van de raad heeft het bureau Goudappel Coffeng een onderzoek gedaan naar de benodigde parkeergelegenheid en de verkeersaantrekkende werking van het plan. Hierbij zijn onder meer in september 2014 verkeerstellingen uitgevoerd. Over dit onderzoek is gerapporteerd in het "Parkeeronderzoek De Blauwe Meije 300" (hierna: het Verkeer- en parkeeronderzoek) van 7 juni 2016. Geconcludeerd is dat de huidige verkeersdruk in de weekenden het grootst is en op de Meije dan maximaal 513 motorvoertuigen (hierna: mvt) per etmaal bedraagt en op de Middenweg maximaal 381 mvt/etmaal. Op het drukste moment is de verkeersdruk minder dan 100 mvt/uur, aldus dit rapport.

    Over de verkeersaantrekkende werking van de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt, is geconcludeerd dat deze maximaal 128 mvt/etmaal zal zijn en dat met de nieuwe functies binnen het plangebied een verkeersdruk van minder dan 1.000 mvt/etmaal zal resulteren, hetgeen te vergelijken is met een woonerf. Een dergelijke verkeersintensiteit acht de raad aanvaardbaar op de Meije en de Middenweg.

    In het beroepschrift en ter zitting hebben [appellant sub 1A] en anderen gesteld dat het Verkeer- en parkeeronderzoek een aantal gebreken vertoond. Volgens hen is ten onrechte geen rekening gehouden met een café aan de Meije dat ten tijde van de verkeersmetingen in 2014 gesloten was. Verder zijn volgens hen 128 mvt/etmaal die het plangebied aan extra verkeer kan genereren onjuist over de Meije en de Middenweg verdeeld, waardoor de verkeersdruk bij hun woningen hoger zal zijn dan waarvan de raad is uitgegaan.

9.3.    Over het betoog van [appellant sub 1A] en anderen dat het Verkeer- en parkeeronderzoek gebreken vertoond, zodat de raad zich hierop niet mocht baseren, overweegt de Afdeling als volgt. De raad kon in redelijkheid een verkeersdruk van 1.000 mvt/etmaal op de Meije, hetgeen vergelijkbaar is met een rustige erftoegangsweg, aanvaardbaar achten. Ongeacht de vraag of de stelling van [appellant sub 1A] en anderen dat uitgegaan is van een te lage huidige verkeersdruk en dat de verkeersgeneratie door het plan onjuist is verdeeld over de Meije en de Middenweg, kan dit niet leiden tot een hogere verkeersdruk dan 1.000 mvt/etmaal, gelet op de verwachte verkeersgeneratie van 128 mvt/etmaal door het plan. Naar het oordeel van de Afdeling kon de raad dan ook in redelijkheid de verkeersdruk aan Meije 300 die ontstaat als gevolg van het plan acceptabel achten.

    Het betoog faalt.

9.4.    Voor zover [appellant sub 1A] en anderen stellen dat de verkeersgeneratie onjuist is verdeeld over de Meije en de Middenweg, zodat de (eventuele) toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied "Nieuwkoopse plassen en de Haeck" is onderschat, overweegt de Afdeling als volgt. In het Verkeer- en parkeeronderzoek is voor de verdeling van de verkeersgeneratie niet aangesloten bij de verdeling op grond van het huidige verkeersbeeld op de Meije en de Middenweg, omdat het bestaande verkeer op de Meije en de Middenweg voor het grootste deel los staat van het plangebied, zo staat in het onderzoek.

    Ter zitting heeft de deskundige van Goudappel Coffeng nader toegelicht dat voor het bepalen van de verdeling van het verkeer van en naar het plangebied rekening is gehouden met de voorziene functies en de redelijkerwijs te verwachten herkomst van de toekomstige bezoekers van de Blauwe Meije in het plangebied. Op grond hiervan is ervan uitgegaan dat relatief veel motorvoertuigen via de kortste route van en naar het hoofdwegennet zullen rijden (met name de A12). Dit betekent dat relatief veel motorvoertuigen over de Middenweg zullen rijden, omdat via die route het hoofdwegennet het beste bereikbaar is. Om die reden is ervoor gekozen tweederde van de verkeersgeneratie die de in het plan voorziene functies genereren toe te rekenen aan de Middenweg. Deze toerekening vormde eveneens de basis voor de berekening van de gevolgen van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied "Nieuwkoopse plassen en de Haeck".

