Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:515

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
201704199/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:2069, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 oktober 2015 heeft het college geweigerd aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van een tweede woonfunctie in een bestaand gebouw op het perceel [adres] 168/168A te Epe voor een termijn van tien jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2018-0041
Module Ruimtelijke ordening 2018/7923 met annotatie van G. van den End
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704199/1/A1.

Datum uitspraak: 14 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Epe,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 april 2017 in zaak nr. 16/1883 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Epe.

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2015 heeft het college geweigerd aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van een tweede woonfunctie in een bestaand gebouw op het perceel [adres] 168/168A te Epe voor een termijn van tien jaar.

Bij besluit van 18 februari 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 april 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. I.M.C van Leeuwen, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door S. van der Maden en mr. K.A. Weerts, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij besluit van 23 februari 2007 heeft het college bouwvergunning verleend voor een woning met bijgebouwen op het perceel. [appellant] woont in die woning op het [adres] 168. Op het perceel bevindt zich aan de straatzijde een voor bewoning geschikte verbouwde voormalige schuur waaraan in 2009 het huisnummer 168A is toegekend. [appellant] heeft het college verzocht om dat gebouw te mogen gebruiken als woning. Hij heeft hiertoe een tijdelijke omgevingsvergunning gevraagd ter overbrugging van de periode tot de woonfunctie in het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Het college heeft aan de weigering om omgevingsvergunning te verlenen ten grondslag gelegd dat het bestemmingsplan ter plaatse per bestemmingsvlak ten hoogste één woning toestaat en dat het niet bereid is mee te werken aan het mogelijk maken van een tweede woonfunctie, omdat dit in strijd is met zijn beleid dat is opgenomen in de "Woonvisie 2013" (hierna: de Woonvisie) en het beleid rondom woningbouwinitiatieven "Nieuwe kaders woningbouwinitiatieven 2015, regie op plancapaciteit" (hierna: Nieuwe kaders woningbouwinitiatieven).

2.    Ingevolge de ten tijde van de besluitvorming ter plaatse geldende bestemmingsplannen "Buitengebied" en "Buitengebied 4e partiële herziening" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden". Niet in geschil is dat ingevolge het bestemmingsplan op het perceel ten hoogste één woning is toegestaan en dat het beoogde gebruik van het gebouw met [huisnummer] 168A als woning in strijd is met het bestemmingsplan.

Beoordeling van het hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren omgevingsvergunning te verlenen ten behoeve van de tijdelijke bewoning van het pand op [huisnummer] 168A. Hiertoe voert hij aan dat de enkele verwijzing naar de twee beleidsdocumenten geen draagkrachtige motivering biedt voor de weigering om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Volgens [appellant] biedt het in de beleidsnotities neergelegde tweesporenbeleid juist grondslag voor de honorering van de aanvraag, nu in dit geval sprake is van een reeds bestaand object en niet van een nieuw woningbouwinitiatief. Voorts heeft [appellant] ter zitting aangevoerd dat een tijdelijke woonfunctie binnen het Structuurplan Epe past en dat het nog beschikbare woningbouwcontingent in het buitengebied van Epe ruimte biedt voor de verzochte omgevingsvergunning.

3.1.    Voor gebruikmaking van de in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) opgenomen bevoegdheid heeft het college beleidsregels vastgesteld. Volgens het "Ontheffingenbeleid kruimelgevallen Wabo/Bor 2014, gemeente Epe" wordt per geval bekeken of medewerking kan worden verleend aan afwijking van het bestemmingsplan.

    Het college heeft ter motivering van zijn besluit volstaan met de verwijzing naar de voormelde Woonvisie en de Nieuwe kaders woningbouwinitiatieven. Het college stelt zich op het standpunt dat in dit beleid ten aanzien van nieuwe woonfuncties is vermeld dat daaraan in beginsel geen medewerking wordt verleend, zodat toevoeging van een woonfunctie niet mogelijk is.

