Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:417

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
201703916/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 maart 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "1e herziening bestemmingsplan Kwadrant, Van Tuyll sportpark, Brinkhage, Lansinghage (Edisonstraat 104)" vastgesteld (hierna: het vaststellingsbesluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2018/7922
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703916/1/R3.

Datum uitspraak: 7 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

J.G. Vastgoed B.V. (hierna: JGV), gevestigd te Vught, en Hoogvliet Vastgoed B.V. (hierna: Hoogvliet), gevestigd te Alphen aan den Rijn,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Zoetermeer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "1e herziening bestemmingsplan Kwadrant, Van Tuyll sportpark, Brinkhage, Lansinghage (Edisonstraat 104)" vastgesteld (hierna: het vaststellingsbesluit).

Tegen dit besluit hebben JGV en Hoogvliet beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 11 september 2017 heeft de raad het bestemmingsplan gewijzigd (hierna: het wijzigingsbesluit).

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2017, waar zijn verschenen:

-    JGV en Hoogvliet, vertegenwoordigd door mr. A.M. Scharff, advocaat te Amsterdam, [gemachtigden]; en

-    de raad, vertegenwoordigd door mr. M.J. de Buck, advocaat te Den Haag, mr. A.O. Berghuis, IJ.J. Hortensius en mr. R.M. Meijer.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plangebied bestaat uit het perceel Edisonstraat 104 te Zoetermeer, dat eigendom is van JGV. Hoogvliet wil op het perceel een supermarkt exploiteren en werkt hiertoe samen met JGV.

    In het plan is echter de in het vorige bestemmingsplan "Kwadrant, Van Tuyll sportpark, Brinkhage, Lansinghage" uit 2013 opgenomen mogelijkheid om het perceel mede te gebruiken voor niet-volumineuze detailhandel geschrapt. In de plantoelichting staat hierover dat de functieaanduiding "detailhandel" die in het vorige plan aan het perceel was toegekend niet in overeenstemming was met een ten behoeve van het perceel eerder verleende vrijstelling van het daarvoor geldende plan om het perceel mede voor volumineuze detailhandel in automobielen te mogen gebruiken. De beperking tot automobielen is in het plan uit 2013 ambtshalve verwijderd en per abuis en in strijd met het gemeentelijk en provinciaal beleid is toen ook de beperking tot volumineuze detailhandel vervallen.

2.    Het wijzigingsbesluit strekt ertoe een verkeerde verwijzing in de digitale planregels naar de begrippenlijst te herstellen.

Ontvankelijkheid

3.    De raad voert aan dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover het namens Hoogvliet is ingesteld. Ten eerste is Hoogvliet volgens de raad geen belanghebbende, omdat zij geen eigenaar is van het perceel en niet is gebleken dat het risico van waardeverandering op haar is overgegaan. Ten tweede wijst de raad erop dat Hoogvliet geen zienswijze naar voren heeft gebracht over het ontwerpplan.

3.1.    Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt:

"Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

    Artikel 6:13 luidt:

"Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld."

3.2.    Ter zitting hebben JGV en Hoogvliet toegelicht dat aan Hoogvliet een recht van hypotheek is verleend op het perceel. Tevens hebben zij toegelicht dat JGV en Hoogvliet een koopovereenkomst hebben gesloten voor het perceel, waarbij het risico van waardevermindering gedeeltelijk op Hoogvliet is overgegaan. Het belang van Hoogvliet is dan ook rechtstreeks betrokken bij de vaststelling van het bestemmingsplan.

    Verder is ter zitting toegelicht dat de hiervoor bedoelde samenwerking tussen JGV en Hoogvliet tot stand is gekomen na afloop van de zienswijzetermijn. Daarom kan aan Hoogvliet niet worden verweten dat zij over het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

    De conclusie is dat geen aanleiding bestaat het beroep niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het namens Hoogvliet is ingesteld.

Inhoudelijk

4.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Omgevingsvergunning bouw supermarkt

5.    JGV en Hoogvliet betogen dat de raad de functieaanduiding van het perceel die niet-volumineuze detailhandel mogelijk maakt in stand had moeten laten, omdat op grond van het vorige plan een omgevingsvergunning was verleend om het pand op het perceel te verbouwen tot een supermarkt. Deze omgevingsvergunning is weliswaar ingetrokken, maar tegen het intrekkingsbesluit is een procedure aanhangig. De raad had moeten wachten op de uitkomst van die procedure alvorens een nieuw plan vast te stellen. JGV en Hoogvliet wijzen in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:870.