    In het door [appellant sub 1A] en anderen aangevoerde, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze wijze van toerekenen van verkeer aan de Meije en de Middenweg onjuist is. Het betoog faalt.

10.    [appellant sub 1A] en anderen stellen dat het plan onvoldoende parkeerruimte mogelijk maakt voor bezoekers, zodat de omgeving hinder zal ondervinden van geparkeerde auto’s. Zij stellen dat in afwijking van de gemeentelijke Nota parkeernormen het plan niet alleen voorziet in parkeergelegenheid op eigen terrein, maar ook in het gebruik van parkeergelegenheid in de openbare ruimte. In de telling van de beschikbare parkeerplaatsen zijn voorts twee parkeerplaatsen dubbel geteld. Verder is volgens [appellant sub 1A] en anderen in de parkeerbalans ten onrechte ervan uitgegaan dat de horeca in de avond geen bezoekers trekt.

    [appellant sub 2A] stelt dat ten onrechte geen voorschrift is opgenomen op grond waarvan de activiteiten binnen het plangebied beperkt blijven tot die activiteiten waarvoor afdoende parkeergelegenheid is.

    [appellant sub 1A] en anderen stellen verder dat de eigenaar van De Blauwe Meije de openbare parkeerplaatsen onttrekt aan de openbare ruimte.

10.1.    De raad stelt dat uit het Verkeer- en parkeeronderzoek blijkt dat voldoende parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd. In een aanvullend rapport van 17 maart 2017 van Goudappel Coffeng over de parkeersituatie zijn de resultaten van dit onderzoek bevestigd.

10.2.    Over het betoog dat de parkeerbehoefte is onderschat, overweegt de Afdeling als volgt. Het Verkeer- en parkeeronderzoek bevat een parkeerbalans waarin de parkeerbehoefte van de activiteiten die het plan mogelijk maakt, is vergeleken met bestaande en/of aan te leggen parkeerplaatsen. Bij het vaststellen van de parkeerbehoefte is aangesloten bij de normen die het CROW heeft opgesteld voor de activiteiten die het plan mogelijk maakt. Uit het aangevoerde blijkt niet dat de raad niet in redelijkheid aan kon sluiten bij deze normen.

    In de parkeerbalans staat dat de drukste momenten - dat zijn werkdagmiddagen - een behoefte bestaat aan 27 parkeerplaatsen. Niet is gebleken dat dit aantal onjuist is. Weliswaar is aangevoerd dat ten onrechte in de avonduren is uitgegaan van de afwezigheid van een parkeervraag door de horeca en een onderschatting van de behoefte als gevolg van de Bed & Breakfast, maar uit het Verkeer- en parkeeronderzoek blijkt dat in de avonduren de parkeervraag elders in het plangebied zoveel lager is dat hieruit niet volgt dat de raad uit had moeten gaan van een hogere parkeerbehoefte dan 27 plaatsen.

    Dat op (uitzonderlijke) piekmomenten de vraag hoger kan zijn dan de 27 plaatsen die op grond van de CROW-normen zijn berekend, zoals [appellant sub 1A] en anderen hebben betoogd, doet niet af aan voorgaande conclusie, omdat normen zijn gericht op de gewone bedrijfssituatie en  aannemelijk is dat de vraag op een dergelijk piekmoment in de omgeving kan worden opgelost. Het betoog faalt.

