Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:4314

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2018
Datum publicatie
02-01-2019
Zaaknummer
201803891/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 oktober 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/15
JV 2019/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803891/1/V1.

Datum uitspraak: 27 december 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 9 april 2018 in zaak nr. 17/16215 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 9 november 2017 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 april 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.J. Verwers, advocaat te Wageningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Artikel 64 van de Vw 2000 en het toepasselijke beleid uit de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    De vreemdeling is afkomstig uit Guinee. Omdat zijn asielaanvraag is afgewezen, moet hij terug naar Guinee. De vreemdeling heeft gevraagd zijn uitzetting op te schorten. Hij stelt, onder verwijzing naar de e-mail van 27 oktober 2017 van zijn psycholoog en psychiater (hierna: de e-mail respectievelijk de behandelaars), dat hij door de feitelijke uitzetting of de aankondiging daarvan in een medische noodsituatie zal raken.

    In geschil is of uit het arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2017, C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127, volgt dat bij de beoordeling van een aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 moet worden betrokken of de feitelijke uitzetting van een vreemdeling of de aankondiging daarvan een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidssituatie inhoudt.

Advisering

3.    De staatssecretaris heeft voor de beoordeling van de aanvraag het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 27 september 2017 (hierna: het BMA-advies) gebruikt. Op verzoek van de rechtbank heeft de staatssecretaris de e-mail aan het BMA voorgelegd. In reactie daarop heeft het BMA de nota van 21 februari 2018 (hierna: de BMA-nota) uitgebracht. De BMA-nota heeft niet geleid tot een aanvullend standpunt van de staatssecretaris.

    In het BMA-advies is toegelicht dat het uitblijven van behandeling niet leidt tot een medische noodsituatie op korte termijn. Verder kan de vreemdeling volgens het BMA-advies reizen en zijn er geen aanwijzingen dat er enige medische voorziening nodig is vooraf, tijdens of direct na de reis. Wel wordt aanbevolen een schriftelijke overdracht van de medische gegevens mee te nemen, de medicatie te continueren tijdens de reis en voldoende medicatie mee te nemen om de periode van de reis te overbruggen.

    In de BMA-nota is nader ingegaan op de beoordeling door het BMA van het begrip medische noodsituatie en waarom er voor het opstellen van het BMA-advies geen noodzaak is gezien de vreemdeling persoonlijk te beoordelen.

Aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft de staatssecretaris niet gevolgd in zijn standpunt dat de beoordeling in het kader van artikel 64 van de Vw 2000 beperkt is tot de vraag of een vreemdeling kan reizen en of bij het uitblijven van behandeling een medische noodsituatie zal ontstaan en dat de gevolgen van de feitelijke uitzetting buiten die beoordeling vallen. De rechtbank heeft in dit verband, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980, overwogen dat uit het arrest C.K. volgt dat als een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, de staatssecretaris bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.

    De rechtbank heeft verder uit de e-mail afgeleid dat de behandelaars de psychische gezondheidstoestand van de vreemdeling als bijzonder ernstig aanmerken en verwachten dat zijn feitelijke uitzetting of de aankondiging daarvan zal leiden tot forse decompensatie, bestaande uit psychotisch escaleren of suïcidaal reageren. De staatssecretaris heeft daarom volgens de rechtbank, mede gezien het arrest C.K., ten onrechte geen nader onderzoek laten doen naar de gevolgen van de feitelijke uitzetting van de vreemdeling of de aankondiging daarvan in relatie tot het ontstaan van een medische noodsituatie en of naar aanleiding daarvan wellicht meer of andere reisvereisten moeten worden gesteld. De BMA-nota volstaat volgens de rechtbank niet, omdat daarin het door de vreemdeling gestelde risico op schending van artikel 3 van het EVRM door de feitelijke uitzetting of de aankondiging daarvan niet is beoordeeld. Het besluit is daarom volgens de rechtbank in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Grief

