Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:467

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
201701338/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:50, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 september 2015 heeft het college besloten tot invordering van een volgens hem door Riho verbeurde dwangsom ten bedrage van € 5.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701338/1/A1.

Datum uitspraak: 14 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Riho Nijmegen B.V., gevestigd te Nijmegen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 januari 2017 in zaak nr. 16/4511 in het geding tussen:

Riho

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen.

Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2015 heeft het college besloten tot invordering van een volgens hem door Riho verbeurde dwangsom ten bedrage van € 5.000,00.

Bij besluit van 24 juni 2016 heeft het college het door Riho daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 januari 2017 heeft de rechtbank het door Riho daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Riho hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 december 2017, waar Riho, vertegenwoordigd door [gemachtigden], is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Riho exploiteert een bedrijf voor de op- en overslag van plantaardige en dierlijke oliën en vetten aan de Nijverheidsweg 53 te Nijmegen. Bij besluit van 27 mei 2008 heeft het college aan haar een vergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van de inrichting. Aan deze vergunning is onder meer het voorschrift verbonden dat een tank moet zijn geplaatst in een ruimte die als vloeistofkerende bak is uitgevoerd.

    Bij besluit van 13 februari 2015 heeft het college Riho een last onder dwangsom opgelegd omdat was geconstateerd dat onder meer dit vergunningvoorschrift werd overtreden. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de opslagtanks, aangeduid als de opslagtanks 1 tot en met 7 (3e fase), niet zijn geplaatst in een ruimte die als vloeistofkerende bak is uitgevoerd. Het college heeft Riho gelast de opslagtanks 1 tot en met 7 vóór 1 juni 2015 te ledigen en leeg te houden. Daarbij heeft het college bepaald dat de tanks weer gebruikt mogen worden als ze in een ruimte geplaatst worden die als vloeistofkerende bak is uitgevoerd en dat dit voor de huidige locatie pas kan nadat sanering van de bodem is afgerond.

    Op 27 augustus 2015 is volgens het college geconstateerd dat Riho de opgelegde last niet heeft nageleefd, omdat een van de opslagtanks in gebruik was genomen voor opslag, terwijl rondom de opslagtanks nog geen vloeistofkerende bak aanwezig was. Als gevolg hiervan is volgens het college een dwangsom van € 5.000,00 verbeurd. Bij het besluit van 15 september 2015 is het college overgegaan tot invordering van deze dwangsom. Riho kan zich daarmee niet verenigen.

Overtreding van de last

2.    Riho betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij de last niet heeft overtreden, zodat zij geen dwangsom heeft verbeurd. Hiertoe heeft zij aangevoerd en ter zitting toegelicht dat de opslagtanks 1 tot en met 7, ook wel aangeduid als de oude opslagtanks, zich bevinden op hetzelfde terrein als waarop andere opslagtanks, aangeduid als de nieuwe opslagtanks, aanwezig zijn. Dit terrein was volgens Riho voorzien van een vloeistofdichte vloer en omgeven door een vloeistofdichte muur. Voorheen bevond zich een opening in deze muur. Deze opening is volgens Riho gedicht door het plaatsen van betonblokken. Zij heeft het college daarover op 4 augustus en 18 augustus 2015 geïnformeerd en het college heeft volgens haar met deze oplossing ingestemd. Hiermee was volgens haar ook om de opslagtanks 1 tot en met 7 een vloeistofkerende bak als bedoeld in het besluit van 13 februari 2015 gerealiseerd.

2.1.    Aan het invorderingsbesluit ligt een controlerapport van een op 27 augustus 2015 uitgevoerde controle ten grondslag. Daarin is vermeld dat een toezichthouder van de Omgevingsdienst Regio Nijmegen op die datum de inrichting van Riho heeft bezocht in verband met een melding van de brandweer over een ongewoon voorval. Volgens het controlerapport heeft de toezichthouder vastgesteld dat geen sprake is van een vloeistofkerende bak rondom de opslagtanks 1 tot en met 7 en dat in ieder geval in één van deze opslagtanks condensaat/influent water van een ander bedrijf was opgeslagen.

2.2.    Niet is gebleken dat bij de controle van 27 augustus 2015 is miskend dat op dat moment reeds betonblokken voor een voorheen aanwezige opening in de muur om het terrein waren geplaatst. Zoals het college in het besluit op bezwaar van 24 juni 2016 heeft uiteengezet, hield de plaatsing van deze betonblokken verband met een andere last onder dwangsom die was opgelegd bij besluit van 5 augustus 2015. Die last was opgelegd omdat was gebleken dat de muur rondom het terrein waarop de tanks staan, was onderbroken en daardoor geen opvangvoorziening vormde voor de nieuwe tanks. Voor zover die last, naar is gesteld, is nageleefd door het plaatsen van betonblokken, betekent dat nog niet dat tevens is voldaan aan de last die is opgelegd bij het besluit van 13 februari 2015. In laatstvermelde last staat wat betreft de opslagtanks 1 tot en met 7 dat het realiseren van een vloeistofkerende bak pas mogelijk is na sanering van de bodem. Daaruit blijkt dat die last niet kon worden nageleefd door het enkele herstellen van een opening in de muur om het terrein. Ter zitting is voorts gebleken dat de bodemsanering op 27 augustus 2015 nog niet was afgerond.

    Het betoog faalt.

Bijzondere omstandigheden

3.    Riho betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in redelijkheid niet tot invordering van de verbeurde dwangsom kon overgaan. Hiertoe voert hij aan dat de stof die op 27 augustus 2015 in een van de tanks was opgeslagen ongeveer 500 m3 effluent water van een zuiveringsinstallatie van een klant van Riho betrof. In verband met een calamiteit bij deze klant, heeft zij haar opslagtank ter beschikking gesteld om dit effluent water voor enkele dagen op te slaan. Daarmee zijn nadelige gevolgen voor het milieu, zoals het in het oppervlaktewater terechtkomen van dit effluent water, voorkomen. Een andere oplossing om dergelijke gevolgen te voorkomen was redelijkerwijs niet mogelijk, aldus Riho.

3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1218), dient bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de Memorie van Toelichting bij artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

    De calamiteit waarop Riho zich beroept, vond plaats bij een ander bedrijf en op een ander terrein dan dat van Riho. Reeds daarom heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat overtreding van de last door Riho in dit geval gerechtvaardigd was en een bijzondere omstandigheid oplevert op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk had behoren af te zien van invordering.

    Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2018

374-727.