Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:522

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
201603874/2/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 april 2017 heeft het college het wijzigingsplan "Molenpolder fase 1" opnieuw, gewijzigd vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2018/7925
BR 2018/32 met annotatie van M.Y.C.L. de Wit
M en R 2018/69 met annotatie van J.R. van Angeren, R. Bruijnsteen
JOM 2018/140
JOM 2018/149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603874/2/R6.

Datum uitspraak: 14 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Oude-Tonge, gemeente Goeree-Overflakkee,

2.    [appellant sub 2], wonend te Oude-Tonge, gemeente Goeree-Overflakkee,

3.    [appellant sub 3] en anderen, allen wonend te Oude-Tonge, gemeente Goeree-Overflakkee,

4.    [appellant sub 4], wonend te Oude-Tonge, gemeente Goeree-Overflakkee,

5.    LTO Noord, gevestigd te Zwolle,

en

het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee (hierna: het college),

verweerder.

Procesverloop

Bij uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:353, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in het besluit van 12 april 2016 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 4 april 2017 heeft het college het wijzigingsplan "Molenpolder fase 1" opnieuw, gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft LTO Noord beroep ingesteld.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [belanghebbende] hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, hun zienswijze op het besluit van 4 april 2017 naar voren gebracht.

Het college, [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en LTO Noord hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2017, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. G.G. Kranendonk, rechtsbijstandverlener te Tilburg, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. G.G. Kranendonk, rechtsbijstandverlener te Tilburg, [appellant sub 3] en anderen, bij monde van [gemachtigden], bijgestaan door P.D. de Vries, rechtsbijstandverlener te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, en ing. J. Moelker, zijn verschenen. Voorts zijn [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, en Estate Invest Middelharnis II B.V., vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, ter zitting als partij gehoord.

    Overwegingen

De besluiten van 12 april 2016 en 9 augustus 2016

1.    De Afdeling heeft onder 16.8.2 van de tussenuitspraak naar aanleiding van de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen geoordeeld dat artikel 5, aanhef en onder b, van de planregels van het wijzigingsplan "Molenpolder fase 1" in strijd is met artikel 133, eerste lid, van de Woningwet. Gelet hierop heeft het college niet gewaarborgd dat wordt voldaan aan de wijzigingsvoorwaarde van artikel 28, lid 28.3, onder d, van de planregels van het bestemmingsplan "Oude-Tonge".

    Onder 18.7 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling naar aanleiding van de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen overwogen dat het college niet heeft kunnen aangeven hoe groot de zogeheten "harde" plancapaciteit is in de gemeente als geheel en de kern Oude-Tonge, alsmede dat stellingen van het college omtrent het saneren en afprogrammeren van een overschot aan plancapaciteit voor woningen waren gebaseerd op nog zodanig onzekere omstandigheden en een zodanig beperkte cijfermatige onderbouwing dat hiermee niet voldoende inzichtelijk is gemaakt op welke wijze de behoefte is afgewogen tegen het bestaande aanbod. Hierdoor is de actuele regionale behoefte onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Dat er vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening geen ongewenste leegstand zal optreden, is in dit geval derhalve evenmin toereikend verantwoord. Gelet op het vorenstaande heeft de Afdeling geoordeeld dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), alsmede artikel 2.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland (hierna: de Verordening ruimte 2014).

    Onder 19.5 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling naar aanleiding van de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen overwogen dat indien het gestelde over de afprogrammering komt vast te staan, het college aan de hand van de uitkomsten van nader onderzoek naar de actuele regionale behoefte bij handhaving van het voornemen de voorziene woningen buiten bestaand stedelijk gebied te realiseren nader dient te motiveren waarom voor die uitbreiding is gekozen voordat alle inbreidings- en transformatielocaties zijn benut. Gelet hierop heeft de Afdeling geoordeeld dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bro, alsmede artikel 2.1.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening ruimte 2014.

2.    Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen tegen de besluiten van 12 april 2016 en 9 augustus 2016 gegrond. Deze besluiten dienen te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 4] tegen deze besluiten is ongegrond.

3.    Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling het college opgedragen om alsnog:

− binnen 26 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen onder 16.8.2 is overwogen een gewijzigd of nieuw besluit te nemen om te waarborgen dat wordt voldaan aan de wijzigingsvoorwaarde van artikel 28, lid 28.3, onder d, van de planregels van het bestemmingsplan "Oude-Tonge",

− binnen 26 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen onder 18.7 is overwogen nader onderzoek te doen naar de actuele regionale behoefte en in het licht van de resultaten daarvan nader te motiveren of vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening geen ongewenste leegstand zal optreden, en zo nodig een gewijzigd of nieuw besluit te nemen,

− indien de voorgenomen ontwikkeling gezien dit onderzoek voorziet in een actuele regionale behoefte en er volgens het college geen vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand zal optreden: binnen 26 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen onder 19.5 is overwogen te motiveren in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betrokken regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en zo nodig een gewijzigd of nieuw besluit te nemen.

Het besluit van 4 april 2017

4.    Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college bij het besluit van 4 april 2017 in artikel 9 van de planregels van het wijzigingsplan regels opgenomen waarin volgens het college de parkeernorm geborgd wordt. In die planregels wordt verwezen naar de CROW-normen die als bijlage 2 bij de regels van het wijzigingsplan zijn opgenomen. Op deze wijze is volgens het college gewaarborgd dat wordt voldaan aan de wijzigingsvoorwaarde van artikel 28, lid 28.3, onder d, van de planregels van bestemmingsplan "Oude-Tonge".

