Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:4063

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2018
Datum publicatie
12-12-2018
Zaaknummer
201802576/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "F.C. Dondersstraat 65, Zeeheldenbuurt, Hengeveldstraat" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201802576/1/R6.

Datum uitspraak: 12 december 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Utrecht,

en

1.    de raad van de gemeente Utrecht,

2.    het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "F.C. Dondersstraat 65, Zeeheldenbuurt, Hengeveldstraat" vastgesteld.

Bij besluit van 14 februari 2018 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de herontwikkeling van het voormalige Ooglijdersgasthuis en aangrenzende gronden tot 55 woningen.

De besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 en 3.32 van de Wet ruimtelijke ordening.

Tegen deze besluiten hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2018, waar [appellant] en anderen, in de persoon van [gemachtigde A], bijgestaan door mr. S. Zuethoff, advocaat te Utrecht, en [gemachtigde B], en de raad en het college, vertegenwoordigd door ing. M.L. Voortman, mr. J. van den Heuvel, ir. T. Lazaridis en D. Mohan, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [persoon], bijgestaan door mr. W. van Galen, advocaat te Utrecht, en [gemachtigden], gehoord.

Overwegingen

Algemeen

    Inleiding

1.    De bestreden besluiten voorzien in de herontwikkeling van het voormalige Ooglijdersgasthuis aan de F.C. Dondersstraat in woningen en de nieuwbouw van woningen aan de Cornelis Evertsenstraat/Bleyenburgstraat. Het betreft de realisatie van in totaal 55 woningen, deels appartementen en deels grondgebonden woningen. De betreffende locatie ligt in de Utrechtse Zeeheldenbuurt.

    [appellant] en anderen wonen in de Cornelis Evertsenstraat, Bleyenburgstraat en Alexander Numankade, in de directe omgeving van het plangebied. Zij vrezen dat de voorziene ontwikkeling zal leiden tot een ernstige aantasting van hun woon- en leefklimaat.

Ingetrokken beroepsgrond

2.    [appellant] en anderen hebben ter zitting de beroepsgrond dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet vaststaat, ingetrokken.

Nieuwe beroepsgronden

3.    [appellant] en anderen hebben voor het eerst in het nadere stuk van 25 oktober 2018, onder verwijzing naar het rapport "Contra-expertise nieuwbouw parkeergarage" van Geonius van 1 augustus 2018, aangevoerd dat de aanleg van de in het plan voorziene parkeergarage nadelige effecten heeft op de waterhuishouding. [appellant] en anderen hebben daarnaast voor het eerst in dit nadere stuk, onder verwijzing naar het rapport "Second opinion onderzoek witte paardenkastanjes F.C. Donderstraat te Utrecht" van Pius Floris van 20 juli 2018, aangevoerd dat de werkzaamheden ten behoeve van de uitvoering van het plan leiden tot schade aan twee bestaande kastanjebomen.

    Op het plan is de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) van toepassing. Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd. Naar het oordeel van de Afdeling betreffen de beide hiervoor genoemde betogen nieuwe beroepsgronden ten opzichte van wat [appellant] en anderen in hun beroepschrift naar voren hebben gebracht. Aangezien [appellant] en anderen deze laatste beroepsgronden na afloop van de termijn voor het instellen van beroep naar voren hebben gebracht dienen deze, gelet op artikel 1.6a van de Chw, buiten beschouwing te worden gelaten.   

Het plan

Toetsingskader

4.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Hoogbouwvisie

5.    [appellant] en anderen betogen dat de raad heeft miskend dat het beleidskader uit de Hoogbouwvisie Gemeente Utrecht van 13 januari 2005 (hierna: de hoogbouwvisie) van toepassing is. Volgens hen voorziet het plan immers in ‘hoogbouw’ als bedoeld in de hoogbouwvisie. Zij stellen dat de vraag of sprake is van hoogbouw ook afhankelijk is van de kenmerken van het gebied waarin de bebouwing komt te liggen, dat de planlocatie in het gebied ‘binnentuinen’ ligt, en dat bebouwing van hoger dan 15 meter daar als hoogbouw wordt aangemerkt.

    [appellant] en anderen betogen voorts dat het plan in strijd is met het beleidskader zoals neergelegd in de hoogbouwvisie. Zij voeren hiertoe aan dat het plan hoogbouw mogelijk maakt op een locatie waar dat ingevolge de hoogbouwvisie niet is toegestaan. Volgens hen is de F.C. Dondersstraat bovendien aangemerkt als ‘No Go Area for Highrise’ en heeft de raad ten onrechte niet gemotiveerd waarom hij op deze locatie een accent mogelijk wil maken.