10.3.    Over het betoog dat de beschikbare parkeerruimte is overschat, overweegt de Afdeling als volgt. In het Verkeer- en parkeeronderzoek is het aantal beschikbare parkeerplaatsen - huidige plaatsen en te realiseren parkeerplaatsen - berekend. Volgens dit onderzoek zijn er 14 bestaande openbare plaatsen gelegen langs de weg ter hoogte van het plangebied, zijn er twee parkeerplaatsen bij de woning en komen er 11 parkeerplaatsen bij de beeldentuin. Hiervan moeten er nog zes worden aangelegd.

    Uit het door [appellant sub 1A] en anderen aangevoerde volgt naar het oordeel van de Afdeling niet dat de zes benodigde parkeerplaatsen niet kunnen worden gerealiseerd. Voorts stellen [appellant sub 1A] en anderen weliswaar dat twee parkeerplaatsen waarmee rekening is gehouden feitelijk niet bruikbaar zijn omdat daar een uitrit aanwezig is, maar uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat deze plaatsen thans aanwezig en bruikbaar zijn.

    Het betoog faalt.

10.4.    Over het betoog dat niet is voldaan aan het parkeerbeleid uit de Nota parkeernomen van de gemeente Woerden, vastgesteld op 2 september 2014, overweegt de Afdeling als volgt. In de Nota parkeernormen staat dat in beginsel op eigen terrein aan de parkeereis moet worden voldaan. Als dat redelijkerwijs niet mogelijk is, kan een beroep gedaan worden op de aanwezige beschikbare openbare parkeerruimte. Hierbij dient de parkeerdruk in de directe omgeving op het maatgevende moment in de week onder de 85% bezettingsgraad te blijven inclusief de nieuwe ontwikkeling.

    Uit de stukken die aan het plan ten grondslag zijn gelegd, blijkt dat allereerst is bezien in hoeverre op eigen terrein aan de parkeervraag kan worden voldaan; in dit verband is rekening gehouden met de aanleg van de zes extra parkeerplaatsen op eigen terrein. Pas daarna is uitgeweken naar de mogelijkheid om in de openbare ruimte aan de parkeervraag te voldoen.

    Ter zitting is voorts gesteld dat buiten de openbare parkeerplaatsen direct naast het plangebied ook langs de Middenweg kan worden geparkeerd, zodat ruim kan worden voldaan aan de eis dat de parkeerdruk in de directe omgeving op het maatgevende moment in de week onder de 85% bezettingsgraad zal blijven. Uit het door [appellant sub 1A] en anderen aangevoerde is niet aannemelijk geworden dat dit onjuist is.

    Naar het oordeel van de Afdeling is het plan niet in strijd met het in de Nota parkeernormen neergelegde gemeentelijke beleid. Het betoog faalt.

10.5.    Gelet op het voorgaande is evenmin reden om te oordelen dat de raad een voorschrift had moeten opnemen op grond waarvan de mogelijke activiteiten binnen het plangebied beperkt blijven tot die activiteiten waarvoor afdoende parkeergelegenheid is. Het betoog faalt.

10.6.    Over het betoog van [appellant sub 1A] en anderen dat ten onrechte openbare parkeerplaatsen worden onttrokken aan de openbare ruimte, overweegt de Afdeling dat dit een kwestie van handhaving is, die niet in deze procedure over het bestemmingsplan aan de orde kan komen.

Beroepsgronden over andere onderwerpen

Provinciale Milieuverordening Utrecht

11.    [appellant sub 1A] en anderen stellen dat het plan in strijd is met de Provinciale Milieuverordening Utrecht (hierna: PMV). Volgens hen is ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de geluidbelasting die het plan kan hebben op het nabijgelegen stiltegebied "Nieuwkoop en omstreken". Dit terwijl de stemmen op een (horeca) terras en het geluid van parkerende auto’s ver kunnen dragen. Weliswaar is dit gebied in de provincie Zuid-Holland gelegen, maar voor deze in Utrecht gelegen ontwikkeling dienen de normen die volgen uit de PMV te worden toegepast, zo stellen zij.

    [appellant sub 1A] en anderen wijzen in dit verband ook op de bescherming tegen verstoring door geluid die het naastgelegen gebied heeft op grond van de aanwijzing als Natura 2000-gebied "Nieuwkoopse plassen en De Haeck".