5.    De enige grief van de staatssecretaris is gericht tegen de onder 4 weergegeven overwegingen.

    De staatssecretaris voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het arrest C.K. niet van toepassing is, omdat het in de voorliggende zaak niet gaat om de overdracht van een asielzoeker naar een andere lidstaat in het kader van de Dublinverordening (PB 2013 L 180). Ook wijst hij er in dit verband op dat, anders dan in de zaak die heeft geleid tot het arrest C.K., de medische situatie van de vreemdeling wel is beoordeeld door het BMA. Verder voert de staatssecretaris aan dat er in de BMA-nota terecht van uitgegaan is dat de relatie tussen de feitelijke uitzetting of de aankondiging daarvan en het ontstaan van een medische noodsituatie niet wordt beoordeeld door het BMA. Hij verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3548, 28 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3215, en 28 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1442.

    De staatssecretaris voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de e-mail te weinig concreet is om af te doen aan het BMA-advies en de BMA-nota, zodat hij niet onzorgvuldig heeft gehandeld door geen nader advies aan het BMA te vragen over de medische situatie van de vreemdeling tijdens de feitelijke uitzetting of de aankondiging daarvan en het stellen van reisvereisten.

Beoordeling

6.    Het Hof heeft in het arrest C.K. (punten 68 en 69) voor de uitleg van artikel 4 van het EU Handvest gewezen op de rechtspraak van het EHRM over artikel 3 van het EVRM en heeft daarbij, voor de vraag of lijden dat wordt veroorzaakt door een natuurlijk optredende lichamelijke of geestelijke ziekte onder artikel 3 van het EVRM valt, aangesloten bij de principiële overwegingen van het arrest van het EHRM van 13 december 2016, Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD00417381, (punten 174 en 175). Het Hof heeft aanvullend overwogen (punten 73 en 74) dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidssituatie inhoudt. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 3 november 2017.

    De Afdeling is in onder meer de uitspraak van 28 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2628, ingegaan op de betekenis van het arrest Paposhvili voor een besluit waarbij de staatssecretaris in het kader van artikel 64 van de Vw 2000 advies heeft gevraagd aan het BMA. De Afdeling is in die uitspraak, voor zover hier van belang, ingegaan op het begrip medische noodsituatie in relatie tot artikel 3 van het EVRM. In dat kader heeft de Afdeling overwogen dat uit het arrest Paposhvili niet kan worden afgeleid dat het BMA bij de beoordeling van de medische noodsituatie op korte termijn ook de te verwachten medische gevolgen van een uitzetting zelf moet betrekken. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat dit onverlet laat dat het BMA, indien de gezondheidstoestand van een vreemdeling daartoe aanleiding geeft, medische reisvereisten in een advies kan opnemen om een zorgvuldige uitzetting te waarborgen.

6.1.    De staatssecretaris voert op zichzelf terecht aan dat het arrest C.K. niet van toepassing is op de aankondiging van de feitelijke uitzetting. Die aankondiging gebeurt immers als de vreemdeling nog in Nederland is en staat daarmee los van de uitzetting zelf. De staatssecretaris wijst daarom terecht op de uitspraak van 28 november 2016 waarin de Afdeling in dit verband heeft overwogen dat artikel 64 van de Vw 2000 niet gaat over gebeurtenissen tijdens een behandeltraject in Nederland.

6.2.    Dat het in deze zaak niet gaat om de overdracht van een asielzoeker naar een andere lidstaat in het kader van de Dublinverordening, betekent, anders dan de staatssecretaris aanvoert, niet dat het arrest C.K. niet van belang is voor de beoordeling van een aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000. Omdat artikel 64 van de Vw 2000 gaat over uitzetting in relatie tot de gezondheidstoestand van een vreemdeling, is de hiervoor onder 6 weergegeven aanvulling die in het arrest C.K. op het arrest Paposhvili is gegeven, ook in dit kader van belang.

