Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:519

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
201700405/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:14620, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 augustus 2015 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden ten aanzien van het vaartuig van [belanghebbende], dat is afgemeerd aan de Oude Rijn bij het perceel [locatie 1] te Valkenburg (Z-H), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700405/1/A1.

Datum uitspraak: 14 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellante B] en [appellant C], allen wonend te Valkenburg, gemeente Katwijk (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 december 2016 in zaak nr. 16/5122 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Katwijk.

Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2015 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden ten aanzien van het vaartuig van [belanghebbende], dat is afgemeerd aan de Oude Rijn bij het perceel [locatie 1] te Valkenburg (Z-H), afgewezen.

Bij besluit van 19 april 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 18 augustus 2015 onder een aanvullende motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 1 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college, [appellant] en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2017, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door S. de Jong, E. van Doorn en S. Molenaar, en [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. D.G. Lasschuit, advocaat te Leiden, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] woont op het perceel [locatie 2] te Valkenburg (N-H). Bij brief van 23 februari 2015 heeft hij het college verzocht om handhavend op te treden tegen, voor zover thans van belang, de bewoning van het vaartuig van [belanghebbende], dat is afgemeerd op de Oude Rijn ter hoogte van het perceel [locatie 1]. Hij stelt veel overlast te ondervinden van activiteiten die verband houden met de bewoning van het vaartuig, zoals het stoken van olie. Het college heeft het verzoek om handhaving afgewezen omdat - kort gezegd - niet is gebleken dat het vaartuig permanent wordt bewoond, zodat geen sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan. De rechtbank heeft de afwijzing in stand gelaten.

2.    De Afdeling stelt voorop dat in hoger beroep slechts de vraag aan de orde is of sprake is van met het bestemmingplan strijdige activiteiten. Daarbij gaat het om de bewoning van het vaartuig van [belanghebbende]. Voor zover [appellant] stelt overlast van dieselgeur en slechte luchtkwaliteit te ondervinden, kan dat niet worden herleid tot een overtreding van het bestemmingsplan. Hetgeen hierover is aangevoerd kan dan ook geen reden zijn de uitspraak van de rechtbank te vernietigen.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank en het college ten onrechte hebben getoetst aan artikel 15 van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, aangezien dat voorschrift niet van toepassing is op het perceel van [belanghebbende]. Bij de afwijzing van het verzoek en de ongegrondverklaring van het beroep is aan bestemming "Water" ten onrechte doorslaggevende betekenis toegekend. De bestemming "Agrarisch" is van toepassing en blijkens de toelichting op het plan is wonen noch recreatie toegestaan, aldus [appellant].

3.1.    Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Valkenburg Landelijk gebied". Het perceel [locatie 1] grenst aan de Oude Rijn. Op het perceel zelf rust de bestemming "Agrarisch" met de gebiedsaanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied". Ter plaatse van de ligplaats van het vaartuig geldt de bestemming "Water". Zowel het college in het besluit op bezwaar als de rechtbank zijn bij de beoordeling van de vraag of het vaartuig in strijd met het bestemmingsplan wordt bewoond, terecht uitgegaan van die bestemming. Gelet daarop hebben zij terecht getoetst aan artikel 15.1 van de planvoorschriften. Dat het college in het verweerschrift bij de rechtbank ten aanzien van de bestemming een ander standpunt heeft ingenomen, maakt dat niet anders.

3.2.    Artikel 15.1 van de planvoorschriften luidt:

"De voor "Water" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

f. recreatief gebruik;

[…]

h. ligplaatsen voor recreatievaartuigen;

[…]

j. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie (sr-edr)": extensieve dagrecreatie;

[…]

l. ter plaatse van de aanduiding "woonschepenligplaats (wl)":

1. een woonschip, die permanent is aangemeerd en stationair functioneert, met dien verstande dat het totale aantal ligplaatsen ten tijde van de ter visie legging van het ontwerp bestemmingsplan niet mag worden vermeerderd;

2. daar bijbehorende tuinen en erven;

3. daar bijbehorende al dan niet drijvende bouwwerken;

4. open terreinen, waaronder begrepen parkeerplaatsen;

5. ontsluitingswegen en -paden."

