Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:478

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
201704709/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:4463, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 april 2015 heeft het college aan de stichting een projectsubsidie toegekend ter hoogte van € 17.773,00 voor de financiering van het project "Go for Gold Kids-Zaalvoetbal".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704709/1/A2.

Datum uitspraak: 14 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Stichting Ontwikkeling en Opleiding Futsal Limburg, gevestigd te Maastricht,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 mei 2017 in zaak nr. 15/3428 in het geding tussen:

de stichting

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg.

Procesverloop

Bij uitspraak van 17 mei 2017 heeft de rechtbank het door de stichting tegen het besluit van het college van 20 oktober 2015 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 27 november 2017.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Bij besluit van 14 april 2015 heeft het college aan de stichting een projectsubsidie toegekend ter hoogte van € 17.773,00 voor de financiering van het project "Go for Gold Kids-Zaalvoetbal". De hoogte van het bedrag wijkt af van het bedrag van € 22.083,00 waarom is verzocht in de subsidieaanvraag. Aan de lagere subsidietoekenning heeft het college ten grondslag gelegd dat de overheadkosten maximaal 10% van de projectkosten mogen bedragen. De projectkosten bedragen € 25.900,00, zodat slechts € 2.590,00 van de opgegeven overheadkosten van € 6.900,00 voor subsidie in aanmerking komt. Het resterende bedrag van € 4.310,00 dient voor rekening van de stichting te blijven.

    Bij brief van 15 juni 2015 heeft de stichting het college verzocht om voornoemde korting op de subsidie te heroverwegen. Zij stelt dat de overheadkosten volgens de gepubliceerde subsidieregels ten tijde van de aanvraag maximaal 20% van de projectkosten mochten zijn. Door toepassing van een maximum van 10% als gevolg van een beleidswijziging kan het project niet meer volledig worden uitgevoerd, aldus de stichting.

    Het college heeft de brief van 15 juni 2015 aangemerkt als bezwaarschrift en de stichting in de gelegenheid gesteld om aan te geven wat de reden was van de te late indiening ervan. De stichting heeft bij brief van 15 juli 2015 geantwoord dat op 1 mei 2015 mede namens de stichting bij een medewerker van de provincie per e-mail de vraag is voorgelegd hoe om te gaan met de nieuwe regels ten aanzien van de overheadkosten. Zij stelt dat deze medewerker hierop op 4 juni 2015 formeel per e-mail heeft gereageerd. In die e-mail staat dat als er een verzoek komt ten aanzien van de overheadkosten dit zal worden heroverwogen. De stichting heeft aangegeven dat zij dit verzoek met haar bezwaarschrift van 15 juni 2015 heeft gedaan. De reden van de overschrijding van de bezwaartermijn was dat zij in afwachting was van een ambtelijk advies van de provincie, aldus de stichting in haar brief van 15 juli 2015.

    Het college heeft het bezwaar bij besluit van 20 oktober 2015 niet-ontvankelijk verklaard omdat de aangevoerde omstandigheden de termijnoverschrijding niet verschoonbaar maken. De stichting heeft tegen dit besluit van het college beroep ingesteld, stellende dat de brief van 15 juni 2015 ten onrechte is aangemerkt als een bezwaarschrift. De rechtbank heeft dit standpunt van de stichting niet gevolgd en geoordeeld dat het college de brief van de stichting van 15 juni 2015 heeft kunnen aanmerken als een bezwaarschrift en dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hoger beroep van de stichting is gericht tegen dit oordeel van de rechtbank.

Hoger beroep

2.    De stichting betoogt primair dat zij geen bezwaarschrift heeft ingediend en subsidiair dat, indien er al sprake zou zijn van een bezwaarschrift, de overschrijding van de termijn voor het indienen daarvan verschoonbaar is.

Bezwaarschrift

2.1.    Anders dan de stichting betoogt, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college de brief van 15 juni 2015 heeft kunnen aanmerken als een bezwaarschrift. Hierbij is van belang dat de stichting in de brief, die is geadresseerd zoals in het besluit van 14 april 2015 onder het kopje "rechtsbescherming" is vermeld, heeft opgenomen dat haar is geadviseerd alsnog bezwaar in te dienen tegen de in mindering gebrachte korting en dat zij het college derhalve verzoekt de korting te heroverwegen. Uit de ontvangstbevestiging van 22 juni 2015 blijkt dat het college de brief heeft aangemerkt als bezwaar en het college heeft de stichting vervolgens bij brief van 29 juni 2015 in de gelegenheid gesteld om aan te geven waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Het college heeft daarbij vermeld dat indien de stichting niet tijdig reageert of indien de redenen onvoldoende zwaarwegend zijn, het bezwaarschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard. Bij brief van 15 juli 2015 heeft de stichting gereageerd zonder daarbij aan te geven dat ten onrechte wordt gesproken van een bezwaarschrift. Integendeel, zij heeft het expliciet over het bezwaarschrift van 15 juni 2015 en verklaart waarom zij de bezwaartermijn heeft overschreden. Dit had zij niet hoeven doen indien zij van mening was dat van een bezwaarschrift, en zodoende van een bezwaartermijn, geen sprake was. Het betoog van de stichting dat het college het verzoek op een gegeven moment als een bezwaarschrift is gaan aanduiden, in reactie waarop zij ook van een bezwaarschrift is gaan spreken, vindt geen bevestiging in het voorgaande. De stichting spreekt in haar brief van 15 juni 2015 immers zelf al over een bezwaar en zij heeft elk moment de mogelijkheid gehad om het college duidelijk te maken dat zij niet had beoogd een formeel bezwaarschrift in te dienen maar, zoals zij stelt, een verzoekschrift, strekkende tot heroverweging van de korting op de gevraagde subsidie.

Termijnoverschrijding en verschoonbaarheid

2.2.    Vaststaat dat het bezwaarschrift van de stichting tegen het besluit van 14 april 2015 buiten de ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geldende termijn van 6 weken is ingediend, nu de bezwaartermijn op 26 mei 2015 is verstreken. In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Daarbij is van belang dat deze bepaling alleen van toepassing is als de reden van verschoonbaarheid vóór afloop van de bezwaartermijn is ontstaan.

    De e-mailcorrespondentie van de zijde van de stichting met de provincie vormt, anders dan de stichting heeft aangevoerd, geen grond voor verschoonbaarheid. In het besluit van 14 april 2015 is duidelijk vermeld dat de stichting, indien zij het niet eens is met de inhoud van het besluit, binnen 6 weken na de dag waarop het besluit is verzonden een bezwaarschrift in moet dienen. Dat zij, naar zij stelt, in plaats daarvan de provincie heeft benaderd voor informatie over de korting op de subsidie en een reactie lang op zich heeft laten wachten, waardoor de bezwaartermijn was verstreken, dient daarom voor haar risico te blijven. Daarbij komt dat de volgens de stichting relevante e-mailcorrespondentie met de provincie niet is overgelegd, zodat de inhoud daarvan niet is te achterhalen. Voor zover de stichting onder verwijzing naar die correspondentie ervan uitging dat overschrijding van de bezwaartermijn haar niet zou worden tegengeworpen en zij daarbij een beroep doet op het vertrouwensbeginsel, kan dat reeds daarom niet slagen.

    De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college het bezwaar van de stichting terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.3.    Het betoog faalt.

Conclusie

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Daalder    w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2018

18-834.