Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:479

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
201702972/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:1790, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juni 2016 heeft het CBR aan [appellant] een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA) opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702972/1/A2.

Datum uitspraak: 14 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 maart 2017 in zaak nr. 16/8131 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2016 heeft het CBR aan [appellant] een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA) opgelegd.

Bij besluit van 8 september 2016 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 maart 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. T. ten Velde, advocaat te Tilburg, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. I.S.B. Metaal zijn verschenen.

De Afdeling het onderzoek heropend en het CBR een schriftelijk vraag gesteld.

Bij brief van 19 december 2017 heeft het CBR zijn antwoord op deze vraag ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [appellant] hierop bij brief van 16 januari 2018 gereageerd.

De Afdeling heeft partijen verzocht toestemming te verlenen een nadere zitting achterwege te laten. Het CBR heeft hiertoe toestemming verleend. [appellant] heeft niet binnen de door de Afdeling gestelde termijn gereageerd op dit verzoek. De Afdeling heeft het onderzoek na het verstrijken van de termijn gesloten.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Op 30 mei 2016 is [appellant] door de politie aangehouden voor het rijden onder invloed van alcohol waarbij bij hem een ademalcoholgehalte van 385 µg/l geconstateerd. Hierop heeft de korpschef van de politie-eenheid Zeeland-West Brabant op 9 juni 2016 een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) aan het CBR gedaan van het vermoeden dat [appellant] niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van de categorie van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven. Naar aanleiding hiervan heeft het CBR, bij het besluit van 17 juni 2016, aan [appellant] een EMA opgelegd.

    [appellant] kan zich niet vinden in het besluit. Hij stelt dat niet hij, maar zijn broer op voornoemde datum als bestuurder is opgetreden.

Wettelijk kader

2.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat op grond van de processen-verbaal voldoende is komen vast te staan dat [appellant] onder invloed van alcohol een motorrijtuig heeft bestuurd. Het door [appellant] aangevoerde tegenbewijs biedt onvoldoende aanleiding om aan de juistheid van de processen-verbaal en de daarin opgenomen identificatie van [appellant] te twijfelen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het CBR gehouden was aan [appellant] een EMA op te leggen.

Hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het CBR er vanuit mocht gaan dat hij onder invloed een voertuig heeft bestuurd. [appellant] voert hiertoe aan dat hij slechts is herkend aan de hand van politiefoto’s en zijn identiteit op geen enkele andere wijze is gecontroleerd. De overweging van de rechtbank dat opsporingsambtenaren zijn getraind in gezichtsherkenning is onvoldoende onderbouwd. Er is niet aangegeven waaraan verbalisanten [appellant] hebben herkend. Familieleden lijken niet zelden op elkaar, waardoor er fouten kunnen worden gemaakt bij de identificatie. Er kan daarom niet zonder meer worden uitgegaan van de juistheid van het proces-verbaal. Er is daarnaast een plausibele verklaring gegeven waarom er een valse naam is opgegeven, die tevens wordt ondersteund door een gedetailleerde verklaring van [getuige]. Het was de broer van [appellant] die de auto bestuurde en zich voor [appellant] heeft uitgegeven, omdat hij een enkelband droeg en zich niet aan de meldplicht had gehouden.

    Bij brief van 6 juli 2017 heeft [appellant] nadere stukken toegezonden. Daarbij zijn twee foto’s overgelegd en een verklaring van zijn [broer] [appellant], waarin staat dat hij op of omstreeks mei 2016 gebruik heeft gemaakt van de auto van [getuige] en hij zich bij een verkeerscontrole heeft uitgegeven voor [appellant].

4.1.    Voor het opleggen van de EMA is voor het CBR voldoende dat op basis van de geconstateerde feiten met voldoende mate van zekerheid komt vast te staan dat [appellant] onder invloed van alcohol als bestuurder van een motorrijtuig is opgetreden. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1991).

    Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen, onder meer in deze uitspraak, mag een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt.

