Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:422

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
201703336/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:2255, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 oktober 2014 heeft de RDW de tenaamstelling van het voertuig van [appellant] met kenteken [...] vervallen verklaard, waardoor het kentekenbewijs zijn geldigheid heeft verloren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703336/1/A2.

Datum uitspraak: 7 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 maart 2017 in zaak nr. 15/1804 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW).

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2014 heeft de RDW de tenaamstelling van het voertuig van [appellant] met kenteken [...] vervallen verklaard, waardoor het kentekenbewijs zijn geldigheid heeft verloren.

Bij besluit van 21 april 2015 heeft de RDW het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 maart 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De RDW heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. D. Heuker of Hoek, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is eigenaar van een Mini 1000 Van, met datum tenaamstelling 26 augustus 1997. Hij wil dit voertuig hobbymatig restaureren en aldus behouden voor de toekomst. In 1998 heeft hij tijdens herstelwerkzaamheden aan het voertuig het voertuigidentificatienummer (hierna: VIN) verwijderd dat van fabriekswege was aangebracht op de carrosserie. Het destijds verwijderde plaatdeel met daarop het VIN heeft hij nog in zijn bezit. Om in aanmerking te komen voor de toekenning en de inslag van het VIN door de RDW heeft [appellant] de kale carrosserie, tezamen met het losse plaatdeel met het VIN, bij een keuringsstation van de RDW ter identificatie aangeboden. Tijdens het op 24 september 2014 gehouden identiteitsonderzoek is gebleken dat de door de fabrikant toegekende identiteit van het hoofdonderdeel carrosserie niet kan worden vastgesteld. De RDW heeft zich naar aanleiding van het identiteitsonderzoek op het standpunt gesteld dat, omdat het hoofdonderdeel carrosserie niet te identificeren is, geen VIN kan worden vastgesteld, hetgeen noodzakelijk is voor de toekenning en de inslag ervan door de RDW. De RDW heeft vervolgens de tenaamstelling van het voertuig overeenkomstig het bepaalde in artikel 40b, vierde lid, aanhef en onder a, van het Kentekenreglement per 3 oktober 2014 vervallen verklaard, aangezien niet vast is komen te staan dat het kentekenbewijs, dat is afgegeven voor het voertuig met VIN […], bij de onderzochte carrosserie hoort. Het kentekenbewijs is hierdoor niet meer geldig en kan niet meer worden gebruikt voor een voertuig op de openbare weg. [appellant] is daardoor geen houder, bezitter of eigenaar meer van het voertuig waarvoor het kenteken is afgegeven. Tegen het besluit van 3 oktober 2014 van de RDW heeft [appellant] bezwaar gemaakt. De RDW heeft zijn besluit in bezwaar gehandhaafd waarna [appellant] beroep heeft ingesteld.

Oordeel van de rechtbank

2.     Volgens de rechtbank heeft de RDW zich terecht op het standpunt gesteld dat het VIN niet kan worden vastgesteld en dat [appellant] niet langer kan worden beschouwd als eigenaar in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.

Hoger beroep

3.    [appellant] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en betoogt dat de rechtbank in navolging van de RDW niet dan wel onvoldoende is ingegaan op hetgeen door hem is aangevoerd alsmede op de door hem overgelegde stukken. Volgens [appellant] zijn er wel degelijk mogelijkheden om middels bewijs aan te tonen dat de plaat met het VIN toebehoort aan de aangeboden carrosserie. Hiervoor is niet noodzakelijk dat het nummer nog is bevestigd op de carrosserie, aldus [appellant].

3.1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

3.2.    Artikel 5, vierde lid, van bijlage I van de Regeling voertuigen (hierna: bijlage I van de Regeling), waarin staat vermeld dat indien één of meer hoofdonderdelen niet zijn te identificeren geen VIN wordt vastgesteld, heeft een dwingend karakter. Ook artikel 5, vijfde lid, van bijlage I van de Regeling schrijft dwingend voor dat indien de RDW van oordeel is dat een VIN niet is vast te stellen, geen VIN wordt toegekend (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:719).

3.3.    Tussen partijen is niet in geschil dat het van fabriekswege ingeslagen VIN van de carrosserie is verwijderd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of desalniettemin het VIN kan worden vastgesteld van het voertuig van [appellant], althans het deel daarvan dat hij ter keuring heeft aangeboden.