5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de bebouwing die het plan mogelijk maakt niet kan worden aangemerkt als ‘hoogbouw’ als bedoeld in de hoogbouwvisie. Volgens de raad is uitsluitend sprake van hoogbouw indien nieuwbouw hoger dan 30 meter is of hoger dan 1,5 maal de hoogte van de gemiddelde omliggende bebouwing. Aangezien het hoogste nieuwe bouwdeel 18 meter hoog is, is hiervan geen sprake. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat hoewel de hoogbouwvisie strikt genomen niet van toepassing is, hij de hoogte en massa van de voorziene nieuwbouw passend acht op deze locatie en in deze omgeving.

5.2.    In de hoogbouwvisie is vermeld dat deze een beoordelingskader biedt voor het al dan niet meewerken aan initiatieven voor hoogbouw. Voor de Utrechtse situatie zijn op voorhand twee hoogtes relevant in relatie tot hoogbouw. Ten eerste is dit de hoogte waarboven het in beeld brengen van allerlei effecten op de omgeving wenselijk gaat worden. Dit is in ieder geval van belang bij gebouwen van 30 meter of hoger of bij gebouwen hoger dan 1,5 maal de hoogte van de gemiddelde omliggende bebouwing. Ten tweede is hoogte bepalend voor het aanbrengen van stedelijke allure in de stad. Hiervoor wordt de maat 60 tot 80 meter gehanteerd. Wat verder wel of niet onder hoogbouw verstaan wordt heeft onder andere te maken met de verschillende rollen die Utrecht vervult als stad in de Deltametropool, in de regio en als samenstel van wijken, aldus de hoogbouwvisie.

5.3.    Niet in geschil tussen partijen is dat het plan nieuwbouw mogelijk maakt met een maximale hoogte van 14,3 onderscheidenlijk 18 meter. Over laatstgenoemde bebouwing heeft de raad ter zitting toegelicht dat dit een bestaand bouwdeel met een hoogte van 15 meter betreft, waarop een opbouw van 3 meter is voorzien.

5.4.    De Afdeling volgt de raad in zijn standpunt dat op grond van de hoogbouwvisie sprake is van hoogbouw wanneer nieuwbouw 30 meter of hoger wordt of hoger dan 1,5 maal de hoogte van de gemiddelde omliggende bebouwing. De Afdeling acht in dit verband van belang dat voornoemde maatgeving volgt uit hoofdstuk 2 "Het begrip hoogbouw. Wat verstaat men onder het begrip hoogbouw?" van de hoogbouwvisie, waarin het toepassingsbereik is afgebakend. Voorts ziet de Afdeling op basis van hetgeen hierin is vermeld onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling van [appellant] en anderen dat de vraag of sprake is van hoogbouw verder afhankelijk kan zijn van de kenmerken van het gebied waarin nieuwbouw is voorzien.

    De Afdeling is voorts van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt stelt dat de nieuwbouw die het plan mogelijk maakt, niet kan worden aangemerkt als hoogbouw als bedoeld in de hoogbouwvisie. Zij neemt hierbij in aanmerking dat het plan niet voorziet in nieuwbouw van 30 meter of hoger. Verder hebben [appellant] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat het hoogst voorziene bouwdeel van 18 meter hoger is dan 1,5 maal de hoogte van de gemiddelde omliggende bebouwing.     

    Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het beleidskader uit de hoogbouwvisie in dit geval niet van toepassing is.

    Het betoog faalt.

Type woningen

6.    [appellant] en anderen betogen dat het plan ten onrechte niet is toegespitst op het onderscheid in diverse typen woningen die in de onderzoeksrapporten over de woningbehoefte naar voren komen. Zij achten dit onzorgvuldig.

6.1.    De Afdeling overweegt dat de raad beleidsruimte heeft bij het bepalen van de gedetailleerdheid van een vast te stellen bestemmingsplan. De raad heeft gelet op de gewenste flexibiliteit bij de uitvoering van het plan geen regels over woningtypen opgenomen. De Afdeling acht dit niet onredelijk. De Afdeling ziet niet in dat de raad gehouden was om te voorzien in een planregel omtrent diverse typen woningen.

    Het betoog faalt.

Bezonning, uitzicht en privacy

7.    [appellant] en anderen betogen dat het plan ernstige schaduwhinder met zich brengt. Zij voeren daartoe in de eerste plaats aan dat het aan het plan ten grondslag gelegde bezonningsonderzoek ondeugdelijk is. In dit verband verwijzen zij naar de "Bezonningsstudie Herontwikkeling F.C. Donderstraat 65 Utrecht" van iTX BouwConsult van 19 oktober 2018 (hierna: het tegenonderzoek). [appellant] en anderen stellen dat in het aan het plan ten grondslag gelegde bezonningsonderzoek de zogenoemde woontoren en opbouw niet zijn meegenomen, dat de bezonningssituaties voor de woningen aan de Bleyenburgstraat 1 en de Alexander Numankade 1 t/m 15 niet zijn onderzocht en dat de schaduwwerking voor hun tuinen niet is bezien. Zij stellen voorts dat uit het tegenonderzoek blijkt dat het aan het plan ten grondslag gelegde bezonningsonderzoek, om meerdere redenen, onjuist is. [appellant] en anderen voeren daartoe in de tweede plaats aan dat, aangezien uit het aan het plan ten grondslag gelegde bezonningsonderzoek volgt dat niet kan worden voldaan aan de lichte TNO-norm, niet wordt voldaan aan het vereiste aantal zonuren in hun woningen. Zij zijn van mening dat deze TNO-norm een minimumnorm betreft, waaraan ten minste moet worden voldaan. [appellant] en anderen stellen dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen en dat hij het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd.

