Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:498

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
201706079/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 oktober 2016 heeft de minister een door Psy Drechtsteden Zorg verbeurde dwangsom van € 10.000,00 ingevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706079/1/A2.

Datum uitspraak: 14 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Psy Drechtsteden Zorg B.V., gevestigd te Puttershoek, gemeente Binnenmaas,

appellante,

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (thans: de minister voor Medische Zorg),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2016 heeft de minister een door Psy Drechtsteden Zorg verbeurde dwangsom van € 10.000,00 ingevorderd.

Bij besluit van 16 juni 2017 heeft de minister het door Psy Drechtsteden Zorg hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft Psy Drechtsteden Zorg beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2018, waar Psy Drechtsteden Zorg, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. L. Schleeper en mr. E. van der Meule-Nienhuis, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Psy Drechtsteden Zorg verleent ambulante geestelijke gezondheidszorg in de regio Drechtsteden en Hoekse Waard. Zij komt in beroep tegen de invordering van een dwangsom die eerder is verbeurd.

Besluitvorming met betrekking tot de oplegging van de last onder dwangsom

2.    Aan Psy Drechtsteden Zorg is bij besluit van 9 juni 2016 een last onder dwangsom opgelegd, omdat niet is voldaan aan de in de artikelen 15 en 16 van de Wet toelating zorginstellingen (Wtzi) en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling verslaglegging Wtzi neergelegde verplichting om aan het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (hierna: CIBG) de Jaarverantwoording Zorg over het verslagjaar 2014 te verstrekken. Aan deze verplichting had voor 1 december 2015 voldaan moeten zijn. Door navraag bij het CIBG heeft de minister geconstateerd dat op 8 juni 2016 niet aan die verplichting was voldaan. Aan Psy Drechtsteden Zorg is een begunstigingstermijn van vier weken geboden om de Jaarverantwoording alsnog aan het CIBG te verstrekken. De minister heeft aan de last een dwangsom verbonden van € 1.000,00 voor iedere volledige week dat niet aan de last is voldaan, met een maximum van € 10.000,00. Psy Drechtsteden Zorg heeft tegen die beslissing geen bezwaar gemaakt.

Besluitvorming met betrekking tot de invordering

3.    Aan het besluit van 16 juni 2017 heeft de minister ten grondslag gelegd dat uit navraag bij het CIBG op 29 september 2016 is gebleken dat Psy Drechtsteden Zorg ook na ommekomst van de begunstigingstermijn de Jaarverantwoording Zorg 2014 niet heeft aangeleverd. Volgens de minister zijn alle dwangsommen tot een maximum van € 10.000,00 van rechtswege verbeurd.

Beroep

4.    Psy Drechtsteden Zorg betoogt dat de minister de last onder dwangsom ten onrechte heeft opgelegd. Zij heeft tijdig voldaan aan het aanleveren van de Jaarverantwoording over het verslagjaar 2014 door een beperkte verantwoording in te dienen. Psy Drechtsteden Zorg hoefde slechts beperkt te verantwoorden, omdat de zorg in onderaanneming werd verricht en de instelling geen personeel in dienst had. Ondanks de beperkte verantwoordingsplicht is tevens onverplicht een jaarrekening en een accountantsverklaring overgelegd. Voorts is het verzochte handtekeningenformulier ingediend. In dit kader merkt Psy Drechtsteden Zorg op dat voor het verslagjaar 2015 weer kan worden volstaan met een beperkte verantwoording zoals die ook voor het verslagjaar 2013 is gedaan, zodat onbegrijpelijk is waarom voor het verslagjaar 2014 een volledige verantwoording moest worden ingediend.

    Voorts voert zij aan dat zij bij de helpdesk van het CIBG nog navraag heeft gedaan of de aanlevering uiteindelijk correct was. Omdat dit het geval was, heeft Psy Drechtsteden Zorg geen bezwaar gemaakt tegen het besluit waarbij de last onder dwangsom is opgelegd. Voorts staan volgens Psy Drechtsteden Zorg in het besluit op bezwaar van 16 juni 2017 diverse onjuistheden en verkeerde aannames vermeld, terwijl zij wordt afgerekend op een mogelijke procedurele fout. Invordering van dwangsommen is in een dergelijk geval volgens Psy Drechtsteden Zorg een buitenproportionele maatregel. Zij verzoekt dan ook om de reeds betaalde dwangsom volledig kwijt te schelden.

4.1.    Het betoog van Psy Drechtsteden Zorg dat zij slechts beperkt hoefde te verantwoorden is, gelet op zijn inhoud, gericht tegen de bij besluit van 9 juni 2016 opgelegde last onder dwangsom. Daartegen heeft Psy Drechtsteden Zorg geen rechtsmiddelen aangewend en deze staat dan ook in rechte vast.

    De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar onder meer de uitspraken van 9 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3728) en 20 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1062), dat bezwaren die betrekking hebben op de rechtmatigheid van het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom, waaronder de bevoegdheid tot het opleggen van die last, niet meer aan de orde kunnen komen in het kader van de toetsing van de invorderingsbeschikking.

    Voor zover Psy Drechtsteden Zorg betoogt dat zij mocht vertrouwen op de mededeling van de helpdesk van het CIBG dat de aanlevering correct was, en zij om die reden geen bezwaar tegen de oplegging van de last onder dwangsom heeft ingediend, kan zij daarin niet worden gevolgd. Psy Drechtsteden Zorg heeft niet aannemelijk gemaakt dat de helpdesk van de CIBG deze toezegging heeft gedaan.

    Dat het besluit van 16 juni 2017 slordigheden bevat, hetgeen de minister ter zitting heeft erkend en waarvoor hij zijn excuses heeft aangeboden, is voorts geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan de minister in redelijkheid van invordering af had moeten zien.

    Het betoog faalt.

5.    Het beroep is ongegrond.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. Th.C. van Sloten en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Rijsdijk

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2018

705.