Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:465

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
201701029/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2016 heeft het college voor nieuw te realiseren gebouwen van het zorghotel op het perceel aan de Retraitehuisweg 6 te Zenderen een hogere waarde voor de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai vastgesteld van 51 dB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/154
Milieurecht Totaal 2018/6754
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701029/1/R3.

Datum uitspraak: 14 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de Stichting Leefbaar Buitengebied, gevestigd te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau, [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], en [appellant sub 3], wonend te Borne (hierna: Stichting Leefbaar Buitengebied en anderen)

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Borne,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2016 heeft het college voor nieuw te realiseren gebouwen van het zorghotel op het perceel aan de Retraitehuisweg 6 te Zenderen een hogere waarde voor de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai vastgesteld van 51 dB.

Tegen dit besluit hebben Stichting Leefbaar Buitengebied en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Leefbaar Buitengebied en anderen en De Zwanenhof B.V. hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2017, waar Stichting Leefbaar Buitengebied en anderen, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, is verschenen. Verder zijn verschenen het college, vertegenwoordigd door mr. A. Otten en De Zwanenhof B.V., vertegenwoordigd door mr. J. Gundelach, advocaat te Almelo, en bijgestaan door J.C. Mijdam.

Overwegingen

1.    Het besluit tot vaststelling van de hogere waarde is genomen met het oog op de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Borne, herziening Zwanenhof". Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de raad van de gemeente Borne bij besluit van 12 april 2016. De Afdeling heeft op

7 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1516, uitspraak gedaan op de tegen het besluit tot vaststelling van het plan ingediende beroepen van onder meer [appellant sub 2] en [appellant sub 3]. De Afdeling heeft in die uitspraak het plan vernietigd voor zover het betreft artikel 4.1, onder a, van de planregels en zelf in de zaak voorzien door deze planregel te herformuleren. Daarmee is het bestemmingsplan onherroepelijk geworden.

2.    Ter beoordeling staat in de eerste plaats of Stichting Leefbaar Buitengebied en anderen nog belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep tegen het hogere waarde-besluit.

2.1.    Desgevraagd hebben Stichting Leefbaar Buitengebied en anderen ter zitting in dat verband naar voren gebracht dat een deugdelijk hogere waarde-besluit niet alleen van belang was met het oog op de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Borne, herziening Zwanenhof", maar ook nog van belang kan zijn in verband met besluitvorming over de verlening van omgevingsvergunningen voor het zorghotel. Concreet hebben zij daarbij gewezen op een inmiddels verleende omgevingsvergunning voor de Zwanenhof, waarbij toepassing is gegeven aan de zogeheten binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in het bestemmingsplan. Ook is volgens hen niet uitgesloten dat er een noodzaak zou kunnen ontstaan voor het ‘buitenplans’ afwijken van het bestemmingsplan. Verder hebben zij naar voren gebracht dat het belang onder meer daarin is gelegen dat het college hun naar voren gebrachte zienswijze niet (op onderdelen) niet-ontvankelijk had mogen achten.

2.2.    Artikel 76 van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) luidt als volgt:

"1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, worden ter zake van de geluidsbelasting, vanwege de weg waarlangs die zone ligt, van de gevel van woningen, van andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen binnen die zone de waarden in acht genomen, die ingevolge artikel 82 en 100 als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt.

2. In afwijking van het eerste lid worden bij de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als in dat lid bedoeld hogere waarden in acht genomen, voor zover:

a. met toepassing van artikel 83, 85 of 100a voor de vaststelling van het bestemmingsplan of het wijzigings- of uitwerkingsplan zodanige waarden zijn vastgesteld, dan wel

b. zodanige waarden noodzakelijk zijn als gevolg van een vaststelling van het plan in afwijking van het ontwerp, zoals dit ter inzage heeft gelegen, welke waarden redelijkerwijs met toepassing van artikel 83, 85 of 100a, zullen worden vastgesteld.

(…)"

Artikel 76a van de Wgh luidt als volgt:

"Bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° of 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover het betreft een afwijking voor een termijn langer dan tien jaar van het bestemmingsplan wordt afgeweken, die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, worden ter zake van de geluidsbelasting, vanwege de weg waarlangs die zone ligt, van de gevel van woningen, van andere geluidsgevoelige gebouwen of aan de grens van geluidsgevoelige terreinen binnen die zone de waarden in acht genomen, die ingevolge de artikelen 82, 83, 85, 100 en 100a als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt."

2.3.    Het in beroep bestreden hogere waarde-besluit is blijkens de bewoordingen van het besluit genomen met het oog op de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Borne, herziening Zwanenhof". Uit de Wgh noch uit enige andere wettelijke bepaling volgt dat een hogere waarde-besluit vereist is voor het kunnen verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Ook wanneer toepassing van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in het bestemmingsplan aan de orde is, geldt niet het vereiste dat een hogere waarde-besluit in acht moet worden genomen. Een eventuele vernietiging van het hogere waarde-besluit heeft dus niet tot gevolg dat dergelijke omgevingsvergunningen niet rechtmatig kunnen worden verleend. Voor zover Stichting Leefbaar Buitengebied en anderen naar voren hebben gebracht dat ook een ‘buitenplanse’ afwijking van het bestemmingsplan nodig zou kunnen zijn, wijst de Afdeling op de afzonderlijke regeling daarover in artikel 76a van de Wgh. De Afdeling begrijpt deze bepaling aldus dat wanneer een beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning als genoemd in dat artikel van de Wgh aan de orde is, daarbij een zelfstandige, hernieuwde, beoordeling aan de hand van de in de artikelen 82 en 83 van de Wgh normering moet plaatsvinden. Wanneer die beoordeling zou uitwijzen dat een hogere waarde-besluit noodzakelijk is, zal een nieuw hogere waarde-besluit moeten worden genomen, waartegen opnieuw rechtsmiddelen open staan. Aan het thans in beroep bestreden hogere waarde-besluit komt in dat verband geen betekenis meer toe.

2.4.    Voor zover Stichting Leefbaar Buitengebied en anderen erop hebben gewezen dat het college de ingediende zienswijze niet op onderdelen niet-ontvankelijk had mogen achten, merkt de Afdeling op dat ook daarin onvoldoende reden is gelegen om tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep over te gaan. Als Stichting Leefbaar Buitengebied en anderen zouden worden gevolgd in hun redenering dat de ingediende zienswijze niet op die manier had mogen worden afgedaan, zou dat leiden tot een uitspraak vanwege slechts de principiële betekenis daarvan. Dit vormt volgens vaste jurisprudentie onvoldoende reden om een beroep inhoudelijk te beoordelen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2310).

3.    De Afdeling concludeert op basis van het vorenstaande dat er geen belang bestaat om tot een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit over te gaan. Het beroep is niet-ontvankelijk.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, griffier.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Klein Nulent

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2018

218.