Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:415

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
201702456/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:691, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 augustus 2015 heeft het college besloten de Weiburglaan te Harderwijk in te richten als fietsstraat, het fietspad langs de Weiburglaan op te heffen, de voorrangssituatie ter plaatse aan te passen en eenrichtingsverkeer in te stellen op een deel van deze straat ten behoeve van de instelling van een 30 km/u-zone op de Weiburglaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702456/1/A2.

Datum uitspraak: 7 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Harderwijk,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 februari 2017 in zaak nr. 16/2230 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk (hierna: het college).

Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2015 heeft het college besloten de Weiburglaan te Harderwijk in te richten als fietsstraat, het fietspad langs de Weiburglaan op te heffen, de voorrangssituatie ter plaatse aan te passen en eenrichtingsverkeer in te stellen op een deel van deze straat ten behoeve van de instelling van een 30 km/u-zone op de Weiburglaan.

Bij besluit van 18 februari 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 februari 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2017, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.W. Walhof, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] woont op de Roggelaan, een zijstraat van de Weiburglaan, te Harderwijk. [appellant] stelt dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld bij de totstandkoming van het verkeersbesluit dat strekt tot herinrichting van de Weiburglaan, doordat het college in strijd met gemeentelijk beleid heeft gehandeld. Belanghebbenden zijn volgens [appellant] onvoldoende bij de totstandkoming van het verkeersbesluit betrokken.

Het college heeft aan het verkeersbesluit ten grondslag gelegd dat het mengen van fietsers en auto’s een positief effect heeft op de verkeersveiligheid. De door [appellant] voorgestelde andere verkeerskundige oplossing was voor het college niet haalbaar en had onvoldoende draagvlak bij de overige weggebruikers en bewoners. Volgens het college is er op evenredige wijze rekening gehouden met alle betrokken belangen en is het besluit zorgvuldig tot stand gekomen nu er drie informatiebijeenkomsten zijn georganiseerd.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen grond vormt voor het oordeel dat de gehanteerde vorm van participatie niet voldoet aan het bepaalde in de Inspraakverordening 2007, de uitgangspunten in de nota interactief Werken in Harderwijk en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het verkeersbesluit voorafgaand aan de procedure tot het komen van een verkeersbesluit feitelijk al was genomen. Uit het advies van de Ombudscommissie blijkt niet dat het college tekort is geschoten op de door [appellant] genoemde punten, die betrekking hebben op beginselen van behoorlijk bestuur, het zorgvuldigheidsbeginsel, onvoldoende belangenafweging en fair play. Hetgeen [appellant] heeft opgemerkt over het aantal drempels kan niet tot vernietiging van het verkeersbesluit leiden nu de beslissing over het aantal drempels niet is gericht op rechtsgevolg maar op feitelijk handelen, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij de voorbereiding van het verkeersbesluit onzorgvuldig heeft gehandeld. Het college heeft zich niet aan geldend beleid, waaronder de Inspraakverordening 2007, gehouden. Het college is zonder motivering aan beleidsregels voorbijgegaan, terwijl erop mocht worden vertrouwd dat het college conform het geldende beleid zou handelen. Daarnaast heeft het college met het verkeersbesluit andere doelen nagestreefd zonder deze te benoemen en heeft het college bewust informatie achtergehouden die inzichtelijk maakt dat het verkeersbesluit reeds vaststond voordat belanghebbenden werden betrokken, aldus [appellant].

[appellant] betoogt voorts dat de rechtbank het advies van de Ombudscommissie niet had mogen meenemen in haar beslissing, omdat dit een onvolledig onderzoek betreft. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de Ombudscommissie zijn klacht op juiste wijze ongegrond heeft verklaard, aldus [appellant].

Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte het onderdeel van het verkeersbesluit dat ziet op het plaatsen van drempels niet heeft getoetst aan het vereiste van een zorgvuldige belangenafweging volgend uit de Awb en niet heeft getoetst of het plaatsen van drempels in overeenstemming is met Harderwijks beleid.

3.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd niet leidt tot het oordeel dat in strijd met het beleid van de gemeente Harderwijk is gehandeld en het verkeersbesluit onzorgvuldig is voorbereid. Het college heeft ter zitting van de Afdeling toegelicht dat inspraak niet bij of krachtens de wet is voorgeschreven en de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde Inspraakverordening niet op de onderhavige besluitvorming van toepassing is verklaard. Het besluit is aldus niet met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb voorbereid.

Ook voor het overige heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat dat het college in strijd met gemeentelijk beleid heeft gehandeld. Het betoog van [appellant] dat het college bij de voorbereiding van het besluit het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, treft daarom geen doel. Nu het college ter voorbereiding van het besluit drie informatiebijeenkomsten heeft georganiseerd waarbij op de eerste klachten en wensen van omwonenden zijn geïnventariseerd, op de tweede varianten van een fietsstraat zijn voorgelegd en het plan pas op de derde avond is gepresenteerd, kan [appellant] niet worden gevolgd in zijn standpunt dat het besluit ook overigens op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college informatie heeft achtergehouden en andere doelen heeft nagestreefd met het verkeersbesluit. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd bestaat geen aanknopingspunt voor het oordeel dat in 2014 reeds een verkeersbesluit is genomen. Dat bij de voorbereiding van het verkeersbesluit is uitgegaan van een plan of voorstel, dat op één van de informatiebijeenkomsten is gepresenteerd, maakt niet dat er van de zijde van het college sprake is geweest van vooringenomenheid.

Het betoog faalt.

3.2.    Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank niet overwogen dat de Ombudscommissie op 24 februari 2016 op juiste wijze zijn klacht ongegrond heeft verklaard. De rechtbank heeft slechts vastgesteld dat uit de stukken betreffende de klachtenprocedure bij de Ombudscommissie, anders dan [appellant] heeft gesteld, niet blijkt dat het college tekort is geschoten. Voor zover [appellant] stelt dat de Ombudscommissie de klacht niet op juiste wijze heeft afgehandeld, wordt overwogen dat de klachtenprocedure geen onderdeel is van de besluitvorming, die ter toets staat.

Het betoog faalt.

3.3.    Ter zitting heeft [appellant] aangevoerd dat het vrijliggende fietspad aan de Weiburglaan behouden had moeten blijven, omdat dit veiliger is voor de fietsers. Het college heeft, met het oog op de verkeersveiligheid, echter besloten het vrijliggende fietspad op te heffen en de Weiburglaan als fietsstraat in te richten, waardoor auto’s geacht worden langzamer te gaan rijden. Dit standpunt komt de Afdeling niet onredelijk voor. Hetgeen [appellant] heeft aangedragen leidt niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.

Hetgeen [appellant] ter zitting heeft opgemerkt over het Westeinde kan in deze procedure niet aan de orde komen, nu het verkeersbesluit hier geen betrekking op heeft.

Het betoog faalt.

3.4.    De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat hetgeen [appellant] heeft opgemerkt over het aantal drempels niet tot vernietiging van het verkeersbesluit kan leiden. Het verkeersbesluit strekt niet tot het opnemen van drempels. Gelet op artikel 15, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 in samenhang met artikel 12 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer is hiervoor ook niet vereist dat een verkeersbesluit wordt genomen. In zoverre heeft de rechtbank terecht overwogen dat de beslissing over het aantal drempels niet is gericht op rechtsgevolg maar op feitelijk handelen.

Het betoog faalt.

Conclusie

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.

w.g. Daalder    w.g. Van Soest-Ahlers

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2018

343-856.