Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:523

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
201609345/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2016:8850, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 februari 2015 heeft het college aan [vergunninghouder] (hierna: [vergunninghouder]) een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en planologisch strijdig gebruik ten behoeve van het vergroten van een bedrijfsgebouw, het realiseren van een dockshelter en het plaatsen van een damwand ten behoeve van een te wijzigen inrit op het perceel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609345/1/A1.

Datum uitspraak: 14 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellante D] en [appellant E], allen wonend te Heerhugowaard (hierna: [appellant] en anderen),

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 28 oktober 2016 in zaak nr. 15/4864 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard.

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2015 heeft het college aan [vergunninghouder] (hierna: [vergunninghouder]) een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en planologisch strijdig gebruik ten behoeve van het vergroten van een bedrijfsgebouw, het realiseren van een dockshelter en het plaatsen van een damwand ten behoeve van een te wijzigen inrit op het perceel

Jan Glijnisweg 4 te Heerhugowaard (hierna: het perceel).

Bij besluit van 15 september 2015 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 oktober 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college en [vergunninghouder] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2017, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door mr. R. Visser, en het college, vertegenwoordigd door drs. I. Zwollo, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder] gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Amigo Plant B.V., waarvan [vergunninghouder] directeur is, exploiteert een glastuinbouwbedrijf voor het kweken van vetplanten. Het betreft een kwekerij van ongeveer 150.000 m² glasoppervlakte, verspreid over verscheidene vestigingen. Het bedrijf heeft vijf vestigingen in Nederland, waarvan vier in Heerhugowaard en een in Rijssenhout. Daarnaast heeft het bedrijf een vestiging in Portugal.

    De omgevingsvergunning is aangevraagd ten behoeve van toegenomen bedrijfsactiviteiten. [appellant] en anderen wonen tegenover de vestiging op het perceel. Zij stellen in toenemende mate hinder en overlast te ondervinden van het bedrijf.

2.    Het college heeft bij het besluit van 4 februari 2015 mede omgevingsvergunning verleend voor de activiteit planologisch strijdig gebruik. Het gebruik is in strijd met de destijds volgens de beheersverordening "Buitengebied 2013" voor het perceel geldende bestemming "Glastuinbouwbedrijven I". Bij het besluit van 15 september 2015 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat een vergunning voor de activiteit planologisch strijdig gebruik niet meer is vereist, omdat ten tijde van dat besluit het op 17 februari 2015 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2014" voor het perceel in werking is getreden. Het aangevraagde gebruik is volgens het college in overeenstemming met de ingevolge dit bestemmingsplan voor het perceel geldende bestemming "Agrarisch-1". De omgevingsvergunning kan daarom zonder meer worden verleend, aldus het college.

3.    De rechtbank heeft het standpunt van het college gevolgd en overwogen dat de gewassen van Amigoplant die worden geteeld op een andere vestiging en vanaf die vestiging naar de Jan Glijnisweg 4 in Heerhugowaard worden getransporteerd om verder te worden bewerkt, niet als van derden afkomstige gewassen moeten worden beschouwd maar tot de eigen productie van Amigoplant behoren. Daarom heeft de rechtbank de bedrijfsactiviteiten niet in strijd met de bestemmingsplanregels geacht.

4.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. Ten tijde van het besluit van 15 september 2015 was voor het perceel het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" in werking getreden.

Beoordeling

5.    [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het gebruik van de gronden en gebouwen waarin het project voorziet, niet in strijd is met de volgens het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" voor het perceel geldende bestemming "Agrarisch-1". Zij voeren daartoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat de verwerking en bewerking, alsmede het transport van producten afkomstig van andere vestigingen van het bedrijf Amigo Plant B.V., niet tot de eigen productie van het bedrijf behoort. Deze uitleg van de planregels doet recht aan het uitgangspunt dat bestemmingsplannen op perceelniveau worden vormgegeven en aan de rechtszekerheid. Bij de door de rechtbank gehanteerde uitleg van de bestemming is voor bewoners en gebruikers van het plangebied niet nauwkeurig bepaalbaar wat de maximale ruimtelijke gevolgen van het bestemmingsplan zijn, aldus [appellant] en anderen.