    [appellant] en anderen betogen voorts dat het plan leidt tot een aantasting van het uitzicht en de privacy van de eigenaren van de woningen aan de Cornelis Evertsenstraat. Zij wijzen in dit verband op de bouwhoogte van de in deze straat voorziene woningen en de afstand daarvan tot de bestaande woningen van appellanten. Zij achten tevens van belang dat aan de voorzijde van de nieuwe woningen franse balkons zijn voorzien en dat de thans in de straat aanwezige bomen zullen worden gekapt.

7.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat ter plaatse van de woningen van [appellant] en anderen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

    De raad wijst in dit verband op de ten behoeve van het plan uitgevoerde "Bezonningsstudie FC Dondersstraat" van 28 november 2017 van Buro SRO (hierna: het bezonningsonderzoek). Volgens de raad volgt hieruit dat wat betreft schaduwwerking ten gevolge van de ontwikkelingen zowel verbeteringen als verslechteringen zullen optreden ten opzichte van de bestaande situatie. De raad stelt zich op het standpunt dat evenwel geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van de bezonning van omliggende woningen. De raad acht in dit verband van belang dat alleen de woningen aan de Cornelis Evertsenstraat in de winter meer schaduw zullen ondervinden, het niet ongebruikelijk is in een stedelijke omgeving dat door de stand van de zon in deze maanden niet aan de lichte TNO norm wordt voldaan en dat deze woningen hoge ramen hebben zodat meer zon zal binnenvallen.

    De raad stelt zich voorts op het standpunt dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het uitzicht en de privacy van omwonenden.

7.2.    Artikel 11, aanhef en onder a, van de planregels luidt:

"Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, afwijken van:

a. de in het plan opgenomen (goot)hoogtematen en bebouwingspercentages tot niet meer dan 10% van deze maten en percentages."

    Artikel 5, lid 5.2.1, onder i, luidt:

"De afwijkingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 11 onder a is niet van toepassing op de bouwhoogte van hoofdgebouwen die zijn toegestaan op basis van 5.2.1 onder a."    

7.3.    Ten behoeve van het plan is onderzoek verricht naar de effecten van de voorziene bebouwing op de bezonningssituatie in de omgeving van het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het bezonningsonderzoek. Hierin is vermeld dat gebruik is gemaakt van een 3D-computermodel en dat voor de voorziene situatie is uitgegaan van de bebouwing die het plan mogelijk maakt. In het bezonningsonderzoek is verder vermeld dat de zogenoemde lichte TNO-norm is toegepast en dat dit een richtlijn is. De lichte TNO-norm gaat uit van tenminste twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober in het midden van de vensterbank op de begane grond. Om inzicht te geven in de gevolgen voor de bezonningssituatie is de situatie op de maatgevende dagen van de vier seizoenen in de bestaande situatie en de toekomstige situatie vergeleken. In het bezonningsonderzoek wordt geconcludeerd dat afhankelijk van het tijdstip en de zone waarin de omliggende bebouwing zich bevindt, het plan zowel verbeteringen als verslechteringen met zich brengt ten opzichte van de bestaande situatie. In het bezonningsonderzoek wordt voorts geconcludeerd dat alleen bij de woningen aan de Cornelis Evertsenstraat 1 t/m 15 (oneven) uitsluitend op 19 februari en 21 oktober niet meer aan de lichte TNO-norm kan worden voldaan. Vanwege de hoge ramen en plafonds kan er ondanks de toename aan schaduw nog ruim voldoende licht in deze woningen komen.

7.4.    In het kader van de voorbereiding van het project zijn in opdracht van [belanghebbende] het volledige plangebied en de woningen aan de Cornelis Evertsenstraat digitaal ingemeten. Dit heeft geleid tot een nader bezonningsonderzoek. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de "Bezonningsstudie FC Dondersstraat" van 9 november 2018 van Buro SRO (hierna: het nader bezonningsonderzoek). Op verzoek van de ontwikkelaar is het nader bezonningsonderzoek gecontroleerd. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de notitie "Second opinion bezonningsstudie" van LBP Sight van 15 mei 2018 (hierna: de second opnion). [belanghebbende] heeft het nader bezonningsonderzoek en de second opinion in het geding gebracht.