    Op de verbeelding van het bestemmingsplan ontbreekt ter plaatse van de ligplaats van het vaartuig een aanduiding. Dat betekent - zoals de rechtbank terecht heeft overwogen - dat dagelijks recreatief verblijf op het vaartuig is toegestaan, maar wonen niet.

3.3.    Gelet op het vorenstaande faalt het betoog over de toetsing aan artikel 15.1 van de planvoorschriften.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het vaartuig in strijd met het bestemmingsplan wordt bewoond. Het college en de rechtbank gaan er ten onrechte vanuit dat voor handhaving is vereist dat het vaartuig permanent wordt bewoond. Voldoende is dat het vaartuig wordt bewoond. [appellant A] stelt voorts dat ten onrechte wordt gesproken van een 'pleziervaartuig'. Het vaartuig is groot en volledig omgebouwd tot een varend bewoonbaar schip. [belanghebbende] heeft erkend dat "hij op het schip regelmatig woont" en hij stond vanaf 25 mei 2009 tot 24 december 2015 in de Basisregistratie Personen (voorheen Gemeentelijke Basisadministratie Personen) op het adres [locatie 1] ingeschreven. Daar werd ook post ontvangen. Verder kon het college de afwijzing van het verzoek niet baseren op de vanwege de gemeente uitgevoerde controles. Deze zijn onvoldoende gericht op het bewonen van het vaartuig en de in de rapportages weergegeven feiten zijn niet betrouwbaar, aldus [appellant].

4.1.    Naar aanleiding van het verzoek om handhaving hebben toezichthouders van de gemeente controles uitgevoerd op 31 maart 2015, 14 april 2015, 21 april 2015, 6 mei 2015, 18 juni 2015, 9 juli 2015, 17 juli 2015 en 4 augustus 2015. Het rapport van de controle van 31 maart 2015 vermeldt dat op het vaartuig wordt geslapen. Toentertijd was [belanghebbende] in de Basisregistratie Personen ook ingeschreven op het adres [locatie 1]. Ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar was [belanghebbende] echter al een aantal maanden op dat adres uitgeschreven en volgens de Basisregistratie Personen elders woonachtig. Verder is bij de overige zeven controles geen overtreding van het bestemmingsplan geconstateerd. Die controles waren weliswaar met name gericht op de vermeende geuroverlast en rookoverlast en opslag van bouwmaterialen in de buitenlucht, maar dat neemt niet weg dat bij die controles niet is geconstateerd dat [belanghebbende] op het vaartuig woont. Tijdens de bezwaarfase zijn controles uitgevoerd op 12 november 2015, 19 november 2015 en 21 maart 2016. Daarbij zijn evenmin activiteiten of feiten geconstateerd die erop duiden dat sprake is van (permanente) bewoning. Hetzelfde geldt voor de tijdens de hogerberoepsfase uitgevoerde controles van 7 juli 2017 en 3 november 2017.

    Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de rapporten van die controles een onjuiste weergave van de constateringen bevatten dan wel anderszins op onjuiste feiten zijn gebaseerd. Verder heeft [appellant] geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan niettemin kan worden vastgesteld dat het vaartuig wordt bewoond.

    De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat, nu geen overtreding van het bestemmingplan is geconstateerd, het college niet bevoegd was op die voet te handhaven. Daarbij kan in het midden blijven of het verschil tussen de begrippen 'bewoning' en 'permanente bewoning' voor de toetsing aan het bestemmingsplan relevant is.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] stelt dat schepen met een woon- of andere gebruiksfunctie die langer dan drie maanden worden afgemeerd, zoals het vaartuig van [belanghebbende], onder het Bouwbesluit en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vallen.

5.1.    Deze stelling heeft geen betrekking op de uitspraak van de rechtbank en evenmin op de afwijzing van het verzoek om handhaving en de motivering daarvan en behoeft dus geen nadere bespreking.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd voor zover deze is aangevallen.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze is aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.

w.g. Drop    w.g. Van der Maesen de Sombreff

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2018

190.