5.1.    De rechtbank heeft, gelet op de artikelen 4.1, aanhef en onder a, 1.7 en 1.37 van de planregels, in onderlinge samenhang gelezen, terecht geoordeeld dat het gebruik van de gronden en de gebouwen waarin het project voorziet, niet in strijd is met de voor het perceel geldende bestemming "Agrarisch-1". De rechtbank heeft, in aanmerking genomen de door Amigo Plant B.V. verstrekte informatie over de bedrijfsstructuur en de informatie daarover in een verklaring van 29 juni 2015 van Flynth adviseurs en accountants te Heerhugowaard (hierna: Flynth), terecht geoordeeld dat alle bedrijfsactiviteiten van het bedrijf, dus ook de bedrijfsactiviteiten bij andere vestigingen, vallen onder hetzelfde bedrijf. In de verklaring van Flynth is vermeld: "De teelten en de verwerking van de producten vinden allen plaats binnen het bedrijf van Amigo Plant B.V.. Slechts een fractie (2%) van de omzet bestaat uit planten die bij derden worden ingekocht". Flynth spreekt hierbij over alle bedrijfsactiviteiten in de verschillende vestigingen van het bedrijf.

    De rechtbank heeft eveneens terecht geoordeeld dat de gewassen van Amigo Plant B.V. die worden geteeld bij een andere vestiging en naar de vestiging op het perceel worden getransporteerd om daar verder te worden bewerkt, niet als van derden afkomstige gewassen moeten worden beschouwd, maar tot de eigen productie van Amigo Plant B.V. behoren. De rechtbank heeft de bedrijfsactiviteiten van Amigo Plant B.V. daarom terecht in overeenstemming geacht met de definitie van agrarisch bedrijf in artikel 1.7 van de planregels en het college terecht gevolgd in het standpunt, dat het project in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Daarbij is voorts van belang dat, zoals het college in het besluit en in de schriftelijke uiteenzetting heeft vermeld, uit de door de raad vastgestelde "Nota van Uitgangspunten Herziening bestemmingsplan Buitengebied" van 16 juli 2012, die aan de totstandkoming van het bestemmingsplan ten grondslag is gelegd, volgt dat is gekozen om de definitie van het begrip "agrarisch bedrijf" uit te breiden en te verruimen, juist met het doel om onder meer de zogenoemde ketenintegratie, waarbij het bedrijf het totale productieproces voor eigen rekening neemt, mogelijk te maken.

    Het standpunt van [appellant] en anderen, dat deze uitleg van het bestemmingsplan in strijd is met de rechtszekerheid, slaagt niet.

De bouw- en gebruiksmogelijkheden van het bedrijf op het perceel zijn planologisch begrensd door de bestemmingsregeling, alsmede door het bouwblok op het perceel.

    Het betoog faalt.

Slotsom

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Bolleboom

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2018

641. BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1, eerste lid, luidt:

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

(…);

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.

(…).

Bestemmingsplan "Buitengebied 2014"

Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch-1".

Artikel 1.7 van de planregels luidt:

Agrarisch bedrijf: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, waarbij het bewerken, verwerken en/of bewaren van die gewassen en/of dieren op het eigen bedrijf is toegestaan, daaronder mede begrepen het bewerken, verwerken en/of bewaren van gewassen en/of dieren van derden als aanvulling op het eigen productieniveau, waarbij het eigen productieniveau niet mag worden overschreden (…);

Artikel 1.37:

Glastuinbouwbedrijf: een agrarisch bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door het overwegend in kassen telen van gewassen;

Artikel 4.1:

De voor "Agrarisch - 1" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. de exploitatie van het volwaardig glastuinbouwbedrijf en ter plaatse van de aanduiding "agrarisch bedrijf" voor het grondgebonden agrarisch bedrijf, waarbij ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - nieuwvestiging" de vestiging van nieuwe grondgebonden agrarische bedrijven niet is toegestaan en ter plaatse van de aanduiding

"kas uitgesloten" de bouw van kassen niet is toegestaan;

b. bedrijfsgebouwen;

c. kassen;

d. bedrijfswoningen;

e. bijbehorende bouwwerken;

f. praktijk- en kantoorruimten voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep of bedrijf;

g. nutsvoorziening, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "nutsvoorziening";

met als nevenfuncties:

h. bed en breakfast accommodatie;

i. dagrecreatieve voorzieningen zoals een theetuin;

j. webwinkel;

k. detailhandel in ter plaatse voortgebrachte agrarische producten en/of op een ander agrarisch bedrijf voortgebrachte soortgelijke agrarische producten;

met daarbij behorende:

l. erven en terreinen;

m. wegen, fiets- en voetpaden;

n. water;

o. groen.