Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3904

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-11-2018
Datum publicatie
28-11-2018
Zaaknummer
201602007/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 2 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2091, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zesentwintig weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 2 februari 2016, waarbij de raad het bestemmingsplan "[locatie] te Eijsden" heeft vastgesteld, te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602007/2/R1.

Datum uitspraak: 28 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Eijsden, gemeente Eijsden-Margraten,

en

de raad van de gemeente Eijsden-Margraten,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 2 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2091, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zesentwintig weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 2 februari 2016, waarbij de raad het bestemmingsplan "[locatie] te Eijsden" heeft vastgesteld, te herstellen.

Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij beschikking van 1 december 2017, in zaak nr. 201602007/3/R1, heeft de Afdeling de bij de tussenuitspraak gestelde termijn verlengd tot 1 maart 2018.

Bij brief van 27 februari 2018 heeft de raad medegedeeld dat bij besluit van 20 februari 2018 het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld teneinde de gebreken die in de tussenuitspraak zijn geconstateerd te herstellen.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] een zienswijze naar voren gebracht.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een reactie ingediend naar aanleiding van de zienswijze van [appellant].

Vervolgens heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant], [belanghebbende] en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak tijdens een nadere zitting behandeld op 8 augustus 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.M.E.P.J. Joosten, rechtsbijstandverlener te Roermond, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. Schrijnemaekers, advocaat te Eindhoven, en ing. H. Luth en ir. R.J.P. Henderickx, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

Het beroep tegen het besluit van 2 februari 2016

1.    Het bij besluit van 2 februari 2016 vastgestelde plan voorziet in maximaal vier woningen op het perceel van [belanghebbende] aan de [locatie] te Eijsden. In het verleden was hier een melkveehouderij aanwezig. Deze is in 2009 verplaatst naar de Leentjesweg ongenummerd te Eijsden.

    [appellant] exploiteert buiten het plangebied een fruitteeltbedrijf met een totaal areaal van ruim 10 hectare fruitboomgaard. Ten westen van het plangebied heeft [appellant] grond in eigendom met daarop fruitbomen. Het betreft in overwegende mate laagstambomen met een hoogte van ongeveer 4 m.

    In het bij besluit van 2 februari 2016 vastgestelde plan zijn onder meer gronden met de bestemming "Groen" opgenomen die fungeren als beschermingszone tussen de voorziene woningen en het fruitteeltbedrijf van [appellant]. Hier is voorzien in een aarden wal van 1 m hoog met daarop een zogenoemde dubbele windhaag van 3 m hoog. Deze dubbele windhaag bestaat uit twee op een afstand van 5 m van elkaar gelegen gaashekwerken van 3 m hoog, waarlangs hedera ofwel klimop wordt aangeplant. Hiermee is sprake van een ook in de winter groenblijvende haag.

    [appellant] vreest - ondanks deze beschermingszone - te worden belemmerd in zijn bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van eventuele klachten van de toekomstige bewoners van de voorziene woningen over zijn bedrijf. Daarbij voert [appellant] met name aan dat hij gewasbeschermingsmiddelen gebruikt, waardoor bij de toekomstige bewoners van de woningen blootstelling aan drift - ofwel nevel - van bespuitingen kan optreden. Dit is te meer aan de orde gezien de korte afstand van de voorziene woningen met bijgebouwen en tuinen ten opzichte van zijn fruitteeltbedrijf, aldus [appellant].

    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangehouden afstand van 16,5 m tussen het fruitteeltbedrijf van [appellant] en de voorziene woningen met bijgebouwen en tuinen in dit geval aanvaardbaar is. De raad heeft daartoe verwezen naar het rapport "Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen" van maart 2015 van Plant Research International, onderdeel van Wageningen UR Business Unit Agrosysteemkunde (hierna: het PRI-rapport), het rapport "[locatie] in Eijsden, Locatiespecifiek onderzoek spuitzone" van 1 augustus 2016 van SPA ingenieurs (hierna: SPA-rapport) en het rapport "Aanvullend onderzoek spuitzone [locatie] in Eijsden" van 20 december 2016 van SPA-WNP ingenieurs (hierna: het SPA-WNP-rapport).