11.1.    De Afdeling kan [appellant sub 1A] en anderen niet volgen in het betoog dat voor de beoordeling van de geluidbelasting op het stiltegebied Nieuwkoop en omstreken de normen van de PMV hadden moeten worden toegepast. Het gebied ligt in de provincie Zuid-Holland en is aangewezen als stiltegebied op grond van de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland door provinciale staten van Zuid-Holland. De regelgevende bevoegdheid van Provinciale staten van Utrecht strekt zich niet uit over het grondgebied van de provincie Zuid-Holland, zodat de Utrechtse PMV niet van toepassing is.

    Overigens is niet gebleken dat de regels in de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland over het stiltegebied Nieuwkoop en omstreken worden geschonden. Het betoog faalt.

11.2.    Met betrekking tot het standpunt van [appellant sub 1A] en anderen dat niet is uitgesloten dat het plan negatieve gevolgen kan hebben voor het Natura 2000-gebied "Nieuwkoopse plassen en De Haeck", als gevolg van verstoring door geluid, overweegt de Afdeling als volgt. Voor de beoordeling van de gevolgen van het plan voor dit gebied is door het "Bureau Aandacht Natuur" onderzoek uitgevoerd. Hierover is gerapporteerd in de "Voortoets Natuurbeschermingswet 1998. Recreatieve ontwikkeling Buitenplaats De Blauwe Meije" van 11 mei 2016. Over de mogelijkheid van verstoring door geluid op de relevante natuurwaarden in het gebied is in dit rapport geconcludeerd dat een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstelling van het Natura 2000-gebied is uitgesloten.

    [appellant sub 1A] en anderen hebben niet onderbouwd dat dit rapport in zoverre gebreken of leemten vertoont. De raad kon zich dan ook verlaten op de conclusie in dit rapport dat significante effecten zijn uitgesloten.

    Het betoog faalt.

Onjuistheden in de planregels

12.    [appellant sub 1A] en anderen stellen dat de planregels onduidelijkheden en onjuistheden bevatten, waardoor het plan rechtsonzeker is en activiteiten mogelijk maakt die niet of onvoldoende zijn onderzocht. In de eerste plaats wijzen zij in dit verband op artikel 3, lid 3.1, onder j, van de planregels. Gelet op de overige bestemmingen maakt deze bepaling extensief recreatief (mede) gebruik mogelijk op enkele restjes van de gronden langs de bebouwing. Deze restjes grond zijn hier niet geschikt voor.

12.1.    Op grond van artikel 3, lid 3.1, onder j, mag het gehele plangebied gebruikt worden voor extensief recreatief (mede) gebruik. Op grond van artikel 1, onder 19, worden hieronder verstaan vormen van recreatief (mede) gebruik van gronden door middel van al dan niet aangelegde en aanwezige voorzieningen zoals wandelen, fietsen, varen, kanoën, vissen, picknicken of een naar de aard daarmee gelijk te stellen gebruik. De stelling van [appellant sub 1A] en anderen dat het plan dit gebruik beperkt tot enkele restjes grond in het plangebied, waardoor de bestemming niet kan worden gerealiseerd is dan ook niet juist. Het enkele feit dat volgens [appellant sub 1A] en anderen de eigenaar van dit plangebied relatief weinig gebruik maakt van het extensief recreatief (mede) gebruik, maakt niet dat het plan hierdoor onjuist is. Het betoog faalt.

13.    In de tweede plaats wijzen [appellant sub 1A] en anderen op artikel 3, lid 3.1, onder a, van de planregels op grond waarvan kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn toegestaan. Het is volgens hen onduidelijk wat hieronder wordt verstaan. Uit een advertentie van de eigenaar van het plangebied blijkt bijvoorbeeld dat seminars tot 50 deelnemers worden aangeboden, maar zij weten niet of het plan dit toestaat. Ook blijkt uit de verbeelding dat de totale bedrijfsoppervlakte binnen het plangebied 360 m2 is. Dit kan volgens hen niet als kleinschalig worden aangemerkt. Verder is de mogelijkheid om bedrijfsactiviteiten in de bedrijfswoning toe te staan in strijd met het vigerende bestemmingsplan, aldus [appellant sub 1A] en anderen.

