Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:409

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
201706374/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 september 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag en huurtoeslag van [overledene] voor het jaar 2014 herzien en vastgesteld op respectievelijk € 1.329,00 en nihil en respectievelijk € 299,00 en € 3.579,00 aan teveel ontvangen voorschotten teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2018/73
Viditax (FutD), 13-02-2018
FutD 2018-0499
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706374/1/A2.

Datum uitspraak: 7 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de erven van [overledene] (hierna: de erven),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 juli 2017 in zaak nr. 16/5134 in het geding tussen:

de erven

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag en huurtoeslag van [overledene] voor het jaar 2014 herzien en vastgesteld op respectievelijk € 1.329,00 en nihil en respectievelijk € 299,00 en € 3.579,00 aan teveel ontvangen voorschotten teruggevorderd.

Bij besluit van 9 september 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag en huurtoeslag van [overledene] voor het jaar 2015 vastgesteld op respectievelijk € 1.160,00 en nihil en respectievelijk € 145,00 en € 3.325,00 aan teveel ontvangen voorschotten teruggevorderd.

Bij besluit van 31 oktober 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door de erven tegen de besluiten van 9 september 2016 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 juli 2017 heeft de rechtbank het door de erven daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de erven hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De erven hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2018, waar de erven, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 14 mei 2016 is [overledene] overleden. Hij was gehuwd met [partner], zijn toeslagpartner. [overledene] heeft over 2014 en 2015 voorschotten zorg- en huurtoeslag ontvangen.

Bij besluit van 14 augustus 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorg- en huurtoeslag van [overledene] over 2014 definitief vastgesteld op respectievelijk € 1.615,00 en € 3.417,00. De hoogte van deze definitieve vaststellingen is gebaseerd op een gezamenlijk toetsingsinkomen van € 19.694,00. Bij het besluit van 9 september 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de vastgestelde zorg- en huurtoeslag van [overledene] over 2014 herzien naar respectievelijk € 1.329,00 en nihil. De hoogte van deze herziene definitieve vaststellingen is gebaseerd op een gezamenlijk toetsingsinkomen van € 22.830,00 en een grondslag sparen en beleggen van € 78.405,00.

Bij het besluit van 9 september 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorg- en huurtoeslag van [overledene] over 2015 definitief vastgesteld op € 1.160,00 en nihil. De hoogte van deze definitieve vaststellingen is gebaseerd op een gezamenlijk toetsingsinkomen van € 24.177 en een grondslag sparen en beleggen van € 56.692,00.

2.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan de besluiten van 9 september 2016, gehandhaafd bij het besluit van 31 oktober 2016, ten grondslag gelegd dat het vermogen van [overledene] in 2014 en 2015 hoger was dan het heffingsvrije vermogen waardoor hij over die jaren geen aanspraak heeft op huurtoeslag en het gezamenlijke toetsingsinkomen over 2014 en 2015 hoger was dan het geschatte gezamenlijke toetsingsinkomen waardoor hij over die jaren een lagere aanspraak op zorgtoeslag heeft.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op dit standpunt heeft gesteld.

Hoger beroep

3.    De erven zijn van mening dat [overledene] wel degelijk aanspraak had op zorg- en huurtoeslag over 2014 en 2015.

Zij betogen dat de rechtbank ten onrechte aan [overledene] heeft tegengeworpen dat een aanvrager van een toeslag zich op de hoogte dient te stellen van de regels daaromtrent. De erven hebben telefonisch geïnformeerd bij de Belastingdienst/Toeslagen maar de medewerkers gaven verschillende, elkaar tegensprekende, antwoorden. Voorts wordt bij de proefberekening op de website van de Belastingdienst/Toeslagen bij de jaren 2014 en 2015 niet om het eigen vermogen gevraagd, terwijl dit bij de jaren 2016 en 2017 wel het geval is.

De erven betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen [overledene] er in 2014 en 2015 op had moeten attenderen dat zijn vermogen en toetsingsinkomen over die jaren te hoog waren om voor zorg- en huurtoeslag in aanmerking te komen, zodat hij maatregelen hadden kunnen treffen om zijn aanspraak op die toeslagen te behouden.

3.1.    Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de toepasselijke regelgeving voor eenieder kenbaar is. Dat, naar gesteld, medewerkers van de Belastingdienst/Toeslagen verschillende informatie hebben gegeven en bij de proefberekening op de website van de Belastingdienst/Toeslagen bij de jaren 2014 en 2015 niet om het eigen vermogen wordt gevraagd, kan er niet toe leiden dat, in weerwil van wat daarover in de Wet op de zorgtoeslag, de Wet op de huurtoeslag en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) is bepaald, aanspraak op zorg- en huurtoeslag bestaat.

Er bestaat verder geen grond voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen [overledene] er in 2014 en 2015 op had moeten attenderen dat zijn vermogen en toetsingsinkomen over die jaren te hoog waren om voor zorg- en huurtoeslag in aanmerking te komen. Het is aan de aanvrager van toeslagen om zich te informeren over zijn recht op toeslagen en er zorg voor te dragen dat hij aan de voorwaarden voldoet. Bij het vaststellen van het voorschot wordt in beginsel uitgegaan van de door de aanvrager overgelegde gegevens. De controle op het recht op een toeslag vindt pas na afloop van het berekeningsjaar plaats. Eerst dan wordt de toeslag aan de hand van de bij de dienst bekende gegevens, waaronder de definitieve aanslag inkomstenbelasting, berekend en definitief vastgesteld. Op de Belastingdienst/Toeslagen rust in het kader van de bevoorschotting geen plicht om aanvragers te informeren over hun recht op toeslag (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3373). Een definitieve vaststelling kan, zoals in dit geval bij de vaststelling zorg- en huurtoeslag over 2014 is gebeurd, overeenkomstig de vereisten van artikel 20 van de Awir in het voordeel of nadeel van de aanvrager moeten worden herzien. Op grond artikel 20, eerste lid, van de Awir herziet de dienst de definitieve tegemoetkoming met inachtneming van de wijziging van een inkomensgegeven, indien na de toekenning hiervan uit de wijziging blijkt dat de tegemoetkoming tot een te hoog bedrag is toegekend. Na de vaststelling van de zorg- en huurtoeslag van [overledene] over 2014 bij het besluit van 14 augustus 2015 is uit de aanslag inkomstenbelasting van 3 augustus 2016 gebleken dat zijn inkomensgegeven over 2014 is gewijzigd en dat de definitieve toekenningen tot een te hoog bedrag waren vastgesteld. Omdat dit gewijzigde inkomensgegeven op het moment van het besluit van 14 augustus 2015 nog niet bekend was, heeft de Belastingdienst/Toeslagen [overledene] hierover niet kunnen informeren.

Conclusie

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.

w.g. Van der Spoel    w.g. Komduur

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2018

809.