    Daarnaast is in paragraaf 2.2 van de toelichting van het wijzigingsplan de onderbouwing ten aanzien van de ladder voor duurzame verstedelijking aangevuld. Volgens het college is inzicht gegeven in de harde plancapaciteit ten opzichte van de behoefte. Aangetoond is dat er behoefte is aan de ontwikkeling van de Molenpolder en dat hiervoor niet kan worden voorzien binnen bestaand stedelijk gebied, aldus het college. De ontwikkeling van de Molenpolder zal volgens het college ook niet leiden tot ongewenste leegstand.

Het beroep van LTO Noord

5.    Het college stelt dat het beroep van LTO Noord niet-ontvankelijk is, omdat zij geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren heeft gebracht.

5.1.    Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij het college.

    Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een wijzigingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

    Dit is slechts anders voor zover het college bij de vaststelling van het besluit daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie komt te verkeren ten opzichte van het ontwerpbesluit, dan wel indien een belanghebbende anderszins redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

5.2.    LTO Noord heeft geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht. LTO Noord voert aan dat haar beroep zich richt op de wijziging omtrent de ladder voor duurzame verstedelijking die bij de hernieuwde vaststelling van het wijzigingsplan is aangebracht ten opzichte van het ontwerpplan.

5.3.    LTO heeft desgevraagd toegelicht dat de wijzigingen in de toelichting met betrekking tot de ladder voor duurzame verstedelijking voor haar leden van belang zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden die in het plan geboden worden. De wijzigingen gaan namelijk in op de onderbouwing van de planontwikkeling op zichzelf en de omvang ervan, aldus LTO Noord.

5.4.    Onder meer in haar uitspraak van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:713, onder 6.1, heeft de Afdeling overwogen dat aan de plantoelichting geen bindende juridische betekenis toekomt. Hieruit volgt dat de bedoelde wijzigingen niet zijn aan te merken als wijzigingen in het besluit waardoor LTO Noord in een nadeliger positie komt te verkeren ten opzichte van het ontwerpbesluit. Er bestaat derhalve in zoverre geen omstandigheid op grond waarvan LTO Noord redelijkerwijs niet kan worden verweten te hebben nagelaten een zienswijze over het ontwerpplan naar voren te brengen. Ook overigens doet deze omstandigheid zich niet voor.

    Het beroep van LTO Noord is niet-ontvankelijk.

De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] Toetsingskader

6.    Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college van burgemeester en wethouders onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.

Beroep van rechtswege

7.    Het besluit van 4 april 2017 is een besluit tot vervanging van het oorspronkelijk bestreden besluit en ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb onderdeel van dit geding. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] zijn van rechtswege gericht tegen dit besluit.

8.    [appellant sub 4] heeft naar aanleiding van het besluit van 4 april 2017 geen zienswijze ingediend. Dit betekent dat hij geen beroepsgronden tegen dit besluit heeft aangevoerd. Het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 4] tegen het besluit van 4 april 2017 is ongegrond.

Intrekking betoog

9.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben ter zitting hun betoog ingetrokken dat de Afdeling het college ten onrechte in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op hun zienswijze naar aanleiding van het herstelbesluit.

Parkeren

10.    [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen betogen dat op het punt van het parkeren niet is voldaan aan artikel 28, lid 28.3, onder d, van de planregels van het bestemmingsplan "Oude-Tonge" en aan de opdracht die is gegeven in de tussenuitspraak.

10.1.    Artikel 9, lid 9.2 Voldoende parkeergelegenheid, van de planregels luidt:

"a. Een nieuw bouwwerk, verandering van een bouwwerk, verandering van gebruik van een bouwwerk of van gronden - al dan niet gecombineerd -, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, is niet toegestaan wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden.

b. Bij een omgevingsvergunning, dan wel bij de beoordeling of het gebruik in overeenstemming is met het wijzigingsplan wordt aan de hand van de huidige CROW-richtlijn, zoals opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels (dan wel de op dat moment van toepassing zijnde vervanger daarvan), bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid;

c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie."

    Bijlage 2 bij de planregels betreft "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, CROW".

10.2.    Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] wordt ten onrechte volstaan met een verwijzing in de toelichting naar de CROW-parkeernormen en in de planregels naar parkeernormen in bijlage 2. Daarbij wijzen zij erop dat deze parkeernormen algemene normen voor verschillende gebieden zijn, terwijl noch in de planregels noch in bijlage 2 wordt vermeld welke concrete parkeernormen in welke concrete gevallen van toepassing zijn. Volgens hen is in de planregels ten onrechte niet opgenomen dat de parkeernormen voor "restgebied bebouwde kom en niet stedelijk gebied" van toepassing zijn.

10.3.    Onder 16.9.2 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen: "Zoals ook blijkt uit het verhandelde ter zitting beoogt het college het parkeren aldus te regelen dat de in een beleidsregel neer te leggen normen zoals opgenomen in de CROW publicatie 317 "kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" dienen te worden gehanteerd. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2851, vergt dit weliswaar van het college een nadere beslissing omtrent de in het concrete geval toe te passen parkeernorm, maar naar het oordeel van de Afdeling is er geen aanleiding te oordelen dat zodanige planregel in strijd zou komen met de rechtszekerheid of artikel 3.1.2, tweede lid, van het Bro."