13.1.    De raad stelt onder verwijzing naar artikel 1, onder 24, van de planregels dat de kleinschaligheid in artikel 3, lid 3.1, onder a, niet zozeer de (totale) bedrijfsoppervlakte betreft, maar de aard van de activiteiten. Daar vallen ook symposia en seminars onder die passen binnen de mogelijkheden van het plan.

13.2.    Het plan biedt naar het oordeel van de Afdeling slechts ruimte voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Hierbij is van belang dat de bebouwing die het plan mogelijk maakt - deze is thans reeds vrijwel geheel benut - bijeenkomsten of seminars tot 50 deelnemers kan accommoderen, hetgeen als kleinschalig kan worden aangemerkt.

    Voor zover in geschil is dat de bijeenkomsten en seminars niet over elk onderwerp zouden mogen gaan, maar uitsluitend betrekking zouden mogen hebben op recreatie of cultuur, stelt de Afdeling vast dat het plan in zoverre geen beperkingen stelt.

    Het betoog faalt.

14.    [appellant sub 1A] en anderen stellen ten derde dat de planregels ten onrechte detailhandel niet uitsluiten in de zogenoemde Hooimijt. Voor die locatie is immers een horecavergunning verleend en op grond van de Drank en horecawet is detailhandel verboden in een horecazaak.

14.1.    De Afdeling kan [appellant sub 1A] en anderen niet volgen in de stelling dat, nu feitelijk een horecavergunning is verleend voor activiteiten in de Hooimijt, reeds om die reden het plan moet uitsluiten dat detailhandel daar mag plaatsvinden. De aanwezigheid van een horecavergunning maakt het immers niet onmogelijk om op enig moment het gebruik te wijzigen en aldaar, eventueel na intrekking van die vergunning, detailhandel mogelijk te maken. Het betoog faalt.

15.    [appellant sub 1A] en anderen stellen ten vierde dat artikel 1, onder 16, en artikel 3, lid 3.1, onder i, van de planregels met elkaar in tegenspraak zijn. Uit deze combinatie van planregels volgt namelijk dat alles wat bewerkt, gekweekt, of geteeld is, mag worden verkocht, ook wanneer dat niet zelf bewerkt, gekweekt of geteeld is.

15.1.    Artikel 1, onder 16, van de planregels luidt: "detailhandel in zelfgemaakte, -bewerkte, -gekweekte of -geteelde producten: Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van zelfgemaakte, bewerkte gekweekte of geteelde producten voor gebruik, verbruik of aanwending aan particulieren."

    Artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder i, luidt:  "De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor detailhandel in zelfgemaakte, -bewerkte, -gekweekte of -geteelde producten tot een oppervlakte van ten hoogste 60 m² binnen de bedrijfsgebouwen en 10 m² elders op het perceel".

15.2.    Naar het oordeel van de Afdeling is met de planregel in artikel 1, onder 16, hetzelfde bedoeld als in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder i. Dat in artikel 1, onder 16, in de omschrijving streepjes missen voor de woorden ‘bewerkte’, ‘gekweekte’ en ‘geteelde’, maakt niet dat de betekenis hiervan afwijkt van hetgeen staat in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder i. In artikel 1, onder 16, staan immers wel de streepjes voor deze woorden, hetgeen de betekenis hiervan ondubbelzinnig maakt. Het betoog faalt.

Vergunningvrij bouwen

16.    [appellant sub 1A] en anderen stellen dat in de plantoelichting ten onrechte ervan wordt uitgegaan dat een klompenhok vergunningvrij kan worden gebouwd. De afstand van twee meter tot de perceelsgrens wordt immers niet in acht genomen.