    In het nader bezonningsonderzoek is vermeld dat de toename van schaduw ten gevolge van de voorziene ontwikkelingen nog beperkter is gebleken dan in het bezonningsonderzoek is berekend. De oorzaak van deze wijziging is de uitgevoerde 3D inmeting van de woningen aan de Cornelis Evertsenstraat. Hierdoor is exacter bepaald waar deze woningen staan en wat de effecten zijn van de schaduw van de nieuwbouw.

    In de second opinion is vermeld dat daarin het nader bezonningsonderzoek is gecontroleerd voor zover het betreft de aspecten ‘locaties en oriëntatie’, ‘bouwvolumes’ en ‘zonuren’. Op basis van de gecontroleerde aspecten zijn geen afwijkingen geconstateerd in het nader bezonningsonderzoek, aldus de second opinion.

7.5.    Ter onderbouwing van hun standpunt, hebben [appellant] en anderen het tegenonderzoek overgelegd. Hierin is vermeld dat de effecten van de voorziene bebouwing op de bezonningssituatie zijn onderzocht. Daarnaast zijn het bezonningsonderzoek, het nader bezonningsonderzoek en de second opinion bezien. In het tegenonderzoek is vermeld dat daarin is uitgegaan van een worst case-benadering, waarbij is gerekend met de maximale bouwhoogten uit het plan, vermeerderd met 10% dat mogelijk is ingevolge van de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheid. In het tegenonderzoek is voorts vermeld dat op basis van de uitgevoerde zon- en schaduwberekeningen andere conclusies worden getrokken dan in het bezonningsonderzoek, het nader bezonningsonderzoek en de second opinion. Uit het onderzoek is gebleken dat de voorziene bebouwing geen negatieve gevolgen heeft voor de bezonningssituatie ter plaatse van de woningen aan de Alexander Numankade. De woningen aan de Cornelis Evertsenstraat ondervinden echter ernstige schaduwhinder als gevolg van de voorgestane bebouwing. Voor een groot aantal woningen aan deze straat kan niet aan de lichte TNO-norm worden voldaan.

7.6.    De Afdeling stelt vast dat de raad zich bij de vaststelling van het plan, voor zover het betreft de effecten van de voorziene bebouwing op de bezonningssituatie in de omgeving van het plangebied, heeft gebaseerd op het bezonningsonderzoek. De raad heeft ter zitting verklaard dat hij het bezonningsonderzoek juist acht. De raad heeft voorts gesteld dat hij in de resultaten van het nader bezonningsonderzoek en de second opinion, zijn standpunt dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare schaduwhinder bevestigd ziet.

    De Afdeling overweegt dat [appellant] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat het bezonningsonderzoek gebreken dan wel leemten in kennis vertoont en dat de raad zich derhalve niet in redelijkheid op dit rapport heeft mogen baseren. Anders dan [appellant] en anderen stellen volgt uit het bezonningsonderzoek dat voor de nieuwe situatie is uitgegaan van de bebouwing die het plan mogelijk maakt, met inbegrip van de woontoren en de opbouw. Ook volgt uit het bezonningsonderzoek dat de schaduwwerking voor de omliggende tuinen en de woningen aan de Bleyenburgstraat 1 en de Alexander Numankade 1 t/m 15 is onderzocht. Voorts geven de resultaten van het tegenonderzoek geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bezonningsonderzoek. De Afdeling overweegt daartoe dat in het tegenonderzoek bij het bepalen van de schaduwwerking ten gevolge van de voorziene bebouwing ermee rekening is gehouden dat de bouwhoogten met toepassing van de in artikel 11, onder a, van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid met 10% kunnen worden verhoogd, dit ten onrechte omdat in artikel 5, lid 5.2.1, onder i, is bepaald dat de afwijkingsbevoegdheid uit artikel 11, onder a, niet van toepassing is op de bouwhoogte van hoofdgebouwen.

    De Afdeling overweegt voorts, onder verwijzing naar de uitspraak van 4 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH4613, dat voor de bezonning van woningen geen wettelijke normen bestaan. Dat neemt niet weg dat in het kader van een bestemmingsplan een afweging dient plaats te vinden van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Anders dan [appellant] en anderen veronderstellen, behoeft bij deze belangenafweging echter geen doorslaggevende betekenis toe te worden gekend aan het antwoord op de vraag of wordt voldaan aan bepaalde door TNO opgestelde normen voor bezonning, maar is de uitkomst van deze belangenafweging afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is evenwel gebleken dat de lichte TNO-norm waarop [appellant] en andere wijzen, in het bezonningsonderzoek en de belangenafweging van de raad wel als richtlijn is gebruikt. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich, mede op basis van het bezonningsonderzoek, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot onevenredige schaduwhinder voor de woningen van [appellant] en anderen in de omgeving van het plangebied. Hierbij heeft de raad in aanmerking mogen nemen dat uit het bezonningsonderzoek volgt dat door de ontwikkelingen weliswaar verschillen in de bezonningssituaties zullen optreden, maar dat uitsluitend bij een aantal woningen aan Cornelis Evertsenstraat alleen op 19 februari en 21 oktober niet meer aan de lichte TNO-norm wordt voldaan, doch dat ter plaatse door de architectuur van de panden ruim voldoende licht in de woningen komt. Voorts heeft de raad in aanmerking mogen nemen dat in een stedelijke omgeving andere eisen mogen worden gesteld aan lichtinval en bezonning dan in een minder bebouwde omgeving.