    De StAB heeft - voorafgaand aan de tussenuitspraak - tweemaal een deskundigenbericht uitgebracht. In het eerste deskundigenbericht is ingegaan op de bruikbaarheid van het PRI-rapport. In het tweede deskundigenbericht is ingegaan op het SPA-rapport en het SPA-WNP-rapport.

2.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak vastgesteld dat de raad als uitgangspunt een afstand van 50 m hanteert tussen gevoelige objecten en terreinen waar het planologisch mogelijk is om open fruitteelten te realiseren.

De Afdeling heeft vervolgens, met verwijzing naar haar uitspraak van 23 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ8308, opgemerkt dat toepassing van een vuistregel van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid in de fruitsector waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt in het algemeen niet onredelijk is en ook dat vermindering van de afstand van 50 m aanvaardbaar kan zijn vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval en na afweging van alle betrokken belangen.

    De Afdeling heeft vervolgens in de tussenuitspraak overwogen dat de verwijzing van de raad naar het PRI-rapport niet kan worden aangemerkt als een deugdelijke motivering voor de in dit geval aanzienlijke verkleining van de afstand van 50 m die als vuistregel geldt. Hierbij is van belang geacht dat in het eerste deskundigenbericht is geconcludeerd dat het PRI-rapport onvoldoende deugdelijke grondslag biedt voor een locatiespecifiek onderzoek, welke bevinding de raad niet gemotiveerd heeft weersproken.

    De Afdeling is in de tussenuitspraak tot het oordeel gekomen dat de raad ook met zijn verwijzing naar het SPA-rapport en het SPA-WNP- rapport geen deugdelijke motivering heeft gegeven voor de aanzienlijke verkleining van de genoemde afstand van 50 m. In dat kader heeft de Afdeling onder meer opgemerkt dat er bij de berekeningen in het SPA-rapport en het SPA-WNP-rapport is uitgegaan van een driftreductie van 97%, welke aanname is gebaseerd op een onderzoek dat betrekking had op een elzenhaag in een situatie met fruitbomen waarbij de elzenhaag significant hoger was dan de fruitbomen. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat uit zowel het eerste als tweede deskundigenbericht naar voren komt dat die situatie in meerdere opzichten verschilt van de thans aan de orde zijnde situatie. In de eerste plaats is in dit geval de op een aarden wal staande dubbele windhaag niet hoger, maar gelijk aan de hoogte van de fruitbomen. In de tweede plaats is in dit geval geen sprake van een elzenhaag, maar van hedera.

3.    Verder is de Afdeling in de tussenuitspraak ingegaan op het betoog van [appellant] dat in het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 3 maart 2015 staat dat het vastgestelde bestemmingsplan een maximale termijn van realisatie van de woningen dient te bevatten van vijf jaar na de vaststelling van het bestemmingsplan.

3.1.    In dit kader is in de tussenuitspraak verwezen naar artikel 2.4.1, van de Omgevingsverordening Limburg 2014, waarin het volgende is vermeld:

"[…]

Artikel 2.4.2 Nieuwe woningbouw

1. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg voorziet niet in de toevoeging van nieuwe woningen aan de bestaande planvoorraad.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

a. nieuwe woningen die voldoen aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde 'Kwaliteitscriteria nieuwe woningen Zuid-Limburg';

[…]".

    In de beleidsregel "Kwaliteitscriteria nieuwe woningen Zuid-Limburg" staat het volgende:

"De Omgevingsverordening Limburg 2014, paragraaf 2.4, Wonen

Zuid-Limburg is niet van toepassing indien:

[…];

C. naar het oordeel van het college van gedeputeerde staten wegens bijzondere omstandigheden de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de belangen die worden gediend met de Omgevingsverordening, of […]."