10.4.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] keren zich tegen artikel 9, lid 9.2, onder b, van de planregels. Deze bepaling is in overeenstemming met hetgeen is overwogen onder 16.9.2. van de tussenuitspraak. Het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] komt er in feite dan ook op neer dat zij zich niet kunnen verenigen met de tussenuitspraak. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zich keren tegen overwegingen van de tussenuitspraak, overweegt de Afdeling dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

    Het betoog faalt.

10.5.    [appellant sub 3] en anderen betogen dat in artikel 9, lid 9.2, onder c, van de planregels van het wijzigingsplan ten onrechte is bepaald dat bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en kan worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie. Daarbij is volgens hen niet duidelijk wat wordt bedoeld met 'afbreuk aan de parkeersituatie'.

10.6.    Onder verwijzing naar haar uitspraak van 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1152, overweegt de Afdeling als volgt. Als voorwaarde voor het gebruikmaken van de afwijkingsmogelijkheid in artikel 9, lid 9.2, onder c, van de planregels is gesteld dat geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de parkeersituatie. Het begrip "parkeersituatie" in de planregel wordt daarbij niet nader gedefinieerd. Het college heeft ter zitting toegelicht dat dit een standaardregel is, die helder maakt dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken.

    Gelet op de algemene formulering van de afwijkingsmogelijkheid en de toelichting van het college hierop, heeft het college naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende inzichtelijk gemaakt in welke gevallen en onder welke voorwaarden het bevoegd gezag hiervan gebruik kan maken. Het bestreden besluit verdraagt zich om die reden naar het oordeel van de Afdeling in zoverre niet met het rechtszekerheidsbeginsel. Indien het college aanleiding ziet deze afwijkingsmogelijkheid te handhaven, dient het daarom in de planregel inzichtelijk te maken onder welke omstandigheden van de afwijkingsbevoegdheid gebruik kan worden gemaakt, bijvoorbeeld door de planregel te herformuleren en/of toepassing te geven aan artikel 3.1.2, tweede lid, onder a, van het Bro.

    Het betoog slaagt.

Ladder voor duurzame verstedelijking

11.    Op 1 juli 2017 is het besluit tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening in verband met de aanpassing van de ladder voor duurzame verstedelijking (Stb. 2017, 182) in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór deze datum is genomen, dient dit plan echter nog te worden beoordeeld aan de hand van het voordien geldende artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro.

12.    Artikel 3.1.6, tweede lid, zoals dit gold ten tijde van belang, van het Bro luidt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:

    a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

    b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

    c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld."

Behoefte

13.    [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het college met zijn verwijzing naar de Woningbehoefteraming 2016 van de provincie Zuid-Holland (hierna: WBR 2016) niet heeft aangetoond dat er een regionale behoefte voor de gemeente bestaat van 1.253 woningen.

    [appellant sub 3] en anderen betogen dat een nadere analyse van de WBR 2016 leert dat de behoefte 1.142 woningen bedraagt. De WBR 2016 geeft als behoefte voor de periode 2015-2019: 907, voor de periode 2020-2024: 525 en voor de periode 2025-2029: 408. Wanneer de behoefte voor de periode 2015-2019 wordt omgerekend naar de periode 2017-2019 bedraagt deze volgens hen 454 (de helft van 907). Wanneer de behoefte voor de periode 2025-2029 wordt omgerekend naar de periode 2025-2026 bedraagt deze volgens hen 163 (naar evenredigheid). Volgens hen gaat het dus om 454 + 525 + 163 = 1.142 woningen.

    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de woningbehoefte in de WBR 2016 tot het jaar 2030 hoog wordt ingeschat, voornamelijk door de groei van het buitenlandse migratiesaldo, als gevolg van vluchtelingen. Hierdoor is de woningbehoefte in vergelijking met de Woningbehoefteraming 2013 (hierna: WBR 2013) voor Goeree Overflakkee toegenomen. In tabel 1 van de WBR 2016 staat dat vanaf 2030 de groei van de woningbehoefte zal afnemen met 200. Inmiddels blijkt volgens hen echter uit de nieuwste cijfers dat het buitenlands migratiesaldo lager ligt dan het saldo dat ten grondslag ligt aan de WBR 2016. Daarom is volgens hen volgens de nieuwste cijfers, nog meer dan uit de WBR 2013 bleek, sprake van een krimpende behoefte aan woningen in de regio van onderhavig plan.

13.1.    Het college stelt dat uit de meest actuele woningbehoefteraming, de WBR 2016, blijkt dat binnen de gemeente Goeree Overflakkee over de periode 2015-2040 een procentuele groei van de woningbehoefte wordt verwacht van 5 tot 10%. De behoefte tot 2027 bedraagt in totaal 1.253 woningen.

    Ten aanzien van het betoog dat de cijfers mede zijn gebaseerd op de toestroom van migranten en dat inmiddels het migratiesaldo naar beneden is bijgesteld, stelt het college dat de WBR 2016 de meest actuele, concrete en cijfermatige gegevens bevat die betrekking hebben op de planperiode.

    Deze behoefteraming wijkt volgens het college overigens niet significant af van hetgeen eerder in de Woonvisie is gesteld (behoefte van 1.183 woningen voor de komende 10 jaar, gebaseerd op de inmiddels achterhaalde WBR 2013).