    Het betoog faalt.

7.7.    Blijkens de verbeelding voorziet het plan aan de zuidzijde van de Cornelis Evertsenstraat in de bouw van elf woningen met een maximale bouwhoogte van 10,1 meter. Niet in geschil is dat de huidige bebouwing deels acht meter en deels elf meter hoog is. Voorts is niet in geschil dat de Cornelis Evertsenstraat door de bouw van de voorziene woningen twee meter smaller wordt en een breedte zal krijgen van ongeveer 15,5 meter.

    De Afdeling overweegt dat geen recht bestaat op vrij uitzicht. Gezien de bebouwingsmogelijkheden waarin het plan voorziet, valt niet uit te sluiten dat het uitzicht vanuit de woningen van de appellanten in de Cornelis Evertsenstraat zal worden beperkt. Voorts kan worden aangenomen dat hun privacy zal worden aangetast, nu zij in de voorziene situatie zullen worden geconfronteerd met woningen tegenover hun eigen woningen. Gelet echter op bouwhoogte van de nieuwe woningen en de afstand van ongeveer 15,5 meter tot de woningen van [appellant] en anderen, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van hun uitzicht en privacy. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het straatprofiel dat ontstaat passend is in deze stedelijke omgeving.

    Het betoog faalt.

Parkeren

8.    [appellant] en anderen vrezen dat het plan leidt tot parkeeroverlast in de straten rondom het plangebied, waar zij wonen. [appellant] en anderen betogen dat de parkeerdruk in de Zeeheldenbuurt hoog en amper acceptabel is.

    [appellant] en anderen betogen voorts dat de parkeerbehoefte die het plan met zich kan brengen, is onderschat. Zij voeren daartoe aan dat in de parkeerbehoefteberekening ten onrechte is uitgegaan van het voorgestane bouwplan en niet van de maximale planologische mogelijkheden. Er zijn dan ook geen 58 parkeerplaatsen benodigd, maar 61.

    [appellant] en anderen betogen verder dat in het plan onvoldoende is gewaarborgd dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Dat een ondergrondse parkeergarage wordt aangelegd, is ten onrechte niet planologisch verzekerd. Evenmin is planologisch verzekerd dat de bewoners van de voorziene woningen in de parkeergarage en niet in de Zeeheldenbuurt parkeren.

8.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat voor onaanvaardbare parkeeroverlast ten gevolge van de voorziene ontwikkelingen niet hoeft te worden gevreesd. De raad stelt onder verwijzing naar het "Parkeeronderzoek F.C. Dondersstraat in Utrecht" van 14 april 2017 van Buro SRO dat rond het plangebied sprake is van een hoge parkeerdruk. Volgens de raad kan evenwel op eigen terrein worden voorzien in de parkeerbehoefte die het plan genereert. Teneinde te verzekeren dat voldoende parkeergelegenheid zal worden gerealiseerd is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels. Het voorgestane bouwplan, waarvoor ook omgevingsvergunning is verleend, voorziet in de realisatie van een ondergrondse parkeergarage met 80 parkeerplaatsen, derhalve meer dan de maximaal 58 plaatsen die nodig zijn.

8.2.    Ten behoeve van het plan is onderzoek verricht naar de parkeerbehoefte van de voorziene ontwikkelingen. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport "Parkeerbehoefteberekening Ooglijdersgasthuis" (hierna: de parkeerbehoefteberekening) van 29 januari 2015 van Goudappel Coffeng. Hierin is vermeld dat het plan voorziet in de bouw van 55 woningen, waarvan 29 woningen met een oppervlakte van meer dan 130 m², 22 woningen van 80-130 m² en 4 woningen van 55-80 m². In de parkeerbehoefteberekening is verder vermeld dat de gemeente Utrecht parkeernormen heeft vastgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen en dat deze afhankelijk van de oppervlakte van de woning onderscheidenlijk 1,11, 1,02 en 0,94 per woning bedragen. Uitgaande van het voorziene bouwplan ontstaat een parkeerbehoefte van maximaal 58 parkeerplaatsen, aldus de parkeerbehoefteberekening.

8.3.    Artikel 9, derde lid, van de planregels luidt:

"a. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, staat vast dat voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig de normen in de beleidsregels in de Nota Parkeernormen Fiets en Auto, die als bijlage 1 bij de nota Stallen en Parkeren 2013 hoort, wordt gerealiseerd.

b. Als de onder a bedoelde beleidsregels worden gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden."