    Uit de plantoelichting blijkt dat het van toepassing zijn van de "Kwaliteitscriteria nieuwe woningen Zuid-Limburg" op de bouw van de voorziene woningen een enorme lastenverzwaring voor de initiatiefnemer betekent en dat uitvoering geven aan deze kwaliteitscriteria concreet met zich brengt dat het plan niet-uitvoerbaar wordt. De raad heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg daarom verzocht om paragraaf 2.4 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 niet van toepassing te verklaren. Vervolgens heeft het college van gedeputeerde staten bij besluit van 3 maart 2015 die paragraaf niet van toepassing verklaard. Daarbij heeft het college van gedeputeerde staten gesteld dat bij dit bestemmingsplan sprake is van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld onder C van de aanhef van de gewijzigde beleidsregel "Kwaliteitscriteria nieuwe woningen Zuid-Limburg", waarbij de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de belangen die worden gediend met de verordening. In het besluit van 3 maart 2015 staat verder dat het vastgestelde bestemmingsplan een maximale termijn van realisatie van de woningen dient te bevatten van vijf jaar na de vaststelling van het bestemmingsplan.

3.2.    Artikel 5 van de planregels luidt als volgt:

"5.1 Bestemmingsomschrijving

5.1.1. De op de verbeelding als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen […]"

    Lid 5.7 luidt als volgt:

"5.7.1 Wijzigingsbevoegdheid naar ‘Agrarisch met waarden’

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de voor 'Wonen' aangewezen gronden te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch met waarden’, doch met dien verstande dat het wijzigen eerst mag geschieden indien de bestemming ‘Wonen’ niet binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan is gerealiseerd."

3.3.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak vastgesteld dat - vanwege de voorwaarde uit het besluit van het college van gedeputeerde staten van 3 maart 2015 inhoudende dat het plan een maximale termijn van realisatie van de woningen dient te bevatten van 5 jaar na de vaststelling van het plan - in het ontwerpbestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting was opgenomen, maar dat deze naar aanleiding van de vooroverlegreactie van het college van gedeputeerde staten is gewijzigd in de wijzigingsbevoegdheid in artikel 5, lid 5.7, van de planregels. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat met deze wijzigingsbevoegdheid niet is gewaarborgd dat wordt voldaan aan deze voorwaarde uit het besluit van 3 maart 2015. Daartoe heeft de Afdeling overwogen dat een wijzigingsbevoegdheid geen verplichting inhoudt om tot een bestemmingswijziging over te gaan, zodat het plan het toelaat dat de bestemming "Wonen" gehandhaafd blijft, ook wanneer er 5 jaar na de vaststelling van het plan nog geen woningen zijn gerealiseerd.

De Afdeling heeft in dit kader in de tussenuitspraak opgemerkt dat aan de voorwaarde uit het besluit van 3 maart 2015 had kunnen worden voldaan door in de planregels behorend bij de bestemming "Wonen" een voorwaardelijke verplichting op te nemen die ertoe strekt dat wonen binnen het plandeel met de bestemming "Wonen" uitsluitend is toegestaan indien en voor zover de desbetreffende woning binnen 5 jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan is gerealiseerd.

4.    Gelet op de hierboven weergegeven overwegingen uit de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 20 februari 2016 niet toereikend is gemotiveerd en derhalve is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

    Het beroep van [appellant] is derhalve gegrond, zodat dit besluit dient te worden vernietigd.

Het beroep van rechtswege tegen het besluit van 20 februari 2018

5.    De Afdeling heeft de raad in de tussenuitspraak opgedragen om - wat betreft de ontoereikende motivering van de verkleining van de afstand die als vuistregel wordt aangehouden tussen gevoelige objecten en terreinen waar het planologisch mogelijk is om open fruitteelten te realiseren - het besluit hetzij nader te motiveren, hetzij te wijzigen door een andere planregeling vast te stellen. De Afdeling heeft daarbij opgemerkt dat de raad in dat laatste geval kan bezien of een hogere windhaag tussen de woningen met bijgebouwen en tuinen en de fruitboomgaard met mogelijk een andere samenstelling dan hedera vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is.

    Verder heeft de Afdeling de raad in de tussenuitspraak opgedragen om - ten aanzien van het geconstateerde gebrek met betrekking tot de wijzigingsbevoegdheid van artikel 5, lid 5.7, van de planregels - het besluit te wijzigen.