    Het arrest C.K. doet op zichzelf niet af aan de wijze van beoordeling van een aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 zoals - mede naar aanleiding van het arrest Paposhvili - is weergegeven in de paragrafen A3/7.1 en A3/7.1.3 van de Vc 2000. Uit het arrest C.K. volgt echter dat de staatssecretaris in het kader van artikel 64 van de Vw 2000 ook moet bezien of de feitelijke uitzetting van een vreemdeling met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening kan leiden tot een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM. De staatssecretaris voert, mede gelet op de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2017, terecht aan dat die beoordeling niet kan plaatsvinden in het kader van het begrip medische noodsituatie. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraken van 15 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:92, en 6 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1154. Die beoordeling zal daarom moeten plaatsvinden in het kader van de te stellen reisvereisten.

    De omstandigheid dat in deze zaak, anders dan in de zaak die heeft geleid tot het arrest C.K., een BMA-advies is uitgebracht, doet hieraan niet af. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 15 januari 2018.

6.3.    De Afdeling vat de overwegingen hiervoor als volgt samen. De staatssecretaris moet bij de beoordeling van een aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 in het kader van de vraag of een vreemdeling medisch gezien in staat is om te reizen, ook beoordelen of de feitelijke uitzetting van een vreemdeling kan leiden tot een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM en welke reisvereisten in dat verband moeten worden gesteld. Zoals ook volgt uit de in het beleid gemaakte tweedeling tussen reizen en medische noodsituatie, valt deze beoordeling niet samen met de beoordeling of het uitblijven van behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Verder blijft staan dat het ook buiten het kader van artikel 3 van het EVRM nodig kan zijn om reisvereisten in een BMA-advies op te nemen om een zorgvuldige uitzetting te waarborgen.

6.4.    Niet in geschil is dat uit de e-mail volgt dat de behandelaars verwachten dat de feitelijke uitzetting van de vreemdeling zal leiden tot forse decompensatie, bestaande uit psychotisch escaleren of suïcidaal reageren. In het BMA-advies was dit aspect nog niet betrokken en in de BMA-nota is geen medisch inhoudelijke reactie op de e-mail gegeven. Anders dan de staatssecretaris aanvoert, kan daarom niet worden gezegd dat de e-mail onvoldoende concreet is in relatie tot deze adviezen. Gezien de overwegingen onder 6.2 en 6.3 heeft de rechtbank daarom terecht overwogen dat de staatssecretaris ten onrechte niet nader heeft laten onderzoeken of naar aanleiding van de feitelijke uitzetting, al dan niet in het kader van artikel 3 van het EVRM, wellicht meer of andere reisvereisten moeten worden gesteld. De rechtbank heeft daarom op dit punt terecht overwogen dat het besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Awb.

6.5.    De grief faalt.

Conclusie

7.    Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet, met verbetering van de gronden, worden bevestigd.

8.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een griffierecht van € 508,00 (zegge: vijfhonderdacht euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. Van Eck    w.g. De Vink

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2018

154. BIJLAGE

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 64

Uitzetting blijft achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling […] niet verantwoord is om te reizen.

Vreemdelingencirculaire 2000

A3/7.1. Algemeen

De IND kan uitstel van vertrek verlenen op grond van artikel 64 Vw als:

• De vreemdeling medisch gezien niet in staat is om te reizen; of

• Er een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen.

A3/7.1.1. Vreemdeling is niet in staat om te reizen

De vreemdeling krijgt uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw als BMA aangeeft dat voor de vreemdeling […] vanwege de gezondheidssituatie medisch gezien niet verantwoord is om te reizen.

A3/7.1.3. Reëel risico op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen

De vreemdeling krijgt uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw, als sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen.

Er is uitsluitend sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM:

• als uit het advies van het BMA blijkt dat het achterwege blijven van de medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie; en

• als de noodzakelijke medische behandeling in het land van herkomst of bestendig verblijf niet beschikbaar is; of

• als in geval de noodzakelijke medische behandeling wel beschikbaar is, gebleken is dat deze aantoonbaar niet toegankelijk is.

Medische noodsituatie

Onder een medische noodsituatie verstaat de IND: die situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een aandoening, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een termijn van drie maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.