8.4.    Artikel 3.1.1a van het Bro luidt:

"Bij de vaststelling van een bestemmingsplan kan in ieder geval gebruik worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar."

8.5.    Ten aanzien van het betoog van [appellant] en anderen dat de raad zich in strijd met artikel 3.1.1a van het Bro op de parkeerbehoeftemeting uit 2015 heeft gebaseerd, overweegt de Afdeling, zoals eerder overwogen in de uitspraak van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1075, dat artikel 3.1.1a van het Bro er niet aan in de weg staat dat onderzoeksgegevens ouder dan twee jaar aan het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan ten grondslag worden gelegd. Voorts overweegt de Afdeling dat [appellant] en anderen niet nader hebben onderbouwd waarom de parkeerbehoeftemeting niet meer bruikbaar zou zijn. De enkele omstandigheid dat dit onderzoek ouder dan twee jaar is, is daartoe onvoldoende. De Afdeling volgt [appellant] en anderen derhalve niet in hun betoog.

8.6.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 9 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1426, dient de raad in het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan te beoordelen of zich reeds een parkeertekort voordoet en hoe de door het plan mogelijk gemaakte nieuwe ontwikkelingen zich daartoe verhouden. Verder heeft de Afdeling overwogen dat bij het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen dient te worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden die het plan biedt.

    Niet in geschil is dat de parkeerdruk rond het plangebied hoog is. Voorts is niet in geschil dat in de parkeerbehoefteberekening is uitgegaan van het voorgestane bouwplan en dat dit een parkeerbehoefte van maximaal 58 parkeerplaatsen genereert. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit geen representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het plan betreft. Verder is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat vanwege de parkeerbehoefte die de in het plan voorziene ontwikkelingen genereert, in het plangebied een ondergrondse parkeergarage met 80 parkeerplaatsen zal worden gerealiseerd. Omdat hiermee in het plangebied ruimschoots kan worden voorzien in de parkeerbehoefte die het plan genereert, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet tot een onaanvaardbare toename van de parkeerdruk in de directe omgeving van het plangebied zal leiden.

    Wat betreft het betoog van [appellant] en anderen dat onvoldoende is verzekerd dat op eigen terrein in de benodigde parkeergelegenheid wordt voorzien, overweegt de Afdeling dat de raad terecht stelt dat dit op basis van de in artikel 9.3, onder a, van de planregels vervatte voorwaardelijke verplichting wel degelijk is gewaarborgd. De raad stelt verder terecht dat een verplichting om de eigen auto op eigen erf te parkeren dan wel een verbod om de eigen auto op de openbare weg te parkeren, in een bestemmingsplan niet kan worden opgenomen. Overigens heeft de raad, ten aanzien van de vrees van [appellant] en anderen dat nieuwe bewoners hun tweede auto in de openbare ruimte gaan parkeren, ter zitting verklaard dat op grond van het huidige parkeerbeleid in een dergelijke situatie alleen een parkeervergunning wordt verleend als daarvoor parkeercapaciteit beschikbaar is.

    Het betoog faalt.

Verkeer

9.    [appellant] en anderen betogen dat het plan zal leiden tot een onaanvaardbare verkeerssituatie. Zij voeren hiertoe aan dat een deugdelijk onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de verkeersafwikkeling ontbreekt. In dit verband stellen [appellant] en anderen dat de gevolgen van de toename van het verkeer alleen zijn onderzocht voor de F.C. Dondersstraat en niet voor de overige ontsluitingswegen. Zij voeren voorts aan dat de raad de verkeersbewegingen in de beoogde situatie onjuist heeft berekend en dat de nieuwe woningen meer verkeersbewegingen zullen genereren.

9.1.    De raad stelt zich, onder verwijzing naar de plantoelichting, op het standpunt dat voor verkeersoverlast niet behoeft te worden gevreesd. Volgens de raad zijn ook de gevolgen voor de verkeersafwikkeling op de omliggende wegen onderzocht. Uit telgegevens is gebleken dat het aantal verkeersbewegingen per etmaal op de Biltstraat ongeveer 4.000 bedraagt, op de Museumlaan 8.000, op de Biltstraat (aansluiting Berenkuil) 20.000, op de Waterlinieweg 26.000 en op de Sartreweg 24.000. Evenals op de

F.C. Dondersstraat zal de beperkte toename van het verkeer ten gevolge van het plan op deze wegen niet tot een onaanvaardbare verkeersituatie leiden, aldus de raad.