16.1.    Reeds omdat de plantoelichting geen bindende betekenis heeft, kan deze beroepsgrond niet slagen.

Coördinatie tussen de gemeenten Woerden en Nieuwkoop

17.    [appellant sub 2A] stelt dat de gemeenten Woerden en Nieuwkoop ten onrechte de planologische regeling van de activiteiten van De Blauwe Meije, die gelegen is op gronden van beide gemeenten, niet hebben gecoördineerd. Door een separate ruimtelijke procedure te doorlopen, is geen goede ruimtelijke afweging mogelijk van de activiteiten van De Blauwe Meije.

17.1.    De activiteiten van De Blauwe Meije vinden plaats op gronden die ten dele zijn gelegen op het grondgebied van de gemeente Woerden (alle gebouwen bevinden zich op dit deel) en ten dele op het grondgebied van de gemeente Nieuwkoop (de beeldentuin en een deel van het voorziene terras). Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de gemeente Woerden de ontwikkelingen op de gronden van de gemeente Nieuwkoop heeft betrokken bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan waar dit relevant is. Omdat bijvoorbeeld het verkeer van en naar de gronden over wegen in de gemeente Woerden voert, zijn in het Verkeer- en parkeeronderzoek de ontwikkelingen op alle gronden betrokken.

    Het betoog dat de regelingen voor de planologische activiteiten op de gronden van de gemeenten Nieuwkoop en Woerden ten onrechte niet zijn gecoördineerd of dat geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat De Blauwe Meije gronden heeft in beide gemeenten, mist feitelijke grondslag.

Zienswijzen

18.    [appellant sub 1A] en anderen hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijzen, dan wel de tekst van de zienswijze woordelijk of in essentie herhaald. Dit betreft de beroepsgronden over artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, de aanduiding voor vrijkomende agrarische bebouwing, de aanduiding cultuurhistorisch waardevol gebouw en de Provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Utrecht, voor zover hiervoor niet behandeld. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijzen. [appellant sub 1A] en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Om die reden zal de Afdeling deze beroepsgronden niet verder in de beoordeling betrekken.

Conclusie en proceskostenveroordeling

19.    Zoals de Afdeling hiervoor onder 7.2 heeft overwogen, heeft de raad met betrekking tot de in artikel 3, lid 3.1, onder e, van de planregels geregelde mogelijkheid van catering niet bestemd wat het beoogde te bestemmen. Het beroep van [appellant sub 1A] en anderen is gegrond. Het woord "catering" in artikel 3, lid 3.1, onder e, van de planregels zal worden vernietigd. Alle overige onderdelen van het bestemmingsplan blijven in stand.

20.    Het beroep van [appellant sub 2A], voor zover dit separaat is ingesteld, is ongegrond.

21.    Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

22.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 1A] en anderen te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en anderen, voor zover mede-ingediend door [appellant sub 1B], niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en anderen, voor zover ontvankelijk, gegrond;

III.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Woerden van 24 november 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Meije 300, Zegveld", maar uitsluitend voor zover dit betreft het woord "catering" in artikel 3, lid 3.1, onder e, van de planregels;

IV.    verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] ongegrond;

V.    draagt de raad van de gemeente Woerden op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, http://www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI.    veroordeelt de raad van de gemeente Woerden tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VII.    gelast dat de raad van de gemeente Woerden aan [appellant sub 1A] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.

w.g. Hagen    w.g. Scheele

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2018

723. BIJLAGE

Artikel 1 van de planregels luidt "In deze regels wordt verstaan onder:

1.16 detailhandel in zelfgemaakte, -bewerkte, -gekweekte of -geteelde producten: Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van zelfgemaakte, bewerkte gekweekte of geteelde producten voor gebruik, verbruik of aanwending aan particulieren.