6.    Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 20 februari 2018 het plan gewijzigd vastgesteld. Daarbij heeft de raad de beschermingszone tussen de voorziene woningen en het fruitteeltbedrijf van [appellant] aangepast. Deze dient thans te bestaan uit drie windhagen van 4 m, te weten twee elzenhagen met daartussenin een coniferenhaag, bovenop een grondwal van 1 m hoog. Hiermee is nog steeds sprake van een ook in de winter groenblijvende haag.

    Verder heeft de raad een voorwaardelijke verplichting in het plan opgenomen, die inhoudt dat wonen binnen de bestemming "Wonen" uitsluitend is toegestaan indien en voor zover de desbetreffende woning binnen 5 jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan is gerealiseerd.

7.    De Afdeling stelt vast dat het besluit van 20 februari 2018 een besluit tot wijziging van het oorspronkelijke bestreden besluit is en dat dit  ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb onderdeel van dit geding is. Het beroep van [appellant] is van rechtswege gericht tegen dit besluit.

Hetgeen [appellant] in zijn zienswijze en nadien, onder meer ter zitting, naar voren heeft gebracht, zal de Afdeling aanmerken als de gronden van het beroep van rechtswege tegen dat besluit.

    [appellant] stelt onder meer dat de raad niet heeft voldaan aan de opdracht omdat de bekendmaking van het gewijzigde besluit te laat heeft plaatsgevonden. Verder betoogt [appellant] in het bijzonder dat hij - ondanks de aangepaste beschermingszone - zal worden belemmerd in zijn bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van de voorziene woningen. [appellant] stelt in dit verband dat de beschermingszone geen goed woon- en leefklimaat in de voorziene woningen garandeert, zodat de toekomstige bewoners van de voorziene woningen over zijn bedrijf kunnen gaan klagen. [appellant] vreest met name dat eventuele klachten van die bewoners ertoe zullen leiden dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen alsnog op een deel van zijn gronden beperkt of uitgesloten zal worden. Tenslotte voert [appellant] ook nog enige beroepsgronden aan over een algemeen onderzoek van het RIVM en de geldigheid van de beoordeling van het college van gedeputeerde staten in het eerdergenoemde besluit van 3 maart 2015.

Bekendmaking

8.     [appellant] voert aan dat de bekendmaking van het besluit eerst op 7 maart 2018 heeft plaatsgevonden, derhalve buiten de door de Afdeling geboden termijn, die tot 1 maart 2018 liep, zodat de raad niet heeft voldaan aan de bij de tussenuitspraak gegeven opdracht.

8.1.    In de beslissing van de tussenuitspraak staat het volgende:

"draagt de raad van de gemeente Eijsden-Margraten op om binnen zesentwintig weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

1. met inachtneming van overweging 12 de in de overwegingen 4.4 en 5.6 geconstateerde gebreken te herstellen;

2. de Afdeling en de andere partijen de uitkomst van de opdracht mede te delen en het gewijzigde besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen."

    Bij beschikking van 1 december 2017 heeft de Afdeling de termijn verlengd tot 1 maart 2018.

8.2.    De Afdeling stelt vast dat de opdracht uit de tussenuitspraak, bezien in samenhang met de beschikking, met zich bracht dat de raad uiterlijk op 1 maart 2018 een gewijzigd besluit diende te nemen en dat besluit vervolgens "zo spoedig mogelijk" bekend diende te maken.

De bekendmaking van het besluit mocht derhalve - anders dan [appellant] veronderstelt - plaatsvinden ná 1 maart 2018. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen grond voor het oordeel dat de raad heeft gehandeld in strijd met de bij de tussenuitspraak gegeven opdracht.

    Reeds hierom faalt het betoog.

Beschermingszone

9.    [appellant] voert aan dat de planregels, nu die de hoogte van de hagen alleen voor de eindsituatie regelen, voor de periode daaraan voorafgaand niet voorzien in voldoende bescherming voor de toekomstige bewoners van de voorziene woningen.