13.2.    In het Memo van de provincie Zuid-Holland van 9 juni 2016 betreffende WBR en BP 2016 staat dat er volgens de WBR 2016 op Goeree-Overflakkee in de periode 2015-2019 een behoefte is aan 907 woningen (p. 12), in de periode van 2020-2024 een behoefte aan 525 woningen (p. 15) en in de periode van 2025-2029 een behoefte aan 408 woningen (p. 17).

    Het college vermeldt in de tabel op p. 8 van de plantoelichting dat er in de periode 2017-2021 in de gemeente Goeree-Overflakkee een behoefte is aan 718 woningen en in de periode van 2022-2026 een behoefte aan 535 woningen. Over deze hele periode, zijnde de planperiode, bedraagt dit 1.253 woningen, aldus het college. Ter zitting heeft het college toegelicht dat deze getallen komen uit de aan de WBR 2016 ten grondslag liggende dataset "Gewenste woningvoorraad WBR2016" op de provinciale website http://staatvan.zuid-holland.nl/Paginas/Factsheets/Woningbehoefte.aspx. In deze dataset wordt voor het jaar 2017 een gewenste voorraad van 21.064 woningen vermeld en voor het jaar 2027 van 22.317 woningen, hetgeen een toename met 1.253 woningen betekent.

    [appellant sub 3] en anderen hebben ter zitting betoogd dat moet worden uitgegaan van het hoofddocument van de WBR 2016 en niet van de onderliggende datasheets.

    De Afdeling constateert dat uit de datasheets voor de in de WBR 2016 gehanteerde perioden de volgende cijfers kunnen worden afgeleid: voor de periode 2015-2019: 21.561 - 20.654 = 907, voor de periode 2020-2024: 22.086 - 21.561 = 525 en voor de periode 2025-2029: 22.494 - 22.086 = 408. De cijfers in het hoofddocument waarnaar [appellant sub 3] en anderen verwijzen, corresponderen met deze cijfers in de datasheets.

    Voor de perioden 2017-2019 en 2015-2026, waarvoor [appellant sub 3] en anderen zelf aantallen van 454 en 163 hebben berekend omdat deze perioden in het hoofddocument niet specifiek worden benoemd, kunnen uit de datasheets aantallen van respectievelijk 497 en 231 woningen worden afgeleid. [appellant sub 3] en anderen hebben niet onderbouwd waarom de datasheets in zoverre - anders dan voor de perioden 2015-2019, 2020-2024 en 2025-2029 - niet zouden mogen worden gevolgd en waarom voor de perioden 2017-2019 en 2015-2026 hun berekeningswijze tot een beter resultaat zou leiden.

    Het betoog faalt.

13.3.    Volgens voornoemd Memo, p. 2, is het verschil tussen WBR 2013 en WBR 2016 een grotere asielinstroom en dus grotere vraag naar goedkope woningen komende jaren. Op p. 8 van het Memo staat: "De belangrijkste wijziging betreft de buitenlandse migratie. De toenemende instroom van asielmigranten in 2015 heeft tot een bijstelling van migratiecijfers tot 2023 geleid. Deze ‘piek’ levert 208.000 extra immigranten op in 8 jaar tijd, ten opzichte van de nationale prognose van 2012. Vanaf 2023 zakt het migratiesaldo volgens het CBS onder het oude niveau." Volgens tabel 1 op p. 5 zal de woningbehoefte voor Goeree-Overflakkee in de periode 2030-2039 weer met 200 afnemen. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] wijzen hierop, en stellen dat deze afname inmiddels versneld inzet.

    Naar het oordeel van de Afdeling mocht het college zich bij het nemen van het bestreden besluit baseren op deze uitgangspunten van de WBR 2016. Op grond van hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd, acht de Afdeling niet aannemelijk dat deze uitgangspunten ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet meer representatief waren.

    Het betoog faalt.

Afweging tegen bestaand aanbod

14.    Volgens [appellant sub 3] en anderen is onduidelijk aan de hand van welke plannen het college de harde plancapaciteit heeft bepaald, die volgens het college voor Goeree-Overflakkee 966 woningen zou bedragen. Volgens hen heeft het college deze harde plancapaciteit niet juist berekend. Hierdoor klopt volgens hen de door het college gemeente gemaakte afweging tussen de woningbehoefte en het bestaande aanbod niet.

    In dit verband voeren zij aan dat de op 2 maart 2017 gedateerde tabel op p. 8 van de plantoelichting is geënt op het woningbouwprogramma Goeree-Overflakkee op basis van de Woonvisie 2014-2020 versie 2016. Het college komt voor de kern Oude-Tonge tot een harde plancapaciteit van 131 woningen, terwijl uit het woningbouwprogramma 2016 blijkt dat voor Oude-Tonge een plancapaciteit van 138 woningen bestaat.

    Verder zijn volgens hen het bestemmingsplan Oosthavendijk 18, dat de raad per 16 maart 2017 heeft vastgesteld, en het wijzigingsplan "De Goede Ree" in Sommelsdijk, dat het college heeft vastgesteld op 31 mei 2016, ten onrechte niet meegenomen.

    Voorts betogen zijn dat het college bij brief van 30 augustus 2017 een versie van het woningbouwprogramma heeft voorgelegd aan het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland die sterk afwijkt van de versie waarop de tabel op p. 8 van de plantoelichting is gebaseerd. Zo zijn er grote verschillen voor onder meer de kernen Herkingen, Ooltgensplaat, Achthuizen, Ouddorp, Dirksland, Goederee en Stellendam. Deze verschillen zijn volgens hen niet verklaarbaar op basis van de tussenliggende 6 maanden.