    Zij verwijzen tevens naar de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:579, waaruit volgens hen volgt dat in een verleende bouwvergunning het recht besloten ligt de vergunning te gebruiken overeenkomstig het doel waarvoor deze is verleend.

5.1.    De raad stelt dat de gemeente op grond van een privaatrechtelijk kettingbeding de mogelijkheid had het ongewenste gebruik van het perceel voor detailhandel te voorkomen. De fout in het vorige bestemmingsplan en het op basis daarvan vergunde bouwplan hadden daarom niet direct praktische consequenties, omdat een privaatrechtelijke belemmering gold om reguliere detailhandel op het perceel te vestigen. Dit veranderde als gevolg van de executoriale verkoop van het perceel, waardoor het kettingbeding kwam te vervallen. Dit heeft geleid tot intrekking van de omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders. Omdat het vorige bestemmingsplan nog steeds een bouwtitel verschafte, heeft de raad het thans bestreden bestemmingsplan vastgesteld. Bij de vaststelling van het voorliggende plan was de omgevingsvergunning al ingetrokken en was er dus geen vergund bouwplan. De raad acht zich niet verplicht de uitkomst van de procedure tegen de intrekking af te wachten.

5.2.    In de voornoemde uitspraak van 21 augustus 2013 is onder meer het volgende overwogen:

"De Afdeling stelt voorop dat zo goed als een bestaand bouwwerk in beginsel bij de vaststelling van een bestemmingsplan als zodanig dient te worden bestemd, ook een bouwwerk dat weliswaar nog niet is opgericht, maar wel onherroepelijk is vergund, in het plan als zodanig dient te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien een dienovereenkomstige bestemming op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen.

De Afdeling stelt vast dat het onderhavige plan de vestiging van een supermarkt op het perceel Zambonistraat 4 niet mogelijk maakt. In dit geval heeft de raad niet onderkend dat Melmerpark bestaande rechten voor het perceel Zambonistraat 4 heeft. In dit kader is niet van doorslaggevend belang dat Melmerpark het gebouw nog niet heeft opgericht. Wel van belang kan zijn de vraag of de raad aannemelijk heeft gemaakt of geen gebruik meer zal worden gemaakt van de verleende bouwvergunning. In dit geval heeft de raad geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit hij dit heeft afgeleid terwijl Melmerpark in haar zienswijze heeft aangegeven dat concrete belangstelling bestaat voor de exploitatie van een supermarkt op het bedrijventerrein Melmerpark en dat de raad hiervan ook op de hoogte was gesteld. Het betoog van de raad dat hij nooit een supermarkt op het bedrijventerrein Melmerpark mogelijk heeft willen maken, doet hieraan niet af. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de raad heeft toegelicht dat het onderhavige plan is vastgesteld nadat de omissie werd geconstateerd dat onder het vorige plan een supermarkt volgens de raad niet was uitgesloten."

5.3.    De Afdeling is van oordeel dat hetgeen is overwogen in de aangehaalde uitspraak in het onderhavige geval niet opgaat. Dat een bestaand legaal bouwwerk, of een bouwwerk dat onherroepelijk is vergund, in beginsel bij de vaststelling van een bestemmingsplan als zodanig dient te worden bestemd, houdt verband met de rechtszekerheid. Tegen de aanwezigheid of het bouwen van een dergelijk bouwwerk kan immers niet handhavend worden opgetreden. Het zou in strijd met de rechtszekerheid zijn als desalniettemin een bestemmingsplan wordt vastgesteld dat ertoe strekt dat het bouwwerk niet opgericht mocht of mag worden.

    In het onderhavige geval doet deze situatie zich niet voor, aangezien ten tijde van de vaststelling van het plan de omgevingsvergunning voor het bouwen van de supermarkt was ingetrokken. Op dat moment was het dus niet mogelijk dat het bouwwerk rechtmatig zou worden gebouwd, met het gevolg dat een rechtmatige situatie zou ontstaan die afwijkt van het bestemmingsplan. Om deze redenen is de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2017 ook niet van belang voor de onderhavige zaak.

