Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:510

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
201704553/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2017 heeft het college zijn beslissing om op 19 januari 2017 wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen spoedeisende bestuursdwang toe te passen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat van de kosten van de toepassing van bestuursdwang een gedeelte, € 126,00, voor rekening van [appellante] komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704553/1/A1.

Datum uitspraak: 14 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Den Haag,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2017 heeft het college zijn beslissing om op 19 januari 2017 wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen spoedeisende bestuursdwang toe te passen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat van de kosten van de toepassing van bestuursdwang een gedeelte, € 126,00, voor rekening van [appellante] komt.

Bij besluit van 16 mei 2017 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door B. de Jong LL.B., rechtsbijstandverlener te Gouda, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Blankenstein, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening luidt: "het college kan aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt."

    Artikel 9, eerste lid, luidt: "het is de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, tweede lid, een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot."

2.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een huisvuilzak die op 19 januari 2017 is aangetroffen naast een inzamelvoorziening ter hoogte van het pand Louis Armstrongplein [..]. Omdat in de huisvuilzak een acceptgiro is aangetroffen met de naam- en adresgegevens van [appellante], stelt het college zich op het standpunt dat de huisvuilzak van haar afkomstig is en dat zij als overtreder van artikel 4, tweede lid, in verbinding met artikel 9, eerste lid van de Afvalstoffenverordening moet worden aangemerkt.

3.    [appellante] betoogt dat zij niet degene is geweest die de huisvuilzak op onjuiste wijze ter inzameling heeft aangeboden. Zij stelt dat zij haar huisvuil altijd correct ter inzameling aanbiedt in een minicontainer.

4.    Artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: "de toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen."

    Artikel 5:1, tweede lid, luidt: "onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt."

    In de regel zal mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

4.1.    Nu in de huisvuilzak de naam- en adresgegevens van [appellante] zijn aangetroffen, is deze tot haar herleidbaar. Dit betekent dat het college ervan mag uitgaan dat [appellante] de overtreder is, tenzij [appellante] aannemelijk maakt dat zij niet degene is die de huisvuilzak op onjuiste wijze heeft aangeboden.

4.2.    De enkele stelling van [appellante] dat zij het huisvuil altijd op juiste wijze ter inzameling aanbiedt, is onvoldoende om aannemelijk te achten dat zij niet degene is geweest die de huisvuilzak op onjuiste wijze heeft aangeboden. Het college heeft haar dan ook terecht als overtreder aangemerkt.

    Het betoog faalt.

5.    [appellante] stelt dat het besluit van 20 januari 2017 mogelijk te maken heeft met een kort tevoren voorgevallen incident waarbij zij een woordenwisseling over het gebruik van een winkelwagentje heeft gehad met een ambtenaar van het gemeentelijk Team Handhaving. Deze ambtenaar zou wraak hebben genomen door spoedeisende bestuursdwang toe te (laten) passen.

5.1.    De Afdeling begrijpt de stelling van [appellante] aldus dat zij betoogt dat het college met het besluit van 20 januari 2017 het in artikel 3:3 van de Awb neergelegde verbod op détournement de pouvoir heeft geschonden. [appellante] heeft echter op geen manier aannemelijk gemaakt dat het besluit om spoedeisende bestuursdwang toe te passen is ingezet voor een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is verleend. Daarbij komt dat het college ter zitting uiteen heeft gezet dat het team dat toeziet op handhaving van de Algemene plaatselijke verordening en het team dat zich bezighoudt met de verwijdering van op onjuiste wijze aangeboden huisvuil, gescheiden teams zijn die geen contact met elkaar onderhouden, en dat van een incident met een winkelkarretje, waarbij [appellante] betrokken zou zijn, intern geen melding is gemaakt.

    Nu het college zich bij de besluiten van 20 januari 2017 en 16 mei 2017 op het standpunt heeft gesteld dat het besluit strekt tot het tegengaan van vervuiling van de straat, en [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit anders zou zijn, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zijn bevoegdheid tot het nemen van het besluit van 20 januari 2017 zou hebben gebruikt voor een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is verleend.

    Het betoog faalt.

6.    [appellante] betwist dat de kosten van het verwijderen van de huisvuilzak die bij haar in rekening zijn gebracht de daadwerkelijk gemaakte kosten betreffen. Zij stelt dat de gemaakte kosten veel lager zijn, nu de haar door het college verstrekte gespecificeerde kostenberekening dateert uit 2013. [appellante] stelt daartoe dat het aantal bestede minuten zoals vermeld in de kostenberekening, hoger is dan redelijkerwijs valt te verwachten, nu verschillende werkprocessen sinds 2013 mogelijk zijn versneld. Zij betoogt daarnaast dat het ophalen van de huisvuilzak aanmerkelijk minder tijd zou hoeven kosten dan de door het college opgegeven 255 minuten, en dat de opgegeven tijdsbesteding voor werkzaamheden van de jurist juist hoger zou moeten zijn. Zij stelt ten slotte dat de kosten voor het verwijderen van een huisvuilzak in de gemeente Zuidplas beduidend lager uitvallen dan in Den Haag.

6.1.    In artikel 5:25 van de Awb is bepaald dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder geschiedt. Het college ontleent aan deze bepaling de bevoegdheid om de kosten van de toepassing van bestuursdwang geheel of gedeeltelijk te verhalen. In het besluit van 20 januari 2017 staat dat de kosten voor het verwijderen, onderzoeken en afvoeren van het huisvuil en de administratieve kosten in totaal € 194,00 bedragen, waarvan bij een eerste overtreding € 126,00 in rekening wordt gebracht.

    Uit de gespecificeerde kostenberekening van het college blijkt dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang niet alleen bestaan uit de kosten voor het feitelijk verwijderen van de op onjuiste wijze ter inzameling aangeboden huisvuilzak, maar ook uit onder meer de kosten voor het onderzoeken van de inhoud van de huisvuilzak en het opstellen van een rapportage, afgezet tegen het aantal daaraan bestede minuten. Ter zitting heeft het college toegelicht dat uit zorgvuldigheidsoogpunt altijd een controle door twee medewerkers plaatsvindt. Daarbij stelt het college dat sinds 2013 geen automatiseringsslagen zijn gemaakt, zodat de werkprocessen niet zijn versneld en derhalve niet minder kosten zijn gemaakt.

    [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de handelingen die op de door het college overgelegde kostenberekening zijn vermeld, niet zijn verricht of dat de daarop vermelde bedragen afwijken van de daadwerkelijk gemaakte kosten. De omstandigheid dat de kosten in een andere gemeente mogelijk lager zijn dan in de gemeente Den Haag is daarvoor ook onvoldoende. De Afdeling ziet dan ook grond voor de stelling dat de door het college gemaakte kosten van handhaving sinds 2013 zouden zijn gedaald noch voor de stelling dat de door het college opgegeven tijdsbesteding de grenzen van het redelijkerwijs aannemelijke overschrijdt.

    Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen bepalen dat van de kosten van de toepassing van bestuursdwang een gedeelte ter hoogte van € 126,00 voor haar rekening komt.

    Het betoog faalt.

7.    Het beroep is ongegrond.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Pans    w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2018

163-860.