3.4.    [appellant] heeft een kale carrosserie, tezamen met een los plaatdeel met daarop, naar eigen zeggen, het van fabriekswege ingeslagen VIN, ter keuring aangeboden. Het keuringsstation van de RDW heeft niet objectief vast kunnen stellen dat dit VIN afkomstig is uit de carrosserie, aangezien de carrosserie is geplamuurd en gespoten waardoor dit niet te herleiden is. Het keuringsstation heeft voorts vastgesteld dat [appellant] geen andere delen van het voertuig, zoals de aandrijflijn, ter keuring heeft aangeboden. De carrosserie, zijnde een hoofdonderdeel, is daarom niet te identificeren. De RDW heeft zich gelet op deze omstandigheden terecht op het standpunt gesteld dat het VIN niet kan worden vastgesteld. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat [appellant] het voertuig pas in 2014, ongeveer 16 jaar na de werkzaamheden in 1998 waarbij het plaatdeel met het VIN is verwijderd, bij de RDW heeft aangeboden, hetgeen identificatie bemoeilijkt, evenals de omstandigheid dat het voertuig nog slechts bestaat uit een kale carrosserie en losse onderdelen. Het door [appellant] in beroep overgelegde identiteitsonderzoek van 12 augustus 2016 van J. Verstrate, een registerexpert en taxateur van motorvoertuigen, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu daarmee, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet op objectieve wijze de identiteit van de carrosserie is aangetoond. Dat J. Verstrate het aannemelijk acht, gelet op zijn bevindingen en de aanvullende verklaringen van [appellant], dat het plaatdeel met het VIN toebehoort aan de carrosserie, is niet voldoende. Ook de overige door [appellant] in bezwaar en in beroep overgelegde stukken, zoals foto’s, een beschrijving van de herstelwerkzaamheden en verklaringen van eerdere eigenaren en garagehouders, kunnen niet bijdragen aan de vaststelling van het VIN, nu die vaststelling dient te geschieden aan de hand van het originele door de voertuigfabrikant ingeslagen VIN of overige voertuigkenmerken op grond waarvan eenduidig het VIN kan worden herleid, als bepaald in artikel 5, eerste lid, van bijlage I van de Regeling (vergelijk voornoemde uitspraak van 14 augustus 2013).

Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Daalder    w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2018

18-834. BIJLAGE

De bepalingen uit de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze golden ten tijde van belang, luiden als volgt:

Artikel 26, eerste lid

"Een goedkeuring voor een individueel voertuig wordt op aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief door deze dienst verleend indien het voertuig bij een door de dienst verrichte keuring heeft voldaan aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de toelating tot het verkeer op de weg, welke eisen voor verschillende groepen van voertuigen verschillend kunnen worden gesteld."

Artikel 48, eerste lid, aanhef en onder a

"Inschrijving in het kentekenregister en tenaamstelling vinden, tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van de daarvoor door deze dienst vastgestelde tarieven, plaats op aanvraag van in Nederland woonachtige natuurlijke personen die de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt."

Artikel 51a, derde lid, aanhef en onder f

"Onverminderd het eerste en tweede lid, kan een tenaamstelling vervallen worden verklaard in andere bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen gevallen."

Artikel 52a, eerste lid

"Ter bevestiging van de inschrijving in het kentekenregister en tenaamstelling bedoeld in artikel 48, eerste lid, wordt door de Dienst Wegverkeer een kentekenbewijs afgegeven."

Artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen luidt als volgt:

"Het voertuigidentificatienummer wordt vastgesteld, toegekend en ingeslagen op de wijze zoals vermeld in bijlage I."

De relevante bepalingen uit bijlage I van de Regeling voertuigen, behorende bij artikel 2.1, derde lid, van de Regeling voertuigen, luiden als volgt:

Artikel 1, eerste lid

"In deze bijlage wordt verstaan onder:

[…]

voertuigidentificatienummer: een gestructureerde combinatie van tekens die de voertuigfabrikant oorspronkelijk aan een voertuig heeft toegekend en heeft ingeslagen, dan wel dat door de Dienst Wegverkeer is ingeslagen, met het doel om, zonder gebruikmaking van verdere informatie, het voertuig eenduidig te identificeren."

Artikel 3

"Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10."

Artikel 4

"In aanvulling op de artikelen 2 en 3 moet het, aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende, en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde, voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, dan wordt door de Dienst Wegverkeer, op de wijze vermeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen."

Artikel 5

"1. De vaststelling van het voertuigidentificatienummer, bedoeld in artikel 3, geschiedt aan de hand van het in het voertuig ingeslagen voertuigidentificatienummer of overige voertuigkenmerken op grond waarvan eenduidig het voertuigidentificatienummer kan worden herleid.

[…]

4. Indien één of meer hoofdonderdelen niet zijn te identificeren of indien blijkt dat één of meer hoofdonderdelen van diefstal afkomstig zijn, wordt geen voertuigidentificatienummer vastgesteld.

5. Indien naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer een voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen, wordt geen voertuigidentificatienummer door de Dienst Wegverkeer toegekend.

[…]."

Artikel 12

"Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht."

Artikel 40b, vierde lid, aanhef en onder a, van het Kentekenreglement, zoals dit gold ten tijde van belang, luidt als volgt:

"De Dienst Wegverkeer kan een tenaamstelling vervallen verklaren indien naar oordeel van deze dienst blijkt dat degene op wiens naam het voertuig is ingeschreven opgehouden is eigenaar, bezitter of houder van het voertuig te zijn."