5.4.    Nu de raad, zoals hierna aan de orde komt, de bouw van een supermarkt op het perceel in strijd met een goede ruimtelijke ordening acht en deze bouwmogelijkheid in het vorige bestemmingsplan niet was uitgesloten, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad had moeten wachten met het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan voor het perceel totdat de procedure tegen het besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de supermarkt zou zijn voltooid. Hierbij is van belang dat, zolang dat vorige bestemmingsplan zou gelden, een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een supermarkt in zoverre niet zou kunnen worden geweigerd. Als de procedure tegen het intrekkingsbesluit ertoe leidt dat de omgevingsvergunning voor de bouw van de supermarkt herleeft, dan zal daarmee bij een volgende actualisatie van het bestemmingsplan rekening moeten worden gehouden.

Beleid en belangenafweging

6.    JGV en Hoogvliet betogen verder dat de raad ten onrechte aanneemt dat de Verordening Ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland in de weg staat aan het mogelijk maken van detailhandel op het perceel. Zij wijzen in dit verband op artikel 3.3, dat de mogelijkheid biedt om af te wijken van onder meer het verbod op nieuwe detailhandel buiten de in artikel 2.1.4 bedoelde locaties. Zij stellen dat artikel 3.3 volgens de toelichting bedoeld is voor situaties waarin "sprake is van een toezegging en concrete plannen zijn ontwikkeld". Daar valt deze situatie volgens hen onder. JGV en Hoogvliet zijn van mening dat de raad ontoereikend heeft gemotiveerd waarom de detailhandel desondanks is wegbestemd. Ter zitting hebben zij in dit verband gesteld dat op grond van p. 19 en p. 24 van het ontwerp van de intergemeentelijke structuurvisie "Bleizo, het Kwadrant en omgeving" in het "Kwadrant Bedrijven" de mogelijkheid bestaat voor grootschalige detailhandel. Daarnaast hebben zij ter zitting aangevoerd dat het perceel volgens het gemeentelijk beleid behoort tot een gebied dat in aanmerking komt voor herontwikkeling en dat in de omgeving woningen gebouwd gaan worden.

    Ten slotte betogen JGV en Hoogvliet dat de raad bij de vaststelling van het plan onvoldoende oog heeft gehad voor en onvoldoende is ingegaan op hun belangen bij het behoud van de reguliere detailhandelsbestemming.

6.1.    De raad stelt een restrictief detailhandelsbeleid te voeren, waarbij winkels in dagelijkse goederen geconcentreerd moeten worden in bestaande winkel- en wijkcentra. Het is voor de raad belangrijk dat het bestaande voorzieningenaanbod behouden blijft en in stand wordt gelaten. Op die manier wordt het draagvlak van bestaande voorzieningen en winkels verbeterd. Vestiging van een supermarkt op een bedrijventerrein, zoals op het perceel van JGV, past niet in die visie en kan tot een toename van de leegstand in het centrum leiden. Dit kan vervolgens weer leiden tot ondergraving van de detailhandelsstructuur en verslechtering van het ondernemersklimaat. Ook de met een supermarkt samenhangende verkeerstoename en parkeerdruk op het bedrijventerrein passen volgens de raad niet binnen een goede ruimtelijke ordening.

    Dit alles weegt voor de raad zwaarder dan de belangen van JGV en Hoogvliet. De raad wijst er hierbij op dat de omgevingsvergunning nooit gebruikt is en dat er dus ook geen sprake is van bestaand gebruik dat wordt beperkt. JGV heeft volgens de raad bij de aankoop van het perceel geweten van het kettingbeding dat detailhandel verbood. Dat de bestemmingsplanwijziging een vergissing was, is volgens de raad ook tijdig aan JGV duidelijk gemaakt.

    Om deze redenen heeft de raad geen aanleiding gezien om gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 3.3 van de Verordening Ruimte 2014 in sommige, uitzonderlijke, gevallen biedt.

6.2.    Artikel 2.1.4, eerste lid, van de Verordening Ruimte 2014 luidt:

"Een bestemmingsplan voorziet uitsluitend in nieuwe detailhandel op gronden:

a. binnen of aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie in de centra van steden, dorpen en wijken;

b. binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk;

c. binnen een nieuwe goed bereikbare en centraal gelegen winkelconcentratie als gevolg van herallocatie."

