Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:442

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
201701455/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 10 januari 2017 in zaak nr. 16/2183.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701455/1/A3.

Datum uitspraak: 7 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)).

Procesverloop

[verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 10 januari 2017 in zaak nr. 16/2183.

Ter zitting op 23 januari 2018 heeft [verzoeker] het hoger beroep ingetrokken en heeft hij de Afdeling verzocht de minister van Justitie en Veiligheid te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 januari 2018, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen, rechtsbijstandverlener te Utrecht, en de minister, vertegenwoordigd door mr. W.G.G. de Bakker, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de korpschef van politie, vertegenwoordigd door mr. N.N. Bontje, advocaat te Den Haag, gehoord.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb kan, in geval van intrekking van het hoger beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het hogerberoepschrift is tegemoetgekomen, dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van die wet worden veroordeeld.

2.    [verzoeker] heeft verzocht om een afschrift van alle gegevens over verkeersovertredingen die in 2012 zijn begaan met voertuigen die stonden geregistreerd op naam van het toenmalige Ministerie van Veiligheid en Justitie en het toenmalige Ministerie van Infrastructuur en Milieu. De minister heeft 10 zaakoverzichten verstrekt, met uitzondering van kentekens en voertuigkenmerken. Ter zitting bij de Afdeling heeft de minister nadere informatie verstrekt over de voertuigen waarmee de verkeersovertredingen zijn begaan. Naar aanleiding daarvan heeft [verzoeker] het hoger beroep ingetrokken.

3.    Door ter zitting bij de Afdeling nadere informatie te verstrekken, is de minister gedeeltelijk aan [verzoeker] tegemoetgekomen. Het verzoek om proceskostenveroordeling dient daarom op na te melden wijze te worden toegewezen. Voorts moet de minister ingevolge artikel 8:41, zevende lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb het door [verzoeker] betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

II.    verstaat dat de minister van Justitie en Veiligheid aan [verzoeker] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, griffier.

w.g. Borman    w.g. Herweijer

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2018

640.