    Verder betogen zij dat de raad bepaalde plannen onder de noemer 'wijzigingsbevoegdheid' schaart, waardoor de schijn wordt gewekt dat het hier geen harde plancapaciteit betreft.

14.1.    Het college stelt dat de harde plancapaciteit binnen de gemeente Goeree Overflakkee bestaat uit 966 woningen. Wanneer de behoefte conform WBR 2016 van 1.253 woningen voor de komende 10 jaar wordt afgezet tegen de harde plancapaciteit, blijft binnen de gemeente Goeree-Overflakkee een behoefte over van 287 woningen. De kwantitatieve behoefte aan de in het plan voorziene 100 woningen (55 woningen op grond van het plan in fase 1a en 45 woningen op grond van het plan in fase 1b) staat hiermee vast, aldus het college.

14.2.    Volgens de tabel op p. 8 van de plantoelichting bedraagt de harde plancapaciteit voor Goeree-Overflakkee 966 woningen. Voor de kern Oude-Tonge bedraagt de harde plancapaciteit volgens deze tabel 131 woningen.

14.3.    Voor zover [appellant sub 3] en anderen zich beroepen op de brief van het college van 30 augustus 2017 aan het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, stelt de Afdeling vast dat het college heeft gesteld dat dit stuk geen formele status heeft en op onderdelen niet is geactualiseerd naar aanleiding van het onderhavige wijzigingsplan, waardoor het diverse onvolkomenheden bevat. Dit gevoegd bij de omstandigheid dat in het overzicht dat bij die brief is gevoegd - nog daargelaten de vraag of dit overzicht de situatie per 4 april 2017 weergeeft − wordt uitgegaan van een categorie-indeling die niet zonder meer vergelijkbaar is met die in de plantoelichting, is de Afdeling van oordeel dat uit deze brief niet kan worden afgeleid dat het college in de tabel op p. 8 van de plantoelichting van een onjuiste harde plancapaciteit is uitgegaan.

14.4.    Naar aanleiding van het betoog van [appellant sub 3] en anderen dat het college bepaalde plannen onder de noemer wijzigingsbevoegdheid schaart en niet tot de harde plancapaciteit heeft gerekend, ziet de Afdeling zich gesteld voor de vraag of het college terecht heeft gesteld dat niet-benutte wijzigingsbevoegdheden − anders dan nog niet toegepaste uitwerkingsplichten − niet tot de harde plancapaciteit dienen te worden gerekend, omdat nog onzeker is of deze toepassing zullen vinden.

    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:353, onder 19.3, is een wijzigingsbevoegdheid niet op één lijn te stellen met een uitwerkingsplicht. Anders dan bij een uitwerkingsplicht, waarbij de planologische aanvaardbaarheid van de uit te werken bestemming als een gegeven geldt, mag bij een wijzigingsbevoegdheid de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft slechts in beginsel als een gegeven worden beschouwd. Terwijl voor een uitwerkingsplicht gelet op artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) geldt dat burgemeester en wethouders het plan moeten uitwerken, geldt voor een wijzigingsbevoegdheid gelet op het eerste lid, onder a, dat burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen. Daarbij moet, zoals hiervoor onder 6. is overwogen, niet alleen worden voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden maar dient ook te worden nagegaan of uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming gerechtvaardigd is. In zoverre bestaat er bij de wijzigingsbevoegdheid derhalve nog onzekerheid over realisatie van de in beginsel aanvaardbaar geachte bestemming.

    Gelet hierop heeft het college in het kader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, zoals dit gold ten tijde van belang, niet benutte wijzigingsbevoegdheden terecht niet tot de harde plancapaciteit gerekend.

14.5.    Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 3] en anderen dat het college voor de kern Oude-Tonge tot een harde plancapaciteit komt van 131 woningen, terwijl uit het woningbouwprogramma 2016 blijkt dat voor Oude-Tonge een plancapaciteit van 138 woningen bestaat, ziet de Afdeling geen aanleiding het college niet te volgen in zijn stelling dat het verschil verband houdt met de locatie Molenweg 75. Nu het hier - onbetwist − gaat om een principeverzoek, heeft het college deze ontwikkeling terecht niet tot de harde plancapaciteit in de kern Oude-Tonge gerekend.

14.6.    Ook het betoog van [appellant sub 3] en anderen dat bij het bepalen van de harde plancapaciteit ten onrechte geen rekening is gehouden met het bestemmingsplan "Oosthavendijk 18", dat de raad per 16 maart 2017 heeft vastgesteld, en het wijzigingsplan "De Goede Ree" in Sommelsdijk, dat het college heeft vastgesteld op 31 mei 2016, leidt niet tot het oordeel dat de raad ten onrechte heeft geconcludeerd dat behoefte bestaat aan de in het plan voorziene 100 woningen. Ook indien deze plannen, die volgens [appellant sub 3] en anderen voorzien in 64 respectievelijk 80 woningen, worden opgeteld bij de harde plancapaciteit, blijft er nog ruimte voor de bij het plan voorziene 100 woningen (287 - 64 - 80 = 143).

15.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] wijzen erop dat in de periode 2017-2021 de harde plancapaciteit de behoefte overstijgt.

    Het college stelt dat de planperiode 10 jaar bestrijkt. In die periode bedraagt de behoefte 1.253 woningen, aldus het college.