    Artikel 3.3, eerste lid, luidt:

"In afwijking van deze verordening kan een bestemmingsplan een onbenut bouw- of gebruiksrecht uit een voorgaand bestemmingsplan opnieuw bestemmen, indien het belang bij strikte handhaving van deze verordening niet in verhouding staat tot het belang bij het behoud van het bouw- of gebruiksrecht.

[…]"

    De toelichting bij artikel 3.3, eerste lid, luidt:

"Voor zover in een geldend bestemmingsplan ongebruikte bouw- of gebruiksrechten zijn opgenomen die in strijd zijn met de bepalingen van de verordening, moeten deze bij een planherziening wegbestemd worden. In uitzonderlijke situaties kan de eigenaar of gebruiker hierdoor in onevenredige mate in zijn belangen worden getroffen, bijvoorbeeld als sprake is van een toezegging en concrete plannen zijn ontwikkeld voor gebruikmaking van het betreffende bouw- of gebruiksrecht. Omdat de afweging voor het toekennen van een tegemoetkoming voor planschade een verantwoordelijkheid is van de gemeente, is het logisch de gemeente ook de ruimte te laten om een afweging te kunnen maken over het al dan niet positief bestemmen van het betreffende bouw- of gebruiksrecht. De opgenomen afwijkingsmogelijkheid biedt hiervoor de mogelijkheid. De afwijkingsmogelijkheid is bedoeld voor uitzonderlijke situaties. De provincie verwacht van de gemeenten, dat terughoudend wordt omgegaan met de afwijkingsmogelijkheid."

6.3.    Niet in geschil is dat het perceel van JGV niet een van de locaties betreft waar ingevolge artikel 2.1.4 van de Verordening Ruimte 2014 detailhandel is toegestaan. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de raad gebruik had moeten maken van de afwijkingsmogelijkheid in artikel 3.3, eerste lid, van de Verordening.

    De tekst van deze bepaling maakt duidelijk dat het belang bij "strikte handhaving" van de Verordening moet worden afgewogen tegen het belang bij het behoud van het bouw- of gebruiksrecht. Gelet op de toelichting is het aan de gemeenteraad om de betrokken belangen af te wegen, waarbij het uitgangspunt is dat alleen wordt afgeweken in uitzonderlijke situaties waarin de eigenaar of gebruiker in onevenredige mate in zijn belangen wordt getroffen.

6.4.    Wat betreft de verwijzing van JGV en Hoogvliet ter zitting naar een tweetal passages in het ontwerp van de intergemeentelijke structuurvisie "Bleizo, het Kwadrant en omgeving" overweegt de Afdeling als volgt.

6.4.1.    In het ontwerp van de intergemeentelijke structuurvisie staat op p. 19:

"Kwadrant - Bedrijven

De plannen voorzien in de herontwikkeling van het voormalige Miss Etam terrein tot regulier bedrijventerrein met een hoogwaardige uitstraling en mogelijkheden voor grootschalige detailhandel, zoals bijvoorbeeld een autoboulevard. Het gebied heeft al een bedrijfsbestemming."

    Op p. 24 staat:

"Transformatie Het Kwadrant Bedrijven

Herstructurering van bestaand bedrijventerrein naar regulier bedrijventerrein met een hoogwaardige uitstraling en mogelijkheden voor grootschalige detailhandel."

6.4.2.    In de toelichting van het voorgaande plan is in hoofdstuk 2 het relevante beleid beschreven, waaronder de (destijds geldende versie van de) Verordening Ruimte van de provincie, het ontwerp voor de intergemeentelijke structuurvisie "Bleizo, het Kwadrant en omgeving" en de gemeentelijke structuurvisie "Detailhandel 2006-2010".

    Bij de Verordening is vermeld - kort samengevat - dat op grond daarvan in het plangebied in principe geen detailhandel is toegestaan, enkele specifieke uitzonderingen daargelaten. Volgens de toelichting is het plan niet met de Verordening in strijd.

    Aangaande het ontwerp van de intergemeentelijke structuurvisie staat bij "Kwadrant - Bedrijven": "Het beleid is gericht op herstructurering van het bestaand bedrijventerrein naar regulier bedrijventerrein met een hoogwaardige uitstraling en mogelijkheden voor grootschalige detailhandel."

