Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:514

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
201701615/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:87, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 september 2015 heeft het college geweigerd aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het verbouwen van een woning op het perceel [locatie A] te Epe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2018/7788
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701615/1/A1.

Datum uitspraak: 14 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Epe,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 januari 2017 in zaak nr. 16/1884 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Epe.

Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2015 heeft het college geweigerd aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het verbouwen van een woning op het perceel [locatie A] te Epe.

Bij besluit van 12 februari 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 17 september 2015 onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 10 januari 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 februari 2016 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. I.M.C van Leeuwen, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door S. van der Maden en mr. K.A. Weerts, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is sinds 2005 eigenaar van het perceel. Bij besluit van 23 februari 2007 heeft het college bouwvergunning verleend voor een woning met bijgebouwen op het perceel. Het bouwplan ziet op een uitbreiding van de woning door een verdieping aan te brengen op de twee aan weerszijden van het hoofdgebouw bestaande bijgebouwen en de twee tussengedeelten tussen de bijgebouwen en het hoofdgebouw. Niet in geschil is dat de bestaande woning een inhoud heeft van 577 m³ en dat de twee dakopbouwen samen een inhoud van 77 m³ hebben.

    Het college heeft aan de weigering om omgevingsvergunning te verlenen ten grondslag gelegd dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Omdat door de uitvoering van het bouwplan de woning een inhoud van 980 m³ krijgt, zal de in het bestemmingsplan voorgeschreven maximale inhoud van 600 m³ fors worden overschreden en voorts zal de maximaal toegestane bouwhoogte voor bijgebouwen worden overschreden. Het bouwplan voldoet voorts niet aan de redelijke eisen van welstand, aldus het college.

    De rechtbank heeft overwogen dat door het aanbrengen van de verdieping de eerder vergunde bijgebouwen niet meer kunnen worden onderscheiden van het hoofdgebouw en ze in architectonisch opzicht niet meer ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw. Naar het oordeel van de rechtbank dient de oppervlakte van deze ruimten derhalve te worden meegerekend bij de berekening van de inhoud van de woning, zodat met realisering van het bouwplan de maximaal toegestane inhoud van een woning zal worden overschreden. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het college had moeten afwegen of het met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en vierde lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) bereid was een omgevingsvergunning voor het bouwplan te verlenen. Nu het dat niet heeft gedaan, heeft de rechtbank het besluit vernietigd. Gelet op de ter zitting gegeven motivering heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, behoeft de beroepsgrond dat het bouwplan niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand naar het oordeel van de rechtbank geen bespreking.

2.    De relevante bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), de Wabo en het bestemmingsplan zijn opgenomen in de bijlage die integraal onderdeel is van deze uitspraak.

Het bestemmingsplan

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, heeft miskend dat bij de berekening van de inhoud van de woning de inhoud van de twee bestaande bijgebouwen buiten beschouwing dient te blijven. Hiertoe voert [appellant] aan dat het college in 2007 een bouwvergunning voor de bouw van twee bijgebouwen heeft verleend en dat het niet mogelijk is dat deze bouwwerken door realisering van een ander bouwplan anders moeten worden gekwalificeerd. Voorts wijst [appellant] er op dat de bijgebouwen geen onderdeel van het bouwplan zijn en dat de bijgebouwen architectonisch ondergeschikt blijven aan het hoofdgebouw en derhalve voldoen aan de omschrijving van het begrip bijgebouw in het bestemmingsplan. Indien de inhoud van de bijgebouwen buiten beschouwing wordt gelaten, zal de inhoud van de woning na realisering van het bouwplan 654 m³ zijn, zodat het college hiervoor vrijstelling kan verlenen krachtens artikel 41.1.2 van het bestemmingsplan, aldus [appellant].