    Zoals volgt uit hetgeen is overwogen onder 13.2, is er in de gemeente Goeree-Overflakkee in de periode 2017-2021 een behoefte aan 718 woningen. Hoewel in deze periode het bestaande aanbod de behoefte nog overstijgt, heeft het college zich op goede gronden gebaseerd op een behoefteraming over de periode 2017-2026, aangezien de planperiode een periode van 10 jaar bestrijkt.

    Het betoog faalt.

16.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de capaciteit voor woningbouwprogramma’s ten onrechte niet is verminderd, aangezien er nog geen locaties zijn gesaneerd.

    [appellant sub 3] en anderen betogen dat hoewel een saneringsvisie is opgesteld, nog geen daadwerkelijke sanering van de plancapaciteit heeft plaatsgevonden.

16.1.    Het college stelt dat met de conceptvisie sanering woningbouwlocaties geen rekening is gehouden in het geactualiseerde woningbouwprogramma, omdat de uitvoering van deze saneringsvisie nog niet zo ver is dat dit al tot daadwerkelijke sanering heeft geleid.

16.2.    Nu uit het vorenstaande volgt dat de behoefte in de gemeente Goeree-Overflakkee de harde plancapaciteit overstijgt, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de omstandigheid dat het college geen rekening heeft gehouden met sanering in de weg stond aan de vaststelling van het plan.

    Het betoog faalt.

17.    [appellant sub 3] en anderen betogen dat uit het wijzigingsplan niet blijkt welke kwalitatieve beschouwing ten grondslag ligt aan het bepalen van de actuele behoefte. Nu in de woonvisie wordt gesteld dat de bevolking van de gemeente Goeree-Overflakkee sterk vergrijst, is het volgens hen de vraag of er voldoende behoefte bestaat aan het type woning dat de gemeente binnen de Molenpolder wenst te realiseren.

17.1.    Het college stelt dat het plan tevens in een kwalitatieve behoefte aan een dorps woonmilieu voorziet. Dit woonmilieu voorziet in een lage woningdichtheid, waarbij sprake is van een ruime planopzet waarbij woningen zullen worden gerealiseerd op ruime kavels. De vraag naar dit dorpse woonmilieu wordt volgens het college bevestigd door de aanzienlijke vraag naar woningen in het plangebied.

17.2.    Nu de kwantitatieve behoefte voor de gemeente Goeree-Overflakkee is beschreven, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat aan het plan in zoverre uitgebreidere kwalitatieve beschouwingen ten grondslag hadden moeten worden gelegd.

    Het betoog faalt.

18.    Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college voldoende heeft beschreven dat een actuele behoefte bestaat aan de in het wijzigingsplan voorziene woningen.

Voorzien binnen bestaand stedelijk gebied

19.    [appellant sub 3] en anderen betogen dat onvoldoende is onderzocht of de stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied kan worden ingepast. Het college had volgens [appellant sub 3] en anderen het onderzoek naar alternatieve locaties binnen bestaand stedelijk gebied niet moeten beperken tot de kern Oude-Tonge, maar ook de mogelijkheden binnen andere verzorgingskernen binnen de gemeente dienen te onderzoeken. Hierbij valt volgens hen te denken aan locaties als Welgelegen en Ouddorp Bad (beide gelegen in Ouddorp) en Kortevliet, Inktvis en Vroonweg (alle gelegen in Dirksland).

19.1.    Het college stelt dat de behoefte binnen de gemeente Goeree-Overflakkee in dit kader niet als één geheel kan worden gezien. Daarbij wijst het college erop dat de afstanden tussen de verschillende verzorgingskernen zeer aanzienlijk zijn. In de Woonvisie is uitgegaan van een behoefteverdeling over streekcentrum - verzorgingskernen - overige kernen van 40%-33%-27%. In de woonvisie wordt in beginsel uitgegaan van een gelijke verdeling tussen de drie verzorgingskernen, maar naar gelang de behoefte kan ook worden geschoven tussen de kernen. Het college merkt op dat er de laatste jaren nauwelijks is gebouwd in Oude-Tonge (21 appartementen in 2011 en 9 in 2013), maar in Ouddorp (ongeveer 165 woningen sinds 2011) en Dirksland (ongeveer 240 woningen sinds 2011) wèl honderden woningen gerealiseerd zijn. Er is volgens het college dan ook sprake van een substantiële inhaalvraag in Oude-Tonge. Op grond hiervan rekent het college de woningen die bij gelijke verdeling, na aftrek van de harde plancapaciteit, zouden toekomen aan Ouddorp en Dirksland grotendeels toe aan Oude-Tonge.

    In het licht van hetgeen het college heeft gesteld, is de Afdeling van oordeel dat het zoeken naar locaties voor transformatie of herstructurering niet behoefde plaats te vinden in de andere verzorgingskernen.

    Het betoog faalt.

20.    [appellant sub 3] en anderen stellen ten aanzien van het onderzoek binnen de kern Oude-Tonge dat hier ten onrechte slechts enkele alternatieve locaties beperkt zijn behandeld.

    Het onderzoek naar de mogelijkheden op de locatie Albeda College aan de Mercuriuslaan is volgens hen niet juist uitgevoerd. In dat verband voeren zij aan dat het college ten onrechte stelt dat ontwikkeling van deze locatie op dit moment niet mogelijk is omdat binnen de naastgelegen bedrijfsbestemming milieucategorie 3.2 is toegestaan, zodat een woonbestemming binnen 50 tot 100 meter van deze bestemming niet mogelijk zou zijn. Daartoe wijzen zij erop dat het nieuwe "Ebbe en Vloed" op een afstand van 10 meter van deze bedrijfslocatie is gebouwd. Ook [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bestrijden voor zover nodig het standpunt van het college over de mogelijkheden van het Albeda college, evenals de daarop gebaseerde conclusie.