    Verder staat er dat op grond van de gemeentelijke structuurvisie buiten winkelcentra alleen bepaalde vormen van perifere detailhandel wenselijk geacht zijn en dat hierbij aansluiting is gezocht bij de provinciale verordening.

6.4.3.    Hoewel de Afdeling niet is gebleken dat de intergemeentelijke structuurvisie "Bleizo, het Kwadrant en omgeving" door de raad is vastgesteld, betekent dit niet dat hetgeen in het ontwerp staat reeds daarom buiten beschouwing moet blijven. In de toelichting op het voorgaande bestemmingsplan wordt het ontwerp van de structuurvisie immers aangehaald als relevant beleid.

    Niets wijst er echter op dat dit beleid ertoe strekt dat op het perceel van JGV een supermarkt wenselijk wordt geacht. In de ontwerp-structuurvisie zelf staat immers niet meer dan dat het gebied "Kwadrant - Bedrijven", waartoe het perceel behoort, wordt herontwikkeld tot "regulier bedrijventerrein" met "mogelijkheden voor grootschalige detailhandel, zoals bijvoorbeeld een autoboulevard". Tevens is van belang dat in de toelichting op het vorige bestemmingsplan staat dat wordt aangesloten bij het provinciale beleid over detailhandel en dat daarom alleen enkele vormen van perifere detailhandel in het plangebied mogelijk zijn. Een supermarkt valt niet onder een van de genoemde mogelijkheden.

6.5.    Voor zover JGV en Hoogvliet ter zitting hebben gewezen op de ontwikkeling van woningbouw in de directe omgeving van het perceel, hebben zij naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende weersproken dat - zoals de raad ter zitting heeft gesteld - het verzorgingsgebied van de bestaande supermarkten zich ook tot die woningen uitstrekt. Voor zover JGV en Hoogvliet ter zitting voorts hebben gesteld dat op iets grotere afstand van het perceel nog eens 16.000 woningen zijn voorzien, heeft de raad toegelicht dat de plannen daarvoor zich nog in een zeer vroeg stadium bevinden. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zijn besluitvorming ten onrechte is voorbij gegaan aan de herontwikkeling van het gebied waartoe het perceel behoort.

6.6.    Wat betreft de door de raad gemaakte belangenafweging is verder van belang dat onbestreden is dat JGV en Hoogvliet geen gebruik hebben gemaakt van de omgevingsvergunning. Gelet hierop, en op hetgeen hiervoor is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang bij strikte handhaving van artikel 2.1.4 van de Verordening Ruimte 2014 en het eigen restrictieve detailhandelsbeleid dan aan het belang van JGV en Hoogvliet bij het behoud van het betrokken bouw- en gebruiksrecht. De door de raad gemaakte belangenafweging is verantwoord in de zienswijzennota zodat het vaststellingsbesluit ook toereikend is gemotiveerd.

Nieuwe bestemming autohandel

7.    JGV en Hoogvliet stellen dat de aan het perceel toegekende bestemming "Bedrijventerrein" niet goed is geregeld, omdat in de regels van het nieuwe plan een andere definitie wordt gebruikt van volumineuze detailhandel ten opzichte van het vorige plan, terwijl met een hyperlink van dit woord wordt verwezen naar de oude definitie in het vorige plan. Hierdoor is het onduidelijk welk soort detailhandel ter plaatse is toegestaan.

7.1.    De raad erkent dat op www.ruimtelijkeplannen.nl ten onrechte een hyperlink in artikel 3, lid 3.1.1, onder b, van de regels is opgenomen, die verwijst naar de begrippenlijst van het moederplan. Er had een koppeling moeten worden gemaakt naar de begrippenlijst van het plan zelf, in het bijzonder de artikelen 1.54 en 1.62, met daarin de definities van perifere detailhandel en volumineuze detailhandel. Met het wijzigingsbesluit is dit hersteld. De raad verzoekt de Afdeling dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

7.2.    Zoals de raad heeft erkend, bevatte het op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl ter beschikking gestelde plan een foute hyperlink, waardoor de gebruiker bij het aanklikken van het woord "volumineuze" in artikel 3, lid 3.1.1, onder b, van de regels ten onrechte naar de regels van het vorige plan werd geleid. In zoverre is het vaststellingsbesluit in strijd met de rechtszekerheid, zoals JGV en Hoogvliet terecht hebben aangevoerd.

