Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:4243

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-12-2018
Datum publicatie
27-12-2018
Zaaknummer
201707916/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 7, 8 en 9 december 2015 en 8 en 9 augustus 2016 heeft het college aan Canal Rondvaart voor dertien bedrijfsvaartuigen ligplaatsvergunningen verleend voor de locatie aan de Prins Hendrikkade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707916/1/A3.

Datum uitspraak: 27 december 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

Canal Rondvaart B.V., gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 augustus 2017 in zaken nrs. 16/5128 en 17/1227 in het geding tussen:

Canal Rondvaart

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluiten van 7, 8 en 9 december 2015 en 8 en 9 augustus 2016 heeft het college aan Canal Rondvaart voor dertien bedrijfsvaartuigen ligplaatsvergunningen verleend voor de locatie aan de Prins Hendrikkade

33-A tot 1 januari 2018.

Bij besluiten van 24 juni 2016 en 31 januari 2017 heeft het college de door Canal Rondvaart daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 augustus 2017 heeft de rechtbank de door Canal Rondvaart daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Canal Rondvaart hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven

Canal Rondvaart heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2018, waar Canal Rondvaart, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. P. Nicolaï, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.G. Blees, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2.    Canal Rondvaart heeft ligplaatsvergunningen aangevraagd voor dertien bedrijfsvaartuigen. Alle bedrijfsvaartuigen zijn rondvaartboten en liggen aan de Prins Hendrikkade 33-A, aangeduid als de "middenkom", te Amsterdam. Voor alle boten is een exploitatievergunning verleend tot 1 januari 2020.

Besluiten college

3.    Aan het verlenen van de ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd tot 1 januari 2018 heeft het college ten grondslag gelegd dat de gemeente Amsterdam op die datum zal starten met de herinrichting van de openbare ruimte aan de stadszijde van het Centraal Station, het Open Havenfront en de Prins Hendrikkade van Droogbak tot Geldersekade. Deze herinrichting wordt aangeduid als het project "De Entree". Onder de Prins Hendrikkade zal een ondergrondse fietsenstalling worden gebouwd. In de loop van 2017 zal door de gemeente Amsterdam gekeken worden naar een alternatieve locatie waar de rondvaartboten tijdens de werkzaamheden en in ieder geval tijdens de bouw van de fietsenstalling tijdelijk kunnen afmeren.

Hoger beroep

    Bepaalde tijd

4.    Canal Rondvaart betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de bestendige bestuurspraktijk voerde om ligplaatsvergunningen voor onbepaalde tijd te verlenen. Canal Rondvaart voert daartoe aan dat het college aan [rederij], die met zijn boten in hetzelfde watergedeelte ligplaats inneemt, in 2015 twaalf ligplaatsvergunningen heeft verleend voor onbepaalde tijd. Zij bestrijdt verder dat er andere gevallen zijn waarin vergunning is verleend voor bepaalde tijd. Volgens Canal Rondvaart had het college daarom ook aan haar vergunningen voor onbepaalde tijd moeten verlenen. Ook bij het verlenen van een vergunning voor onbepaalde tijd biedt de Vob 2010 een grondslag voor tijdelijke verplaatsing wegens werkzaamheden, aldus Canal Rondvaart.

4.1.    Ingevolge artikel 1.2.6, eerste lid, van de Verordening op het binnenwater 2010 (hierna: Vob 2010) kan een ligplaatsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd worden verleend. Het college heeft in dit geval gemotiveerd gekozen voor vergunningen voor bepaalde tijd. Niet is gebleken van dringende redenen waarom het college in dit geval voor vergunningverlening voor onbepaalde tijd had moeten kiezen. De Afdeling is evenwel van oordeel dat het college de door Canal Rondvaart met stukken onderbouwde stelling, dat aan [rederij] in 2015 in hetzelfde watergedeelte twaalf ligplaatsvergunningen voor onbepaalde tijd zijn verleend, niet gemotiveerd heeft weerlegd. Als het college ten tijde van belang een bestendige bestuurspraktijk voerde om ligplaatsvergunningen voor onbepaalde tijd te verlenen, had het college in beginsel in overeenstemming met deze praktijk moeten handelen. In het geval van het bestaan van zo’n bestuurspraktijk, had het college moeten motiveren waarom het in dit geval hiervan is afgeweken en in het geval van [rederij] niet. Aan de besluiten van 24 juni 2016 en 31 januari 2017 kleeft daarom een motiveringsgebrek.

    Het betoog slaagt.

    Rechtszekerheidsbeginsel

5.    Voorts betoogt Canal Rondvaart dat de rechtbank heeft miskend dat de besluiten van 24 juni 2016 en 31 januari 2017 in strijd zijn met de rechtszekerheid. De door het college gevolgde weg leidt ertoe dat een onzekere positie wordt gecreëerd, omdat de vergunningen per 1 januari 2018 worden beëindigd terwijl niet vaststaat dat de werkzaamheden op die datum zullen starten. De bescherming die zij ontleent aan de toezeggingen van het college gaat volgens Canal Rondvaart minder ver dan de bescherming die kan worden ontleend aan een vergunning voor onbepaalde tijd. Bovendien heeft de rechtbank miskend dat het college niet bevoegd is ambtshalve vergunning te verlenen, omdat de Vob 2010 hierin niet voorziet.

5.1.    De rechtbank heeft terecht onderkend dat in bezwaar door het college is toegezegd dat de geldigheidsduur van de ligplaatsvergunningen, indien de uitvoering van het project De Entree onverhoopt later dan 1 januari 2018 begint, zal worden verlengd tot het moment waarop de boten de huidige ligplaatsen daadwerkelijk moeten verlaten. De rondvaartboten zullen ook na 1 januari 2018 in het bezit zijn van een geldige ligplaatsvergunning, voor ofwel de huidige locaties, ofwel nieuwe locaties waar de boten ligplaats zullen innemen als met de uitvoering van het project De Entree wordt gestart. Zodra de boten ligplaats innemen op de nieuwe locaties zullen daarvoor vergunningen worden verstrekt zonder dat Canal Rondvaart daarvoor leges hoeft te betalen.

    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat, gelet op deze toezeggingen, de besluiten van 24 juni 2016 en 31 januari 2017 niet in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat het standpunt van Canal Rondvaart dat het college niet ambtshalve vergunningen zou mogen verlenen voor nieuwe locaties geen steun vindt in de regelgeving. De omstandigheid dat het verlenen van ligplaatsvergunningen voor onbepaalde tijd Canal Rondvaart mogelijk meer rechtszekerheid zou bieden, doet - wat daar verder ook van zij - aan het voorgaande niet af.

    Dit betoog slaagt niet.

Conclusie

6.    Gelet op hetgeen is overwogen in 4.1. zijn de besluiten van 24 juni 2016 en 31 januari 2017 niet deugdelijk gemotiveerd. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de gebreken te herstellen door de besluiten van 24 juni 2016 en 31 januari 2017 alsnog toereikend te motiveren en zo nodig te wijzigen. Ingeval een nieuw besluit wordt genomen, dient dat op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt. De Afdeling zal een termijn stellen voor herstel van de gebreken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op om binnen zes weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen:

1. de besluiten van 24 juni 2016, kenmerk BZ.1.16.0023.001, en 31 januari 2017, kenmerk BZ.1.16.0567.001, alsnog toereikend te motiveren, dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen, en

2. de Afdeling de uitkomst mede te delen en een eventueel nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Ley-Nell, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Ley-Nell

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2018

597.