    Weliswaar volgt uit het aan de weigering ten grondslag liggende beleid dat de ruimte om nieuwe woningbouwinitiatieven te honoreren in de gemeente Epe vrij beperkt is en dat terzake een restrictief beleid wordt gevoerd, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat toevoeging van een nieuwe woning aan de woningvoorraad zonder meer is uitgesloten. Dat betekent dat het college bij de weigering om een omgevingsvergunning te verlenen voor realisering van een tijdelijke woonfunctie in het op het perceel aanwezige gebouw niet kan volstaan met de enkele algemene verwijzing naar bedoeld beleid rondom woningbouwinitiatieven. Gelet op de ruimte die het woningbouwbeleid laat, ligt het op de weg van het college om te beoordelen of de gevraagde tijdelijke woonfunctie van het gebouw vanuit ruimtelijk oogpunt in dit geval aanvaardbaar is. Het college kan bij de beoordeling van de aanvraag voormeld beleid uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening meewegen in de belangenafweging die het college bij de beslissing omtrent een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan dient verrichten, maar dient daarbij ook andere bij het besluit betrokken belangen mee te wegen.

    Nu het college bij de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning geen eigen gemotiveerde ruimtelijke afweging van de bij het besluit betrokken belangen heeft gemaakt, berust het besluit op een onvoldoende draagkrachtige motivering en is het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen. Gelet hierop dient het besluit te worden vernietigd. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

    Het betoog slaagt.

4.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte heeft verworpen. Hiertoe voert hij aan dat de rechtbank heeft miskend dat het beleid dat van toepassing was voorafgaand aan de inwerkingtreding van het thans toepasselijke beleid in de Woonvisie en de Nieuwe kaders woningbouwinitiatieven nagenoeg hetzelfde toetsingskader bevat als het huidige beleid. Volgens [appellant] heeft het college in een aantal vergelijkbare gevallen wel meegewerkt aan toevoeging van een woonfunctie.

4.1.    [appellant] betoogt terecht dat er geen relevante verschillen bestaan tussen de toetsingskaders van het thans geldende beleid en het beleid dat gold voor inwerkingtreding hiervan. De rechtbank heeft bij haar oordeel dat de door [appellant] genoemde gevallen geen gelijke gevallen zijn evenwel niet uitsluitend in aanmerking genomen dat inmiddels nieuw beleid in werking is getreden. De rechtbank heeft voorts in aanmerking genomen dat in de door [appellant] genoemde gevallen het gebruik wonen, hetzij onder het overgangsrecht viel, hetzij op enig moment is gelegaliseerd, hetzij reeds planologisch was toegestaan.

    De rechtbank heeft het beroep op het gelijkheidsbeginsel daarom terecht verworpen. Ter zitting heeft de Afdeling vastgesteld dat in geen van de door [appellant] genoemde gevallen het college toestemming heeft verleend om in afwijking van het bestemmingsplan een woonfunctie te realiseren, zoals [appellant] die in dit geval heeft gevraagd. In de genoemde gevallen aan de [adres B], [adres C] en [adres D] te Epe en [adres E] te Emst heeft de gemeenteraad de woonfunctie in het bestemmingsplan planologisch mogelijk gemaakt. Nog daargelaten dat in het door [appellant] in hoger beroep genoemde geval aan [adres F] niet om legalisering van een woonfunctie gaat, maar om het mogelijk maken van een recreatiewoning, ziet ook dit voorbeeld op een bestemmingsplanprocedure. Voor zover [appellant] van mening is dat de raad van de gemeente Epe in het bij besluit van 23 maart 2017 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebeid Epe" het betreffende pand ten onrechte heeft bestemd als gastenverblijf en niet als volwaardige woning, ligt het in de rede om in die procedure aan de hand van voormelde voorbeelden een beroep op het gelijkheidsbeginsel te doen.

    Het betoog slaagt niet.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 18 februari 2016 van het college alsnog gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vernietigen. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift van [appellant].

    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

6.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 april 2017 in zaak nr. 16/1883;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Epe van 18 februari 2016, kenmerk nr. 2016-03223;

V.    bepaalt dat tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Epe te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Epe tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2004,00 (zegge: tweeduizend vier euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Epe aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Drop    w.g. Deen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2018

604.