Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:539

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
201800654/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 oktober 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de referent om ten behoeve van de vreemdeling en haar minderjarige kinderen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800654/1/V1.

Datum uitspraak: 15 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen, en [de referent],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 20 december 2017 in zaak nr. 17/10347 in het geding tussen:

de vreemdeling en de referent

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de referent om ten behoeve van de vreemdeling en haar minderjarige kinderen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 19 april 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 december 2017 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling en de referent, vertegenwoordigd door mr. E.W.B. van Twist, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling en de referent hebben zich desgevraagd nader uitgelaten.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, vangt de termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift aan met ingang van de dag na die, waarop de aangevallen uitspraak op voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover thans van belang, bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift vier weken.

Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24, van de Awb is een hogerberoepschrift tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan één week na afloop van de termijn is ontvangen.

2.    De aangevallen uitspraak is verzonden op 20 december 2017, zodat de termijn voor het instellen van hoger beroep op 17 januari 2018 is geëindigd. Het hogerberoepschrift is op 23 januari 2018 bij brief bij de Raad van State ingekomen. Blijkens het poststempel is het hogerberoepschrift op 22 januari 2018 ter post bezorgd. De vreemdeling heeft het hogerberoepschrift derhalve niet tijdig ingediend.

3.    Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de gemachtigde aangevoerd dat de referent de uitspraak op een onbekende datum van de vorige gemachtigde heeft ontvangen. De referent kon de uitspraak niet lezen. Vluchtelingenwerk was vanwege Kerst en de jaarwisseling niet op de reguliere tijden geopend. De referent heeft pas op de dag waarop de termijn voor het instellen van het hoger beroep eindigde kennis genomen van de inhoud van de uitspraak en toen diverse advocaten gebeld. Uiteindelijk is hij bij de gemachtigde uitgekomen. De gemachtigde heeft de referent op het eerst mogelijke moment laten komen nadat uit een telefoongesprek duidelijk was geworden dat de referent geen Nederlands beheerst. De termijn voor het instellen van het hoger beroep was toen al verstreken. De referent heeft na bespreking van de uitspraak met de gemachtigde gevraagd het hogerberoepschrift op een datum te stellen die nog wel kon en het vervolgens per post in te dienen, aldus de gemachtigde.

4.    Het onder 3. gestelde kan niet worden aangemerkt als feiten of omstandigheden in verband waarmee redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de vreemdeling en de referent in verzuim zijn geweest. Daartoe is redengevend dat niet is toegelicht wanneer de referent de uitspraak heeft ontvangen van zijn vorige gemachtigde en waarom hij zich niet tot die gemachtigde heeft gewend om op de hoogte te geraken van de inhoud van de uitspraak. Voorts verklaart de enkele omstandigheid dat Vluchtelingenwerk niet op de reguliere tijden geopend was niet dat de referent pas op 17 januari 2018 kennis kon nemen van de inhoud van de uitspraak. Ten slotte komt het handelen van de referent voor risico van de vreemdeling.

5.    Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, griffier.

w.g. Verheij    w.g. De Groot

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2018

210.