9.2.    In de plantoelichting is vermeld dat het verkeer ten gevolge van het plan zal worden afgewikkeld via de F.C. Dondersstraat. Gelet op de aard en omvang van de planontwikkeling is de verwachting dat dit goed te verwerken zal zijn. Voorts is in de plantoelichting vermeld dat voor het berekenen van de verkeersgeneratie is aangesloten bij de kencijfers van het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (hierna: de CROW) in publicatie nr. 317 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie". De realisatie van de 55 woningen zal leiden tot ongeveer 275 verkeersbewegingen per etmaal (5 autoritten per woning). Wanneer dit aantal wordt afgezet tegen het aantal welke de Hogeschool van Utrecht genereerde is geen sprake van een significante toename. Uitgaande van 16,4 verkeersbewegingen per 100 studenten was er sprake van 232 verkeersbewegingen per etmaal. Het betreft een zeer beperkte toename in verhouding tot het aantal verkeersbewegingen op de F.C. Dondersstraat (ongeveer 1.000 verkeerbewegingen per etmaal) die nauwelijks effect heeft. Per saldo is er geen significante toename van het aantal verkeersbewegingen en het omliggende wegennet kan die toename prima verwerken, aldus de plantoelichting.

9.3.    Uit de plantoelichting en het verweerschrift is gebleken dat de verkeerssituatie op de F.C. Dondersstraat en de mogelijke gevolgen van de realisatie van de 55 woningen zijn bezien. Voorts is gebleken dat, anders dan [appellant] en anderen betogen, ook de bestaande verkeerssituatie op de overige omliggende infrastructuur en de mogelijke gevolgen daarvoor zijn onderzocht. Gebleken is dat het aantal verkeersbewegingen ten gevolge van het plan met ongeveer 43 per etmaal zal toenemen. De raad stelt zich op het standpunt dat deze toename niet tot een onaanvaardbare verkeersituatie zal leiden, gelet op de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen in verhouding tot de huidige verkeersbewegingen op de F.C. Dondersstraat en de overige wegen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding biedt voor het oordeel dat de raad ter bepaling van het aantal verkeersbewegingen in de voorziene situatie de kencijfers van het CROW op onjuiste wijze heeft toegepast. De niet onderbouwde stelling dat de verkeersgeneratie per woning hoger dan berekend ligt, is daartoe onvoldoende.

    Het betoog faalt.

Verwijzing zienswijze

10.    [appellant] en anderen hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

11.    Gelet op het voorgaande is het beroep voor zover dit het plan betreft ongegrond.

De omgevingsvergunning

Activiteit bouwen

12.    [appellant] en anderen betogen dat onvoldoende inzichtelijk is of de aanvraag om omgevingsvergunning is getoetst aan artikel 7.3.2 van de Bouwverordening gemeente Utrecht (hierna: de bouwverordening), zodat onduidelijk is of geen bouwwerkzaamheden zullen plaatsvinden die overlast en schade veroorzaken voor omwonenden. [appellant] en anderen stellen in relatie tot deze beroepsgrond dat het vereiste dat constructieberekeningen en -tekeningen drie weken voor aanvang van de werkzaamheden moeten zijn ingediend ten onrechte niet als voorschrift aan de vergunning is verbonden en dat bij de voorschriften over damwanden, het palenplan en een bouwkuip geen rekening is gehouden met het voorkomen van overlast en schade voor omwonenden.

12.1.    Artikel 7.3.2 van de bouwverordening luidt:

"Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:

a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid,

b. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein;

c. op voor omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein;

d. instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.

Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enig in deze wet genoemde wet van toepassing is."

12.2.    De Afdeling overweegt dat [appellant] en anderen tevergeefs betogen dat inzichtelijk had moeten worden gemaakt dat is getoetst aan het bepaalde in artikel 7.3.2 van de bouwverordening. Dit artikel bevat geen voorschriften omtrent bouwen waaraan een bouwaanvraag moet worden getoetst. Overigens heeft het college verklaard dat geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat artikel 7.3.2 van de bouwverordening zal worden overtreden, en dat het college bij overtreding van dergelijke voorschriften uit de bouwverordening bevoegd is om handhavend op te treden. Voorts heeft het college ter zitting verklaard dat de werkzaamheden zullen worden gemonitord.

    Voor zover [appellant] en anderen betogen dat het vereiste dat constructieberekeningen en -tekeningen uiterlijk drie weken voor aanvang van de werkzaamheden moeten zijn ingediend niet als voorschrift aan de omgevingsvergunning is verbonden, overweegt de Afdeling dat dit blijkens de algemene voorschriften bij die vergunning wel het geval is. Het betoog mist feitelijke grondslag.

    Voor zover zij betogen dat bij de voorschriften aangaande damwanden, het palenplan en een bouwkuip geen rekening is gehouden met het voorkomen van overlast en schade voor omwonenden, overweegt de Afdeling dat dit blijkens de desbetreffende vergunningvoorschriften wel het geval is. Zo is in een van de voorschriften bepaald dat de voorgestane damwand schade en hinder kan geven aan de omgeving en wordt verzocht een trillings- en lawaaiprognose te overleggen. Het betoog mist eveneens feitelijke grondslag.