3.1.    Uit de bij de aanvraag behorende bouwtekeningen blijkt dat de bouw van de voorziene verdieping tot gevolg zal hebben dat de twee bestaande bijgebouwen zullen worden geïntegreerd in het hoofdgebouw. De oorspronkelijke bijgebouwen zullen zich na realisering van het bouwplan in bouwkundig opzicht niet meer onderscheiden van de woning en hieraan niet meer ondergeschikt zijn. Nu de bijgebouwen onderdeel van het hoofdgebouw zullen worden, heeft de rechtbank gelet op de omschrijving van de term bijgebouw in artikel 1.20 van het bestemmingsplan, terecht overwogen dat dit deel van de woning niet langer een bijgebouw is als bedoeld in het bestemmingsplan en dat de inhoud van de bijgebouwen moet worden betrokken bij de berekening van de inhoud van de woning. Dat de bijgebouwen in 2007 zijn vergund als bijgebouw en dat deze bijgebouwen niet tot het bouwplan behoren, leidt niet tot een ander oordeel. Ter beoordeling staat het woongebouw zoals dat in zijn geheel na realisering van het bouwplan zal ontstaan en daarbij zijn na het realiseren van de verdieping geen bijgebouwen meer te onderscheiden. Dat betekent overigens eveneens dat [appellant] terecht heeft aangevoerd dat het college het bouwplan wat betreft de hoogte ten onrechte heeft getoetst aan de bouwregels voor bijgebouwen en zich op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan ook in zoverre in strijd is met het bestemmingsplan. De hoogte van het woonhuis zal minder zijn dan de ingevolge het bestemmingsplan voor woonhuizen maximaal toegestane 10 m, zodat het bouwplan in zoverre niet in strijd is met het bestemmingsplan.

    Nu echter vaststaat dat de inhoud van de woning de ingevolge het bestemmingsplan maximaal toegestane inhoud zal overschrijden indien de inhoud van de bijgebouwen bij de vaststelling moet worden meegerekend, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en onder vier, van bijlage II bij het Bor. Hiertoe voert hij aan dat de aan de weigering ten grondslag liggende motivering van het college dat het gebouw te volumineus zal worden geen hout snijdt. [appellant] verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de bij besluit van 10 oktober 2016 aan hem verleende omgevingsvergunning voor een vergelijkbaar en even volumineus bouwplan en de vervolgens bij besluit van 23 december 2017 verleende omgevingsvergunning voor het aanbrengen van wijzigingen in dit bouwplan.

4.1.    Op 12 september 2016 heeft [appellant] een nieuwe aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor uitbreiding van de woning op het perceel. Bij besluit van 10 oktober 2016 heeft het college beslist op deze aanvraag en aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor de verbouwing van de woning. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat na realisering van dit gewijzigde bouwplan de twee bestaande bijgebouwen nog te onderscheiden zijn van de woning, zodat de oppervlakte van deze ruimten niet wordt meegerekend bij de berekening van de voorziene inhoud van de woning. Omdat de inhoud van de voorziene woning de ingevolge het bestemmingsplan maximaal toegestane inhoud van een woonhuis met minder dan 10% zal overschrijden, heeft het college met toepassing van de in artikel 41.1.2 van de planvoorschriften opgenomen binnenplanse afwijkingsbevoegdheid omgevingsvergunning verleend. Tegen de omgevingsvergunning zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze in rechte onaantastbaar is geworden.

    De bij besluit van 23 december 2017 aan [appellant] verleende omgevingsvergunning heeft betrekking op de activiteit bouwen ten behoeve van het uitbreiden van de vergunde woning met een dakopbouw en aanpassing van de gevels. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat in het inmiddels in werking getreden nieuwe bestemmingsplan "Buitengebied Epe" is bepaald dat de maximaal toegestane inhoud van een woning 750 m³ is en dit niet zal worden overschreden door realisering van het bouwplan.

4.2.    Bij de beoordeling van het geschil kan er niet aan worden voorbij gegaan dat het ter beoordeling voorliggende besluit op bezwaar van 12 februari 2016 dateert van voor het besluit van 10 oktober 2016. Het besluit van 10 oktober 2016 is niet bestreden en staat in rechte vast, zodat van de juistheid ervan dient te worden uitgegaan. Dat de geweigerde en vergunde bouwplannen vergelijkbaar zijn, wat daarvan ook zij, doet niet af aan het in het hiervoor in 3.1 gegeven oordeel over het voorliggende bouwplan, dat de bijgebouwen onderdeel van het hoofdgebouw zullen worden en dat de inhoud van de bijgebouwen moet worden betrokken bij de berekening van de inhoud van de woning.