9.1.    Op de verbeelding is aan een strook grond de bestemming "Groen" toegekend en de functieaanduiding "specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing". Voorts is aan een groot deel van het plangebied de bestemming "Wonen" toegekend.

    In artikel 5, lid 5.5.3, van de planregels is onder het kopje "Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing" het volgende bepaald:

    "Het bouwen op en het (doen/laten) gebruik(en) van de bestemming Wonen is uitsluitend toegestaan als de landschappelijke inpassing, zoals aangeduid in artikel 4.1.1 onder a en artikel 5.1.1 onder b, conform het landschapsplan zoals opgenomen in bijlage 1 van deze regels, is uitgevoerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden.

Onder landschapsplan wordt in deze planregels verstaan het 'Landschapsplan [locatie] Eijsden' gedateerd 9 oktober 2017, opgesteld door bureau Pouderoyen (bijlage 1 bij de regels)."

    In artikel 4, lid 4.1, onder 4.1.1, sub a, van de planregels is bepaald dat de voor "Groen" aangewezen gronden zijn bestemd voor landschappelijke inpassing in de vorm van groenvoorzieningen met een visueel afschermende en driftbeperkende functie, ter plaatse van de aanduiding overeenkomstig het landschapsplan opgenomen als bijlage 1 bij deze regels.

9.2.    De raad heeft ter zitting toegelicht dat het noodzakelijk is dat de hagen een aanplanthoogte van 4 m hebben. Volgens de raad volgt die aanplanthoogte uit het in artikel 5, lid 5.5.3, van de planregels genoemde Landschapsplan.

9.3.    Bijlage 1 van de planregels betreft het landschapsplan. Daarin is op pagina 3 onder het kopje "Driftbeperkende beplanting" onder meer het volgende vermeld:

     "Op minimaal 2.0 meter uit de perceelsgrens met de boomgaard worden hagen van 4.0 meter hoog aangeplant op een verhoging van 1.0 meter hoog."

Op pagina 4 is onder het kopje "Aanplant en beheer" onder meer het volgende vermeld:

     "De coniferen- en elzenhagen worden aangeplant met een beginhoogte van 1.0-1.2 meter, waarna ze uitgroeien en op de gewenste hoogte kunnen worden geschoren."

9.4.    De Afdeling stelt vast dat uit het Landschapsplan weliswaar op pagina 3 naar voren komt dat de hagen worden aangeplant op 4 m hoogte, maar dat op pagina 4 een aanplanthoogte van 1.0 tot 1.2 m wordt genoemd. In dit opzicht is het Landschapsplan innerlijk tegenstrijdig.

Met de verwijzing in artikel 5, lid 5.5.3, van de planregels naar het Landschapsplan is, naar het oordeel van de Afdeling, dan ook niet gewaarborgd dat de hagen worden aangeplant met een beginhoogte van 4 m. De raad heeft in zoverre dan ook niet bereikt wat hij heeft beoogd, zodat de Afdeling aanleiding ziet voor het oordeel dat het besluit van 20 februari 2018, voor zover het betreft de vaststelling van artikel 5,

lid 5.5.3, van de planregels, niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen.

    Het betoog slaagt.     

    Overigens merkt de Afdeling op dat de aanplanthoogte van de hagen hierna ook aan de orde komt onder het kopje "Zelf voorzien" (zie overweging 15).

10.    Uit een oogpunt van definitieve geschillenbeslechting ziet de Afdeling aanleiding om thans het plan te beoordelen als ware daarin geregeld dat de aanplanthoogte van de in het landschapsplan genoemde hagen 4 m dient te bedragen en voor het overige wordt voldaan aan hetgeen in het plan onder het kopje "Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing" is gesteld.