Activiteit vellen van een houtopstand

13.    [appellant] en anderen betogen dat het college niet in redelijkheid de omgevingsvergunning voor het vellen van twaalf bomen heeft kunnen verlenen. Zij voeren hiertoe aan dat het college in het bestreden besluit ten onrechte de waarden van de desbetreffende bomen onvoldoende heeft betrokken. In dit verband stellen ze dat het kappen van de bomen afbreuk doet aan de kwaliteit van de openbare ruimte rondom het voormalige Ooglijdersgasthuis. Daarnaast stellen ze dat de tien bomen in de Cornelis Evertsenstraat van belang zijn voor de berging van hemel- en grondwater en dat ze een geluiddempende functie hebben. [appellant] en anderen voeren voorts aan dat het kappen van de desbetreffende bomen in strijd is met het gemeentelijk groenbeleid, dat is gericht op het behoud van deze bomen.

13.1.    Artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) luidt: "Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:

(…)

g. houtopstand te vellen of te doen vellen,

(…)

geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning."

    Artikel 4:7, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 (hierna: de APV) luidt:

"Het is verboden om zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een handeling te verrichten als is beschreven in artikel 2.2, eerste lid,

onder g, van de Wabo."

    Artikel 4:10, eerste lid, luidt:

"Het bevoegd gezag kan de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van:

a. ecologische waarde;

b. ruimtelijke waarde;

c. milieuwaarde;

d. cultuurhistorische waarde."

13.2.    De beslissing om al dan niet een omgevingsvergunning voor het vellen van de in de aanvraag genoemde bomen te verlenen betreft een discretionaire bevoegdheid van het college, waarbij het college de omgevingsvergunning kan weigeren op grond van de in artikel 4:10, eerste lid, van APV genoemde belangen. Het college kan bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het vellen alle relevante belangen meewegen. Dit betekent dat het college bij de beslissing om omgevingsvergunning voor het vellen beleidsruimte heeft. De rechter toetst of het college in redelijkheid tot zijn besluit om omgevingsvergunning te verlenen heeft kunnen komen.

13.3.    Uit het aanhangsel bij de vergunning blijkt dat het college zich bij de besluitvorming heeft gebaseerd op een rapport van de gemeentelijke bomendeskundige, waarin een inventarisatie is gemaakt van de te vellen bomen en de waarden van deze bomen zijn betrokken. Uit het aanhangsel, waarin de inhoud van dit rapport is opgenomen, volgt dat de te kappen bomen weliswaar waarden vertegenwoordigen als bedoeld in artikel 4:10, eerste lid, van de APV, maar in beperkte mate. Uit het aanhangsel volgt voorts dat het college de waarden die de bomen vertegenwoordigen heeft afgezet tegen het belang bij de bouw van de voorziene woningen. Het college acht de realisatie van de woningen van groot belang in verband met de groei van het aantal inwoners van Utrecht, de wens de ruimte in de stad efficiënt te benutten en ter plaatse kwalitatief goede woningen te bouwen. Daarenboven wordt met de herontwikkeling van het Ooglijdersgasthuis erfgoed behouden.

    Met de motivering zoals neergelegd in het aanhangsel bij de vergunning, dat het college een groter gewicht toekent aan het belang bij de realisatie van de woningen, heeft het college naar het oordeel van de Afdeling naar genoegen inzichtelijk gemaakt hoe het de in artikel 4:10, eerste lid, van de APV genoemde waarden heeft afgewogen tegen de belangen die met het verlenen van de vergunning zijn gediend. Deze afweging acht de Afdeling niet onredelijk. Hierbij betrekt zij dat ingevolge de vergunning een herplantingsverplichting bestaat voor één boom op het binnenterrein van het Ooglijdersgasthuis en dat blijkens het aanhangsel bij de herinrichting van de Cornelis Evertsenstraat als uitgangspunt geldt dat tien nieuwe bomen worden aangeplant. Voorts heeft het college gesteld dat in de Cornelis Evertsenstraat een nieuw rioleringsstelsel zal worden aangelegd waarmee ook de wateroverlast wordt verholpen, en dat de bestaande bomen gelet op de afstand tot de door appellanten genoemde wegen geen geluiddempende werking hebben, zodat ook in zoverre het aangevoerde geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de belangenafweging onzorgvuldig is verlopen.

    Verder heeft het college gesteld dat het kappen van de twaalf bomen niet in strijd is met het gemeentelijk groenbeleid. De bomen maken geen onderdeel uit van de stedelijke groenstructuur. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. De enkele stelling dat sprake is van strijd is daartoe onvoldoende.

    Gelet hierop heeft het college naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid de omgevingsvergunning voor het vellen van de twaalf bomen kunnen verlenen.

    Het betoog faalt.

Conclusie

14.    Gelet op het voorgaande is het beroep voor zover dit de omgevingsvergunning betreft ongegrond.

Proceskosten

15.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. H. Bolt, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.J.M. Schoonbrood, griffier.

w.g. Van der Wiel    w.g. Schoonbrood

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2018