    Het college heeft aan de weigering om omgevingsvergunning te verlenen ten grondslag gelegd dat sprake is van een ongewenste ruimtelijke ontwikkeling, omdat door realisering van het bouwplan de in het bestemmingsplan voorgeschreven maximale inhoud van de woning ruimschoots zal worden overschreden. Mede in het licht van het ten tijde van de besluitvorming in voorbereiding zijnde bestemmingsplan, waarin voor een woning een maximale inhoud van 750 m³ is voorgeschreven, acht het college de voorziene woning met een inhoud van 980 m³ te volumineus.

    In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat deze motivering de weigering om omgevingsvergunning te verlenen niet kan dragen. Dat met de door het college verleende omgevingsvergunningen van 10 oktober 2016 en 23 december 2017 een bouwplan kan worden gerealiseerd met een vergelijkbaar volume leidt niet tot dat oordeel. In het bij besluit van 10 oktober 2016 vergunde bouwplan heeft het woonhuis een inhoud van minder dan 660 m³, nu daarbij de inhoud van de bijgebouwen niet als behorend tot de woning is meegeteld. Dit is beduidend minder dan de inhoud van 980 m³ die het woonhuis in het thans ter beoordeling voorliggende bouwplan zal hebben. Het college heeft bij de beslissing omtrent de omgevingsvergunning van 10 oktober 2016 een andere ruimtelijke afweging gemaakt, nu het -anders dan bij het voorliggende bouwplan - bevoegd was om voor de geringe overschrijding van de in het bestemmingsplan voorgeschreven maximaal toegestane inhoud van een woonhuis met toepassing van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid omgevingsvergunning te verlenen. Dat het college bereid is om mee te werken aan deze geringe overschrijding, betekent niet dat het college zich in het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een woonhuis met een inhoud van 980 m³ te volumineus is.

    Uit de door [appellant] aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:702, kan niet worden afgeleid dat het college aan de weigering om omgevingsvergunning te verlenen niet ten grondslag mag leggen dat het bouwplan te volumineus is, zoals [appellant] heeft aangevoerd. In deze uitspraak is overwogen dat de oppervlakte of volume van een dakopbouw niet van belang is voor de toepasselijkheid van artikel 4, aanhef en onder 4, van bijlage II bij het Bor. Het laat onverlet dat het college bij de beslissing omtrent een omgevingsvergunning dient te beoordelen of het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, waarbij ook het volume van een bouwplan van belang kan zijn.

    Voor zover [appellant], ter onderbouwing van zijn betoog dat het college het bouwplan ten onrechte als te volumineus heeft bestempeld, heeft verwezen naar het recent in werking getreden bestemmingsplan "Landgoed Beekdal", waarin de oprichting van een woning met een inhoud van ongeveer 830 m³ en een bouwhoogte van 9 m mogelijk is gemaakt, overweegt de Afdeling dat het perceel niet is gelegen op gronden waar dit bestemmingsplan geldt. Bovendien zal het woonhuis door de uitvoering van het bouwplan een inhoud van 980 m³ krijgen, hetgeen meer is dan de in bedoeld bestemmingsplan maximaal toegestane 830 m³.

    Het betoog faalt.

Redelijke eisen van welstand

5.    [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn in beroep naar voren gebrachte betoog dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Hiertoe voert hij aan dat uit de door hem overgelegde second opinion van "Het Oversticht" blijkt dat het plan in overeenstemming is met de redelijke eisen van welstand en dat dit tegenbericht van een deskundige niet is weerlegd door het college.

    Nu uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en geen grond bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de beroepsgrond dat geen sprake zou zijn van strijd met de redelijke eisen van welstand geen bespreking behoeft.

Schadevergoeding

6.    Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn verzoek als bedoeld in artikel 8:91, eerste lid, van de Awb om vergoeding van de schade die hij ten gevolge van het door de rechtbank vernietigde besluit heeft geleden. Hiertoe voert hij aan dat de besluiten onrechtmatig zijn en hij hierdoor onnodige kosten heeft moeten maken voor het indienen van gewijzigd bouwplan. [appellant] verzoekt de Afdeling om het college te veroordelen tot betaling van een bedrag van in totaal € 5.993,19.