    Omdat het gebrek in het plan door middel van het wijzigingsbesluit moest worden hersteld, ziet de Afdeling geen aanleiding voor de toepassing van artikel 6:22 van de Awb, nu niet is gebleken dat de belanghebbenden door het gebrek niet zijn benadeeld. Aan het einde van de uitspraak zal worden bezien of de rechtsgevolgen van het vaststellingsbesluit in stand kunnen worden gelaten.

8.    JGV en Hoogvliet voeren verder aan dat zij niet inzien waarom de raad het perceel heeft bestemd voor een autohandel die feitelijk niet meer aanwezig is.

8.1.    De raad stelt dat het plan ten opzichte van het ontwerp gewijzigd is vastgesteld en dat daarbij de beperking van volumineuze detailhandel tot automobielen is geschrapt.

8.2.    Aan het perceel is de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend, met de aanduidingen "bedrijf tot en met categorie 3.2" en "specifieke vorm van detailhandel - perifeer en volumineus (sdh-pv)".

    Artikel 3, lid 3.1.1, van de regels luidt:

"De voor Bedrijventerrein aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2', bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 van de in de bijlagen bij deze regels opgenomen Lijst van bedrijfsactiviteiten bestemmingsplan Edisonstraat 104;

b. ter plaatse van de functieaanduiding '"specifieke vorm van detailhandel - perifeer en volumineus (sdh-pv)" perifere detailhandel en volumineuze detailhandel met maximum oppervlak van 2.875 m2 bvo;

c. bedrijfsgebonden detailhandel met een winkelvloeroppervlak met een maximum van 100 m2 winkelvloeroppervlak;

d. bedrijfsgebonden kantoor met een bedrijfsvloeroppervlakte (bvo) dat minder bedraagt dan 50% van het totale bedrijfsvloeroppervlak;

e. afhaalcentra, met een afhaalpunt met een bedrijfsvloeroppervlakte (bvo) van maximaal 20 m2;

(…)."

8.3.    Zoals de raad terecht stelt, is het perceel niet uitsluitend bestemd voor een autohandel, gelet op artikel 3, lid 3.1.1, van de regels. In zoverre mist het betoog feitelijke grondslag. Verder hebben JGV en Hoogvliet niet gesteld dat het plan, afgezien van de beperking van de mogelijkheden voor detailhandel, afwijkt van het voorgaande plan. Daarom ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestemming "Bedrijventerrein" aan het perceel heeft kunnen toekennen.

Conclusie

9.    Het beroep is gegrond. Het vaststellingsbesluit moet worden vernietigd. Aangezien het gebrek in het vaststellingsbesluit is hersteld door middel van het wijzigingsbesluit en de beroepsgronden voor het overige falen, kunnen de rechtsgevolgen van het vaststellingsbesluit in stand blijven, doch niet voor zover uit het wijzigingsbesluit andere rechtsgevolgen voortvloeien.

10.    Ten overvloede wijst de Afdeling erop dat met hetgeen hiervoor is overwogen geen oordeel is gegeven over de rechtmatigheid van de intrekking van de omgevingsvergunning.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart gegrond het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Zoetermeer van 13 maart 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "1e herziening bestemmingsplan Kwadrant, Van Tuyll sportpark, Brinkhage, Lansinghage (Edisonstraat 104)";

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Zoetermeer van 13 maart 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "1e herziening bestemmingsplan Kwadrant, Van Tuyll sportpark, Brinkhage, Lansinghage (Edisonstraat 104)";

III.    verklaart ongegrond het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Zoetermeer van 11 september 2017 tot wijziging van voornoemd bestemmingsplan;

IV.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het onder II vernietigde besluit in stand blijven, doch niet voor zover uit het onder III genoemde besluit andere rechtsgevolgen voortvloeien;

V.    veroordeelt de raad van de gemeente Zoetermeer tot vergoeding van bij J.G. Vastgoed B.V. en Hoogvliet Vastgoed B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VI.    gelast dat de raad van de gemeente Zoetermeer aan J.G. Vastgoed B.V. en Hoogvliet Vastgoed B.V. het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 333,00 (zegge: driehonderddrieëndertig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Jacobs, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Jacobs

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2018

717.