Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:501

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
201703692/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek van [appellant] om een persoonlijke betalingsregeling afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-02-2018
FutD 2018-0562
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703692/1/A2.

Datum uitspraak: 14 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 maart 2017 in zaak nr. 16/5362 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek van [appellant] om een persoonlijke betalingsregeling afgewezen.

Bij besluit van 18 oktober 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 15 maart 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. D. Gürses, advocaat te Utrecht, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] dient een bedrag van in totaal € 28.100,00 aan teveel ontvangen voorschotten kinderopvangtoeslag over de jaren 2011, 2012 en 2013 terug te betalen aan de Belastingdienst/Toeslagen. Omdat [appellant] dit bedrag niet in één keer kan terugbetalen, heeft hij de Belastingdienst/Toeslagen bij formulier van 22 februari 2016 verzocht om een persoonlijke betalingsregeling gebaseerd op zijn betalingscapaciteit.

    De Belastingdienst/Toeslagen heeft dat verzoek bij het besluit van 6 april 2016, gehandhaafd bij het besluit van 18 oktober 2016, afgewezen omdat het ontstaan van de toeslagschuld is te wijten aan opzet of grove schuld van [appellant] of zijn partner. De dienst heeft [appellant] vervolgens wel uitstel van betaling verleend onder de voorwaarde dat hij de terugvordering in 24 maandelijkse termijnen gaat voldoen. In beroep heeft de Belastingdienst/Toeslagen ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van opzet of grove schuld gesteld dat [appellant] bij de betaling van de kosten van gastouderopvang niet heeft voldaan aan de zogenoemde kassiersfunctie.

Oordeel van de rechtbank

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] niet in aanmerking komt voor een persoonlijke betalingsregeling omdat sprake is van grove onachtzaamheid. De rechtbank acht daarbij van belang dat [appellant] niet heeft voldaan aan de kassiersfunctie. Voor het jaar 2011 verwijst de rechtbank daarvoor naar haar uitspraak van 27 november 2015 in zaak nr. 15/3356. Voor de jaren 2012 en 2013 volgt volgens de rechtbank uit de dossierstukken dat [appellant] een deel van de kosten van gastouderopvang rechtstreeks aan de gastouder heeft betaald.

Hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van grove schuld. Doordat de betalingen via het gastouderbureau zijn gedaan is voldaan aan de kassiersfunctie. De Belastingdienst/Toeslagen heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij wist of behoorde te weten dat de kinderopvangtoeslag over 2011, 2012 en 2013 op een te hoog bedrag was vastgesteld.

3.1.    Uitgangspunt van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) is, gelet op de artikelen 26 en 28, dat een belanghebbende, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot tot een terug te vorderen bedrag leidt dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, het bedrag van de terugvordering in zes weken moet terugbetalen. Artikel 31 van de Awir geeft de bevoegdheid nadere regels te stellen met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling dienaangaande. Hiervan is gebruik gemaakt met artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Awir. De mogelijkheid tot het treffen van een persoonlijke betalingsregeling is volgens het zesde lid van dit artikel niet van toepassing indien het ontstaan van de terugvordering is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner. In dat geval staat alleen de regeling van artikel 79.8a van de Leidraad Invordering 2008 voor een belanghebbende open en kan de Belastingdienst/Toeslagen onder omstandigheden een betalingsregeling van ten hoogste 24 maanden toestaan, waarbij de volledige schuld dient te worden voldaan.

    Voor de betekenis van de termen opzet en grove schuld heeft de Belastingdienst/Toeslagen aansluiting gezocht bij de tekst van paragraaf 2, eerste en tweede lid van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst/Toeslagen, luidend:

"1. Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid. Daarbij kan gedacht worden aan laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid. Bij grove schuld had belanghebbende redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat een te hoog bedrag aan tegemoetkoming zou kunnen worden toegekend.

2. Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten. Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijk opzet. Onder voorwaardelijk opzet wordt verstaan het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat de beboetbare gedraging wordt begaan."

3.2.    De rechtbank heeft in de voornoemde uitspraak van 27 november 2015 geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] over 2011 geen recht heeft op kinderopvangtoeslag. De rechtbank heeft in die uitspraak daartoe overwogen dat [appellant] een deel van de kosten van gastouderopvang rechtstreeks aan de gastouder heeft betaald waardoor niet is voldaan aan de kassiersfunctie. [appellant] heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld waardoor in rechte vaststaat dat [appellant] in 2011 niet heeft voldaan aan de kassiersfunctie en hij voor dat jaar om die reden geen recht heeft op kinderopvangtoeslag. Bij besluiten van 8 mei 2013 en 21 mei 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten kinderopvangtoeslag van [appellant] voor de jaren 2012 en 2013 herzien naar nihil. Uit de door [appellant] in bezwaar tegen deze besluiten overgelegde kwitanties en bankafschriften volgt dat hij ook in 2012 en 2013 de gastouder rechtstreeks heeft betaald door middel van contante betalingen, waardoor hij over die jaren evenmin aan de kassiersfunctie van het gastouderbureau heeft voldaan.

    Hoewel in dit geval niet aan de kassiersfunctie is voldaan, vormt dit onvoldoende grond voor het oordeel dat bij [appellant] sprake is geweest van grove onachtzaamheid waardoor hem opzet dan wel grove schuld kan worden verweten. In dat kader acht de Afdeling van belang dat de voorschotten kinderopvangtoeslag niet op rekening van [appellant], maar direct op rekening van het gastouderbureau zijn gestort en de Belastingdienst/Toeslagen op zichzelf niet bestrijdt dat [appellant] het gedeelte van de kosten dat voor zijn rekening komt heeft betaald. De Belastingdienst/Toeslagen heeft in dit licht bezien geen feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat [appellant] redelijkerwijs moest of had kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg zou hebben dat een te hoog bedrag aan tegemoetkoming zou worden toegekend.

    Gelet op het voorgaande komt de Afdeling tot de conclusie dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] niet in aanmerking komt voor een persoonlijke betalingsregeling omdat sprake is van grove onachtzaamheid.

3.3.    Het betoog slaagt.

Conclusie

4.    Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd behoeft geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2016 van de Belastingdienst/Toeslagen alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Awir voor vernietiging in aanmerking. De Belastingdienst/Toeslagen dient een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen en een persoonlijke betalingsregeling te treffen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het door de Belastingdienst/Toeslagen te nemen nieuwe besluit op het bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

5.    De Belastingdienst/Toeslagen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 maart 2017 in zaak nr. 16/5362;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 18 oktober 2016, kenmerk WAB/177615096/1.373.029;

V.    bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.004,00 (zegge: tweeduizend vier euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 296,00 (zegge: tweehonderdzesennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Jurgens    w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2018

85-809.