6.1.    Het betoog dat de rechtbank ter onrechte niet is ingegaan op het verzoek om vergoeding van schade is terecht voorgedragen, maar het leidt reeds om het hierna volgende niet tot het hiermee beoogde doel.

    Uit vorenstaande volgt dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit in stand heeft gelaten en terecht geen grond heeft gezien voor het oordeel dat het college het besluit van 17 september 2015 moet herroepen. Dat betekent dat het college de gevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren. Van onnodige kosten in verband met het indienen van een nieuwe aanvraag om omgevingsvergunning en derhalve van schade als gevolg van het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning is derhalve geen sprake.

    Gelet daarop ziet de Afdeling geen grond over te gaan tot een veroordeling van het college op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb.

Conclusie

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding zal worden afgewezen.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Drop    w.g. Deen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2018

604. BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:88 luidt:

"1. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:

a. een onrechtmatig besluit;

b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;

c. het niet tijdig nemen van een besluit;

d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het besluit van beroep bij de bestuursrechter is uitgezonderd."

Artikel 8:91, eerste lid, luidt:

"Indien het verzoek wordt gedaan gedurende het beroep tegen of het hoger beroep omtrent het schadeveroorzakende besluit, wordt het ingediend bij de bestuursrechter waarbij het beroep of het hoger beroep aanhangig is."

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.10, eerste lid, luidt als volgt:

"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;

b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;

e. de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm."

Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, luidt:

"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;"

Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht

Artikel 4, aanhef en vierde lid, luidt:

"Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw;"

Bestemmingsplan "Buitengebied 4e partiële herziening"

Artikel 1.20 luidt:

"bijgebouw: een al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; functionele ondergeschiktheid is niet vereist; een aan- en/of uitbouw worden hieronder mede begrepen;"

Artikel 11.1.1 luidt:

"De gronden op de kaart aangewezen voor woondoeleinden zijn bestemd voor woningen, met dien verstande dat per bestemmingsvlak ten hoogste 1 woning is toegestaan - tenzij anders op de kaart is aangegeven - met daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken, tuinen en erven."

Artikel 11.2.1 luidt:

"voor woonhuizen geldt dat:

a. deze vrijstaand worden gebouwd, tenzij anders op de kaart is aangegeven;

b. de inhoud van een woonhuis ten hoogste 600 m³ bedraagt dan wel, indien een groter woonhuis aanwezig is, de inhoud zoals die bestond op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan;

c. voor woonhuizen nader aangeduid met villa geldt dat de inhoud ten hoogste 1.100 m³ bedraagt dan wel, indien een grotere villa aanwezig is, de inhoud zoals die bestond op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan;

d. de goothoogte ten hoogste 3,50 m bedraagt dan wel indien een grotere goothoogte aanwezig is, de goothoogte zoals die bestond op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan;

e. de hoogte ten hoogste 10 m bedraagt dan wel indien een grotere hoogte aanwezig is, de hoogte zoals die bestond op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan;

f. de breedte ten minste 5 m bedraagt;

g. de dakhelling ten minste 30° bedraagt;"

Artikel 11.2.2 luidt:

"voor aan- en bijgebouwen geldt dat:

a. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en bijgebouwen ten hoogste 60 m² bedraagt dan wel indien een grotere oppervlakte aanwezig is, de oppervlakte zoals die per bijgebouw bestond op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan;

b. de hoogte ten hoogste 5 m bedraagt;

c. de bijgebouwen op een afstand van ten minste 4 m achter de voorgevelrooilijn van het woonhuis en het verlengde daarvan worden geplaatst en op geen grotere afstand dan 30 m ten opzichte van het woonhuis;"

Artikel 41.1.2 luidt als volgt:

"Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen van het plan: voor afwijkingen ten aanzien van de voorgeschreven afmetingen van de bebouwing, met dien verstande dat de afwijkingen niet meer dan 10% mogen bedragen van de in deze voorschriften genoemde, dan wel op de kaart aangewezen of daarvan te herleiden maten, dit evenwel met uitzondering van de op de kaart aangegeven oppervlaktes, de in bijlage 3, 4 en 5 aangegeven oppervlaktes, alsmede de toegelaten oppervlakte van recreatiewoningen;"