Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:4258

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2018
Datum publicatie
27-12-2018
Zaaknummer
201801543/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:206, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 maart 2017 heeft het college geweigerd [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van zeven zelfstandige appartementen op het perceel Herenstraat 7-7a te Leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801543/1/A1.

Datum uitspraak: 27 december 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Leiden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 januari 2018 in zaak nr. 17/3374 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden.

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2017 heeft het college geweigerd [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van zeven zelfstandige appartementen op het perceel Herenstraat 7-7a te Leiden.

Bij uitspraak van 11 januari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. P.H.J. Körver, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Kooij, bijgestaan door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen. Aan de zijde van het college is tevens verschenen R.M.D. Loomans.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is voornemens zeven appartementen te realiseren op het perceel. Daarvoor wordt het bestaande hoofdgebouw aan de zijkant vergroot en uitgebreid met een nieuwe verdieping en de bestaande garage aan de achterzijde verbouwd tot een woongebouw met twee verdiepingen.

2.    Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Zuidelijke Schil 2009". De raad van de gemeente Leiden heeft op 16 februari 2017 geweigerd een verklaring van geen bedenkingen te verlenen, omdat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft vervolgens geweigerd de omgevingsvergunning te verlenen.

    [appellant] is het niet eens met dit besluit en heeft daartegen rechtsmiddelen aangewend.

Beoordeling van het hoger beroep

3.    In artikel 2.27, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), gelezen in samenhang met artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, is bepaald dat, indien sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 3˚, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, niet wordt verleend, dan nadat de raad heeft verklaard daartegen geen bedenkingen te hebben. De inhoud van het besluit van de raad wordt in het besluit omtrent de omgevingsvergunning verwerkt. Dit betreft niet alleen de verlening van een verklaring van geen bedenkingen, maar ook de weigering van de raad om de verklaring van geen bedenkingen te verlenen. Zoals de rechtbank heeft overwogen, wordt de rechtmatigheid van het besluit omtrent de verklaring van geen bedenkingen getoetst in het kader van het beroep tegen het besluit inzake de omgevingsvergunning.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan leidt tot een ongewenste verdichting van het beschermd stadsgezicht. Hij voert daartoe aan dat er veel omgevingsvergunningen zijn verleend voor bouwplannen die een verdichting tot gevolg hebben. Volgens [appellant] is het feit dat er in dit geval een nieuw hoofdgebouw buiten het bebouwingsvlak wordt gebouwd niet een relevant verschil.

4.1.    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan leidt tot een verdichting van het nu al dichtbebouwde beschermd stadsgezicht. Over de door [appellant] vermelde gevallen die volgens hem vergelijkbaar zijn met zijn geval en waarin wel een vergunning is verleend, heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat deze vergunningen betrekking hebben op de verhoging van bestaande hoofdgebouwen met een kap. Het bouwplan van [appellant] omvat naast een verhoging van het hoofdgebouw ook een uitbreiding daarvan buiten het bebouwingsvlak en een verhoging van een garage op het perceel. Van gelijke of vergelijkbare gevallen is volgens de raad geen sprake.

4.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de raad voldoende heeft gemotiveerd dat de door [appellant] bedoelde gevallen niet vergelijkbaar zijn met het geval van [appellant]. Anders dan [appellant] in hoger beroep stelt, heeft de rechtbank daarbij terecht van belang geacht dat de aanvraag van [appellant], anders dan de overige aanvragen, mede ziet op het oprichten van een nieuw hoofdgebouw buiten het bouwvlak. Verder heeft de rechtbank terecht meegewogen dat op de verleende omgevingsvergunningen een ander planologisch regime van toepassing is en de betreffende panden niet naast een beeldbepalend pand staan.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan leidt tot een aantasting van privacy van naburige woningen. Hij voert daartoe aan dat de raad teveel rekening heeft gehouden met de privacy van anderen.