1.19 extensief recreatief (mede) gebruik: vormen van recreatief (mede) gebruik van gronden door middel van al dan niet aangelegde en aanwezige voorzieningen zoals wandelen, fietsen, varen, kanoën, vissen, picknicken of een naar de aard daarmee gelijk te stellen gebruik;

1.21 galerie: een locatie waarin tentoonstellingen van kunst worden georganiseerd al dan niet met de bedoeling deze kunst(werken) te verkopen. Het gaat daarbij om kunst in deze meest brede zin des woords zoals (bronzen) beelden, beeldhouwkunst, glaskunst, geblazen glas, grafiek, houtsnijwerk, (kunstenaars) boeken, schilderkunst, schilderijen, olieverf op doek, aquarellen, tekeningen, grafiek,edelsmeedkunst, foto’s en nieuwe media of een naar de aard daarmee gelijk te stellen gebruik;

1.23 internetverkoop: verkoop van artikelen via internet, waarbij op het perceel alleen opslag/magazijnruimte voor deze artikelen aanwezig is en waarbij de artikelen (eventueel per post) bij de klant worden thuisbezorgd;

1.24 kleinschalige bedrijfsmatige activiteit: bedrijvigheid, op het gebied van cultuureducatie en recreatie, of een naar de aard daarmee gelijk te stellen gebruik die in of bij het cultuurhistorisch waardevol gebouw alsmede in of bij een bedrijfswoning met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend. Het gaat daarbij om seminars, symposia, workshops, meetings, lezingen, trainingen en ondersteunende catering (het leveren van eten en drinken ter ondersteuning van de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten);

1.30 proeflokaal: onderzoeken, keuren en toetsen van spijzen en dranken;

1.31 recreatie: vrijetijdsbesteding, bestaande uit dagrecreatie, verblijfsrecreatie en zakelijke recreatieve arrangementen;

1.32 recreatief nachtverblijf: (deel van) gebouw in gebruik als verblijfsrecreatie, niet zijnde permanente bewoning door een persoon, gezin of andere groep van personen;

1.34 terras: een buiten de besloten ruimte van de gebouwen liggend deel van het waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt;

1.35 theesalon/lunchroom: horeca bestaande uit het verstrekken van in hoofdzaak kleinere maaltijden, broodjes, ijs, gebak, koffie, thee en overige dranken, met een sluitingstijd tot 23 uur. Een hotel, cafetaria, café, bar, restaurant en partycentrum vallen niet onder theesalon/lunchroom;

1.36 training: oefening, het machtig worden van vaardigheden of een naar de aard daarmee gelijk te stellen gebruik;

1.39 workshop: een bijeenkomst, een activiteit of een (korte) praktische cursus van een dag of meerdere dagen met als doelstelling training en kennisuitwisseling, waarbij deelnemers specifieke kennis meekrijgen over een bepaald onderwerp (zowel theoretisch als praktisch) en waarbij van de deelnemers een hoge mate van participatie wordt verwacht.

Artikel 3, lid 3.1, luidt: "De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, uitsluitend op de begane grond van gebouwen;

b. instandhouding van de waardevolle bebouwingskenmerken en -elementen van de ter plaatse voorkomende cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, voorzover de gronden op de verbeelding als "cultuurhistorisch waardevol gebouw" zijn aangeduid;

c. ontsluiting voor auto's ter plaatse van de aanduiding "ontsluiting";

d. water en waterhuishouding;

e. theesalon/lunchroom, proeflokaal, catering en bijbehorend terras uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "horeca";

f. verhuur van vaartuigen, zijnde kano’s, sups's en sloepen;

g. recreatief nachtverblijf, uitsluitend op verdiepingsvloeren;

h. een galerie;

i. detailhandel in zelfgemaakte, -bewerkte, -gekweekte of -geteelde producten tot een oppervlakte van ten hoogste 60 m² binnen de bedrijfsgebouwen en 10 m² elders op het perceel;

j. extensief recreatief (mede) gebruik;

k. groenvoorzieningen;

l. internetverkoop;

m. ten hoogste één bedrijfswoning, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';

n. daarbij horende voorzieningen, zoals parkeervoorzieningen."

Lid 3.3.2 luidt: "Muziek of versterkt stemgeluid zijn buiten gesloten gebouwen niet toegestaan."