    Voorts betogen [appellant sub 3] en anderen dat het zogeheten AVK-terrein beschikbaar is voor woningbouwontwikkeling. In dit kader betogen zij dat in een brief van MKB Vastgoed & Onteigening aan het college van 9 mei 2017 wordt gesteld dat de gronden, in elk geval sinds september 2015, ten behoeve van woningbouwontwikkeling aan de gemeente worden aangeboden. Samen met de gronden van het Albeda College en het gemeentelijke perceel aan de Capelleweg zijn de gronden ruim 2 hectare groot, hetgeen volstaat om het aantal woningen dat gepland staat voor de Molenpolder in te passen, aldus [appellant sub 3] en anderen. Uit een e-mail van een ambtenaar van de gemeente van 21 juni 2017 blijkt volgens hen voorts dat het college achter de herontwikkeling van dit gebied staat.

20.1.    Het college stelt dat de harde plancapaciteit in de kern Oude-Tonge momenteel bestaat uit de locaties "Ebbe en Vloed", "Madeno Racing" en de "Handelskade", die voorzien in 131 woningen. Het college stelt dat op deze locaties niet in de kwalitatieve behoefte aan dorps woonmilieu kan worden voorzien, omdat deze locaties te klein dan wel ongeschikt zijn om een woonmilieu te creëren zoals voorzien in voorliggend plan. Ook elders binnen de kern Oude-Tonge, waaronder de zachte plancapaciteit, ontbreekt ruimte om in de behoefte aan dorps woonmilieu te voorzien, aldus het college. Volgens het college kan juist door het aanwijzen van de Molenpolder als uitbreidingslocatie de bestaande kwaliteit in de dorpskern van Oude-Tonge bewaard blijven.

    Het college stelt dat de locatie Albeda College wel degelijk is onderzocht, maar ongeschikt is omdat deze momenteel niet beschikbaar is, aangezien de school nog in gebruik is en niet voor 2020 gaat verhuizen. Daarnaast is de locatie ruimschoots te klein en uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet geschikt voor woningbouw in de vorm en schaal zoals voorzien in voorliggend plan vanwege een nabij gelegen bedrijf met milieucategorie 3.2.

    Ten aanzien van het AVK-terrein stelt het college dat hiervoor ten tijde van de vaststelling van het onderhavige wijzigingsplan nog geen principeverzoek was gedaan. Verder stelt het college dat, hoewel het gemeentebestuur open staat voor herontwikkeling van deze locatie, zij in de structuurvisie als bedrijventerrein wordt aangemerkt, er een geluidcontour ligt en mogelijk verontreiniging aanwezig is.

20.2.    Nu de locatie van het Albeda College nog in bedrijf is, heeft het college afdoende gemotiveerd dat deze ten tijde van het bestreden besluit niet in aanmerking kwam voor transformatie of herstructurering.

    Wat het AVK-terrein betreft overweegt de Afdeling dat de door [appellant sub 3] en anderen bedoelde brief van 9 mei 2017 dateert van na het bestreden besluit. Weliswaar wordt hierin gesteld dat MKB Vastgoed & Onteigening al enige tijd in gesprek is met het gemeentebestuur, waarbij met pen is aangetekend: "sept. 2015. Woningbouw nog eerder gesprek gehad". Het is de Afdeling op grond hiervan echter niet aannemelijk geworden dat deze locatie ten tijde van het bestreden besluit in aanmerking kwam voor transformatie of herstructurering.

    Voorts heeft het college met zijn onderbouwing dat op de aanwezige locaties binnen bestaand stedelijk gebied niet in de kwalitatieve behoefte aan een dorps woonmilieu kan worden voorzien afdoende gemotiveerd dat deze locaties niet in aanmerking komen voor herstructurering of transformatie.

    Het betoog faalt.

Fasering

21.    [appellant sub 3] en anderen betogen dat nu het college in de beantwoording van de zienswijzen heeft gesteld dat het onzeker is of alle 100 woningen gerealiseerd zullen worden, het vanuit het perspectief van de ladder bezwaarlijk is dat de opgenomen fasering niet gekoppeld is aan delen van het plangebied. Het is nu mogelijk om het hele plangebied voor 10 woningen te benutten, hetgeen ingaat tegen de doelstelling van de ladder. In het wijzigingsplan hadden bepalingen ten aanzien van de grootte en situering van woningen en percelen moeten worden opgenomen dan wel had het wijzigingsplan moeten worden opgeknipt in verschillende plannen.

21.1.    Artikel 4, lid 4.3, van de planregels luidt:

"a. Per fase mag het aantal woningen niet meer bedragen dan:

    1. 55 woningen in fase 1a;

    2. 45 woningen in fase 1b;

b. Met de uitvoering van fase 1b mag gestart worden vanaf 1-1-2020;

c. In afwijking van het bepaalde onder b, mag eerder gestart worden met de uitvoering van fase 1b, onder de voorwaarde dat:

    1. aantoonbaar is gemaakt dat er behoefte is aan de realisatie van fase 1b en tenminste 45 van de 55 woningen van fase 1a zijn afgenomen van de ontwikkelaar; of

    2. de woonvisie op dit onderdeel is aangepast waardoor de bouw van fase 1b eerder is toegestaan."

