Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:461

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
201707116/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 augustus 2017 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707116/1/V1.

Datum uitspraak: 12 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 augustus 2017 in zaak nr. NL17.6539 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2017 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 28 augustus 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. K. Yousef, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van de vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard, omdat de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: de VAE) voor de vreemdeling een veilig derde land zijn.

2.    Hetgeen de vreemdeling in de grief heeft aangevoerd over toegang tot de VAE, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vraag opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeft, wordt, gelet op het bepaalde in artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan.

3.    Voorts klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd dat de VAE het non-refoulementbeginsel naleven en in de VAE bescherming overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag wordt geboden als bedoeld in artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder c en e, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

4.    De in het hogerberoepschrift opgeworpen rechtsvraag of de VAE een veilig derde land zijn, heeft de Afdeling beantwoord in de uitspraak van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3381. In het besluit heeft de staatssecretaris aan zijn standpunt dat de VAE voor de vreemdeling als veilig derde land kunnen worden beschouwd geen andere motivering ten grondslag gelegd dan die welke de Afdeling in de uitspraak van 13 december 2017 ondeugdelijk heeft bevonden. Gelet hierop, slaagt de grief.

5.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit alsnog gegrond verklaren en het besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb vernietigen.

6.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 augustus 2017 in zaak nr. NL17.6539;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 8 augustus 2017, V-nummer [...];

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.503,00 (zegge: vijftienhonderddrie euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Willems

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2018

412-827.