Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:446

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
201800011/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 november 2017 heeft de staatssecretaris de vreemdeling medegedeeld dat hij aan Italië zal worden overgedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800011/1/V3.

Datum uitspraak: 8 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 december 2017 in zaak nr. NL17.13702 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2017 heeft de staatssecretaris de vreemdeling medegedeeld dat hij aan Italië zal worden overgedragen.

Bij uitspraak van 28 december 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Bij brief heeft de vreemdeling het hoger beroep nader aangevuld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling klaagt dat de rechtbank bij het geven van toepassing aan artikel 6:22 van de Awb de staatssecretaris ten onrechte niet heeft veroordeeld in de door hem gemaakte proceskosten.

1.1.    De rechtbank heeft overwogen dat een gebrek kleeft aan het besluit, nu de vreemdeling niet in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze op het voornemen in te dienen. De rechtbank heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd, maar heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. Gelet op dit gebrek, had zij de staatssecretaris moeten veroordelen tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten.

De grief slaagt.

2.    Hetgeen voor het overige in hoger beroep is aangevoerd, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan.

3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft nagelaten de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

4.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 december 2017 in zaak nr. NL17.13702, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te veroordelen tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;

III.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.

w.g. Van der Wiel    w.g. Vonk

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2018

345-841.