21.2.    Nu de behoefte aan 100 woningen in de gemeente Goeree-Overflakkee is aangetoond, bestaat geen grond voor de vrees van [appellant sub 3] en anderen dat een belangrijk deel van het plangebied onbenut blijft en dientengevolge sprake zou zijn van onzorgvuldig ruimtegebruik. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college het dan ook niet nodig hoeven te achten om de volgorde van benutting van het plangebied te regelen in het plan door middel van een aan delen van het plangebied gekoppelde fasering.

    Het betoog faalt.

Provinciale verordening

22.    [appellant sub 3] en anderen betogen dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland bij brief van 3 november 2015 heeft ingestemd met het woningbouwprogramma mits de gemeente stappen zou zetten in het saneren van vastgestelde plannen. Volgens [appellant sub 3] en anderen heeft het college van gedeputeerde staten daarbij ten onrechte geen rekening gehouden met woningbouwplannen die in het woningbouwprogramma zijn geschaard onder categorie 3. Volgens hen is daarom niet aangetoond dat wordt voldaan aan artikel 2.1.1 van de Verordening ruimte 2014.

    Verder betogen [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 1] en [appellant sub 2] onder verwijzing naar een brief van het college van gedeputeerde staten van 26 september 2017 dat dit college nog geen geactualiseerde gemeentelijke woonvisie heeft ontvangen en het woningbouwprogramma van 2017 voor Goeree-Overflakkee niet heeft aanvaard wat betreft de categorieën 3, 4 en de saneringsplannen.

22.1.    Artikel 2.1.1, tweede lid, van de Verordening ruimte 2014, zoals dit gold ten tijde van belang, luidt:

"Gedeputeerde Staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie als motivering of gedeeltelijke motivering dat de stedelijke ontwikkeling voldoet aan het eerste lid."

22.2.    De brief van het college van gedeputeerde staten van 3 november 2015 dateert van vóór de besluiten van 12 april 2016 en 9 augustus 2016. Met deze beroepsgrond hebben [appellant sub 3] en anderen hun beroepsgronden dan ook uitgebreid met nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgronden. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan in het licht van de goede procesorde niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dit betekent dat hetgeen [appellant sub 3] en anderen in dit opzicht aanvoeren, buiten inhoudelijke bespreking blijft.

22.3.    Dat het college van gedeputeerde staten − zoals [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen − in antwoord op de brief van het college van 30 augustus 2017 aan het college heeft laten weten dat het nog geen geactualiseerde gemeentelijke woonvisie heeft ontvangen en dat het woningbouwprogramma van 2017 voor Goeree-Overflakkee niet is aanvaard wat betreft de categorieën 3, 4 en de saneringsplannen, is een omstandigheid van na het nemen van het bestreden besluit en kan daarom niet in de beoordeling worden betrokken.

Conclusie

23.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 3] en anderen tegen het besluit van 4 april 2017 gegrond. Het besluit van 4 april 2017 dient te worden vernietigd, wat artikel 9, lid 9.2, onder c, van de planregels betreft. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van 4 april 2017 zijn ongegrond.

Proceskosten

24.    Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

    Hierbij betrekt de Afdeling dat de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] op grond van artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden aangemerkt als samenhangende zaken.

    Voor zover [appellant sub 1] heeft verzocht om vergoeding van kosten voor een door een deskundige aan hem uitgebracht deskundigenrapport, overweegt de Afdeling dat hiervan niet is gebleken.

    Voor zover [appellant sub 3] en anderen hebben verzocht om vergoeding van kosten voor een door een deskundige aan hen uitgebracht deskundigenrapport, overweegt de Afdeling dat zij hiermee blijkens de bijlagen bij hun proceskostenformulier doelen op kosten van werkzaamheden van hun rechtsbijstandverlener bij het opstellen van door henzelf ingediende geschriften (het beroepschrift tegen het besluit van 12 april 2016, het geschrift met aanvullende gronden tegen het besluit van 9 augustus 2016 en de zienswijze over het besluit van 4 april 2017). Deze werkzaamheden niet zijn aan te merken als het uitbrengen van een deskundigenrapport.

    Ten aanzien van LTO Noord en [appellant sub 4] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee van 12 april 2016 en 9 augustus 2016 gegrond;

II.    verklaart het beroep van [appellant sub 4] tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee van 12 april 2016 en 9 augustus 2016 ongegrond;

III.    vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee van 12 april 2016 tot vaststelling van het wijzigingsplan "Molenpolder fase 1" en van 9 augustus 2016 tot gewijzigde vaststelling van het wijzigingsplan "Molenpolder fase 1";

IV.    verklaart het beroep van LTO Noord tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee van 4 april 2017 niet-ontvankelijk;

V.    verklaart het beroep van [appellant sub 3] en anderen tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee van 4 april 2017 gegrond;

VI.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee van 4 april 2017 tot gewijzigde vaststelling van het wijzigingsplan "Molenpolder fase 1", wat artikel 9, lid 9.2, onder c, van de planregels betreft;

VII.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee van 4 april 2017 ongegrond;

VIII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee tot vergoeding van bij:

- [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 3] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.035,66 (zegge: duizendvijfendertig euro en zesenzestig cent), waarvan € 1.002,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

IX.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 1];

- € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 2];

- € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 3] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Kuipers

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2018

271.