4.2.    Uit het proces-verbaal van bevindingen van 30 mei 2016 volgt dat de bestuurder van het motorrijtuig zich niet kon legitimeren. De bestuurder gaf op te zijn Mohamed [appellant], geboren op 19 juni 1992 te Tilburg, waarop de verbalisant hem heeft nagetrokken in het politiesysteem. Aan de hand van een foto in het herkenningsdienstsysteem van de politie van 22 december 2013 heeft de verbalisant geconstateerd dat [appellant] de juiste gegevens heeft opgegeven. De verbalisant heeft de foto aan het proces-verbaal van bevindingen toegevoegd. Voorts volgt uit het proces-verbaal dat getuige [getuige] achter in het voertuig zat. Zij heeft onder meer verklaard dat het haar auto was en deze op haar naam stond en dat zij woorden heeft gehad met haar vriend, tevens bestuurder.

    Op 5 oktober 2016 is [getuige] door de rechter-commissaris als getuige gehoord. Uit het proces-verbaal van dit verhoor volgt dat zij heeft verklaard dat het de broer van [appellant], [naam broer], was met wie zij in de auto zat. [broer] was toentertijd haar vriend. Zij heeft nooit een relatie met [appellant] gehad. Zij moest van [broer] zeggen dat hij [appellant] was, omdat [broer] een enkelband droeg en zich niet aan de meldplicht had gehouden. De broers lijken erg op elkaar, aldus [getuige].

4.3.    Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het CBR van de juistheid van de op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal en de daarin opgenomen identificatie van [appellant] mocht uitgaan. De rechtbank heeft hierbij terecht van belang geacht dat verbalisanten van de politie zijn getraind om personen te herkennen en te identificeren, ook indien geen sprake is van identificatie aan de hand van een identiteitsbewijs. Voorts heeft de rechtbank ter zitting zelf vastgesteld dat de huidige uiterlijke kenmerken van [appellant] nog steeds overeenkomen met de uiterlijke kenmerken zoals weergegeven op de in het herkenningsdienstsysteem van de politie opgenomen foto uit december 2013 en dat deze foto niet is verouderd. [appellant] heeft met de bij brief van 6 juli 2017 overgelegde foto’s van hemzelf en zijn [broer], gelet op de verschillende uiterlijke kenmerken die zij vertonen, niet aannemelijk gemaakt dat de verbalisanten bij de identificatie van een onjuiste vaststelling zijn uitgegaan. De uiterlijke kenmerken van zijn broer komen niet zodanig overeen met de uiterlijke kenmerken van [appellant] en de foto uit het herkenningsdienstsysteem dat aannemelijk is gemaakt dat de verbalisanten zijn broer voor [appellant] hebben aangezien. De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat [getuige] niet als een onafhankelijke getuige kan worden aangemerkt, waardoor haar latere verklaring, dat niet [appellant], maar zijn broer de bestuurder van de auto was, onvoldoende is om de op ambtseed, dan wel op ambtsbelofte gemaakte processen-verbaal, voor onjuist te houden. De enkele stelling dat [getuige] geen relatie met [appellant] heeft gehad, maar met zijn [broer], maakt niet dat daarmee haar onafhankelijkheid en de betrouwbaarheid van haar latere verklaring zijn aangetoond. Tot slot biedt ook de bij brief van 6 juli 2017 overgelegde verklaring van zijn [broer] geen objectieve steun voor de juistheid van de stelling van [appellant] dat hij niet op 30 mei 2016 is aangehouden, nu zijn broer niet als onafhankelijke getuige kan worden aangemerkt. Gelet op de processen-verbaal is met voldoende mate van zekerheid komen vast te staan dat [appellant] als bestuurder van een motorrijtuig is opgetreden. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het CBR terecht aan [appellant] een EMA heeft opgelegd.

4.4.    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier.

w.g. Slump    w.g. Van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2018

97-856. BIJLAGE - Wettelijk kader

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 130

1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

(…)

Artikel 131

1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:

a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid,

(…)

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 2

1. Een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage.

2. Indien een vermoeden als bedoeld in het eerste lid wordt gebaseerd op het gestelde in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onderdeel B, subonderdeel III, Drogerende stoffen, dient betrokkene bij minimaal één feit bestuurder te zijn geweest van een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is vereist.

Artikel 11

1. Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:

(…)

b. bij betrokkene in de hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰, maar lager is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰, of indien betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;

(…)

Bijlage 1 bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Feiten dan wel omstandigheden, die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven, dan wel, met uitzondering van de categorie AM, over de vereiste lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven:

(…)

B. Geschiktheid

(…)

III. Drogerende stoffen

Alcohol

a. bij betrokkene is een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰;

(…)