5.1.    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan leidt tot een aantasting van privacy van naburige bebouwing. Volgens de raad is openheid, groen en ruimte in de zuidelijke schil van Leiden schaars en heeft de aanwijzing van dit deel van de stad als beschermd stadsgezicht mede ten doel de ruimtelijke karakteristiek te behouden. Als gevolg van de kap van, en de raampartijen in zowel de garage als het hoofdgebouw, vermindert de privacy en zonlichttoetreding van omliggende percelen. Voorts wordt het uitzicht van het perceel Watergeuzenstraat 2 aangetast. Deze factoren maken, in combinatie met de optredende verdichting, dat het bouwplan ongunstige effecten teweeg brengt voor de omgeving. Hoewel er in een stedelijke omgeving rekening moet worden gehouden met een beperkt uitzicht, betekent dat volgens de raad niet dat het daarom, mede gezien de overige bezwaren tegen het project, gehouden was om een omgevingsvergunning te verlenen die een verdergaande aantasting van privacy, uitzicht en zonlichttoetreding bij de buren teweeg brengt.

5.2.    Tussen partijen is niet in geschil dat realisering van het bouwplan voor de direct omwonenden leidt tot een zekere aantasting van de privacy en zonlichttoetreding. De rechtbank heeft overwogen dat de omstandigheid dat de gevolgen in de visie van [appellant] minimaal zijn, wat daar ook van zij, niet betekent dat de raad geen rekening kon houden met de gevolgen van het bouwplan voor de privacy, uitzicht en de bezonning. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de rechtbank dit ten onrechte heeft overwogen. De Afdeling betrekt daarbij dat de raad heeft benadrukt dat zijn argument over de aantasting van de privacy en zonlichttoetreding niet op zichzelf, maar mede in het licht van de overige bezwaren tegen het bouwplan moet worden bezien.

    Het betoog faalt.

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de raad voorbij is gegaan aan de woningbouwbehoefte in de stad. Hij voert daartoe aan dat er in Leiden een grote behoefte bestaat aan kleine wooneenheden en zijn bouwplan komt daaraan tegemoet.

6.1.    Volgens de raad wordt niet ontkend dat er in de stad behoefte is aan extra woningen, met name kleinere wooneenheden. Dat betekent volgens de raad echter niet dat het voorzien in die behoefte ten koste mag gaan van de nagestreefde hoogwaardige kwaliteit in de zuidelijke schil. Er wordt meer gewicht toegekend aan het voorkomen van verdichting die als gevolg van het bouwplan optreedt met negatieve effecten voor de beeldkwaliteit als gevolg dan aan de behoefte in extra wooneenheden.

6.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat de omstandigheid dat er een behoefte bestaat aan betaalbare woningen niet betekent dat de raad de bezwaren die er uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening tegen een bouwplan bestaan niet mag laten meewegen bij zijn besluitvorming.

    Het betoog faalt.

7.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan negatieve gevolgen heeft voor de cultuurhistorische waarde van de directe omgeving. Hij voert daartoe aan dat er onvoldoende is gemotiveerd waarin de ontoelaatbare aantasting is gelegen. Volgens [appellant] bestaat er in de Herenstraat veel variatie in architectuur en kapvormen. De grote verscheidenheid aan bouwvormen, perceelbreedtes en volumes zijn de cultuurhistorische waarden. [appellant] wijst er verder op dat het pand niet groter en massiever wordt dan de panden op het perceel Herenstraat 1, 2 en 5. Van een aantasting van de cultuurhistorische waarden is geen sprake, aldus [appellant].

7.1.    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan negatieve gevolgen heeft voor de cultuurhistorische waarden van het gebied. Volgens de raad is de zuidelijke schil aangewezen als beschermd stadsgezicht, omdat er veel beeldbepalende panden aanwezig zijn. In het bestemmingsplan is verzekerd dat de voor beschermd stadsgezicht aangewezen gronden mede zijn bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de met het beschermd stadsgezicht verbonden cultuurhistorische waarden. Met het oog hierop is in het bestemmingsplan gekozen voor beperkende bouwvoorschriften. Voor veel beeldbepalende panden in de omgeving van het perceel is een vergroting expliciet niet wenselijk geacht. Voor het perceel is een uitzondering gemaakt voor de verhoging met een kap. Die kap is één van de beschermde cultuurhistorische waarden, aldus de raad. Gelet op de in artikel 25 van de planregels tot uitdrukking gebrachte 'behouddoelstelling' is een aantasting van de structuur en bouwmassa als gevolg van het bouwplan niet gewenst, nu dit aanmerkelijk verdergaat dan het aanbrengen van een kap. De raad heeft voorts de aanwezigheid van omliggende beeldbepalende panden in aanmerking genomen. De optredende bebouwingsdichtheid en massiviteit van het bouwplan tasten de kwaliteit van het beeldbepalende pand op het perceel Herenstraat 5, gelegen naast het perceel, en van de straat als zodanig aan, aldus de raad.

    De raad heeft nader toegelicht dat het merendeel van de panden aan de Herenstraat een kleiner bouwvolume heeft. Het is deze afwisselende structuur die bescherming behoeft en die het bestemmingsplan beoogt te behouden. Voor de bestaande panden aan de Herenstraat 1, 2 en 5 is daarom ook een verdere uitbreiding expliciet uitgesloten.

7.2.    Anders dan [appellant] aanvoert, heeft de raad gemotiveerd wat de cultuurhistorische waarden van het gebied zijn en waarom het bouwplan deze waarden op ontoelaatbare wijze aantast. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de raad toereikend heeft gemotiveerd waarom het bouwplan zal leiden tot een niet toelaatbare aantasting van de cultuurhistorische waarden van het gebied.

    Het betoog faalt.

8.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan leidt tot een ongewenste toename van de parkeerdruk. Hij voert daartoe aan dat het college ten behoeve van het project aan de Zijlsingel 36 wel van de geldende parkeernorm wilde afwijken. Er geldt weliswaar een ander planologisch regime, maar er is sprake van vergelijkbare gevallen, aldus [appellant].

8.1.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd, hetgeen leidt tot een ongewenste toename van de parkeerbehoefte in de openbare ruimte. Volgens het college schrijven de gemeentelijke Bouwverordening en de in dat verband vastgestelde 'Beleidsregels parkeernormen Leiden' voor dat parkeren in beginsel op eigen terrein moet plaatsvinden. Alleen als de parkeerdruk in de omgeving van een ruimtelijke activiteit na realisering van die activiteit acceptabel blijft, dat wil zeggen minder dan 80%, kan gebruik worden gemaakt van de bestaande parkeermogelijkheden in de openbare ruimte. In dit geval is de parkeerdruk in de omgeving van het perceel ten minste 80%. Om deze reden acht het college het opvangen van de parkeerbehoefte van het bouwplan, te weten vijf parkeerplaatsen, in de openbare ruimte niet wenselijk. Het project op het perceel Zijlsingel 36 is volgens het college niet vergelijkbaar. Het perceel ligt in een ander gebied en om aan de parkeerbehoefte te voldoen zijn in de omgeving juist extra parkeerplaatsen in de openbare ruimte aangelegd.

8.2.    Niet in geschil is dat het college voor het project aan de Zijlsingel 36 heeft afgeweken van de Bouwverordening. Het bouwplan heeft een parkeerbehoefte van achttien parkeerplaatsen. Op eigen terrein worden vijftien parkeerplaatsen aangelegd, zodat er een tekort bestaat van drie parkeerplaatsen. Bij het verlenen van ontheffing heeft het college van belang geacht dat er in de openbare ruimte, direct aan de voorzijde van het perceel, drie parkeerplaatsen worden aangelegd.

    Daargelaten of, zoals [appellant] stelt, het voor zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet relevant is of het perceel Zijlsingel 36 is gelegen in een ander gebied en daar een ander bestemmingsplan van toepassing is, geldt dat voor het project aan de Zijlsingel extra parkeerplaatsen in de openbare ruimte zijn gerealiseerd. Dat is bij het bouwplan van [appellant] niet gebeurd. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het college het project aan de Zijlsingel 36 terecht niet als een vergelijkbaar geval heeft aangemerkt.

    Het betoog faalt.

Conclusie

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Pieters

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2018

473.