11.    [appellant] voert aan dat, ook indien de aanplanthoogte van de hagen 4 m bedraagt, die hagen onvoldoende driftreducerende werking hebben. Hierbij wijst [appellant] erop dat de driftreducerende werking van de hagen, met name een coniferenhaag, onvoldoende is onderzocht in het geactualiseerde locatiespecifieke onderzoek, dat heeft geleid tot het rapport "[locatie] in Eijsden, locatiespecifieke onderzoek spuitzone - actualisatie" van SPA WNP ingenieurs van 8 januari 2018. In dit kader voert [appellant] aan dat betwijfeld kan worden of in de praktijk sprake zal zijn van voldoende onderhoud van de hagen. [appellant] voert aan dat coniferen ziek kunnen worden of takluizen kunnen krijgen, waarna ze kunnen afsterven. Verder kan [appellant] zich niet verenigen met de gehanteerde correctiefactor van 3 vanwege het gemixt gebruiken van 7 verschillende gewasbeschermingsmiddelen. Daarbij wijst [appellant] erop dat in een eerder onderzoek van SPA WNP ingenieurs de correctiefactor van 3 reeds werd gehanteerd bij een spuitmix van slechts 2 werkzame stoffen. Verder voert [appellant] aan dat de hagen schaduwhinder veroorzaken voor de fruitbomen in zijn boomgaard, waardoor verminderde vruchtopbrengst dreigt.

Voorts stelt [appellant] dat in het SPA WNP onderzoek ten onrechte gebruik is gemaakt van het PRI-rapport van mei 2015. Verder voert [appellant] aan dat de raad ten onrechte eraan is voorbijgegaan dat hij zijn laagstamfruitboomgaard kan omvormen tot een hoogstamfruitboomgaard, in welk geval er nog meer hinder ontstaat voor de toekomstige bewoners van de voorziene woningen.

11.1.    De Afdeling overweegt dat de raad bij het besluit heeft beoogd om klachten van de toekomstige bewoners van de in het plan voorziene woningen zo veel mogelijk te voorkomen. Daartoe is in het plan de beschermingszone tussen de voorziene woningen en het fruitteeltbedrijf van [appellant] aangepast, in die zin dat sprake is van een verhoogde windhaag met een andere samenstelling. De Afdeling stelt vast dat het onderhoud van de in die beschermingszone te plaatsen hagen in artikel 5, lid 5.5.3, van de planregels is gewaarborgd, nu daarin staat dat de landschappelijke inpassing conform het landschapsplan kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden. Dit betekent dat, mocht een conifeer ziek worden, deze zal moeten worden vervangen.

    Ten aanzien van de stelling van [appellant] dat SPA WNP ingenieurs in een eerder onderzoek de correctiefactor van 3 hanteerde bij een spuitmix van slechts 2 werkzame stoffen, merkt de Afdeling het volgende op. SPA WNP heeft toegelicht dat een spuitmix van de meest risicovolle stoffen (Captan en clotentezin) tot een correctiefactor van 1,68 leidt. De 5 andere middelen brengen de correctiefactor volgens SPA WNP op ten hoogste 3. Volgens het door de StAB in het kader van de bestuurlijke lus opgestelde derde deskundigenbericht (hierna: het derde deskundigenbericht) is er geen aanleiding om de gehanteerde correctiefactor van 3 voor de spuitmix onjuist te achten, waarbij de StAB er op wijst dat het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden het risico-effect van gecumuleerde blootstelling gering acht. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet, met verwijzing naar het rapport van SPA WNP van 8 januari 2018, mocht uitgaan van een correctiefactor van 3 voor de spuitmix.

    Ten aanzien van de vrees van [appellant] voor verminderde vruchtopbrengst, is in het eerste deskundigenbericht gesteld dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het bij besluit van 2 februari 2016 vastgestelde plan tot verminderde vruchtopbrengst leidt. Verder bedraagt de verhoging van de groenvoorziening in het voorliggende plan ten opzichte van het bij besluit van 2 februari 2016 vastgestelde plan 1 m en is deze daarmee relatief beperkt. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten dat het plan vanwege eventuele met de groenvoorziening gepaard gaande schaduwhinder tot grote gevolgen voor zijn bedrijf leidt.

    Verder merkt de Afdeling op dat in het rapport van 8 januari 2018 is toegelicht dat een wintergroene haag een driftreductie kan bewerkstelligen. Hierbij is uitgegaan van een driftreductie van 95%.

Voor zover [appellant] betoogt dat dit percentage onjuist is en daarbij erop wijst dat het PRI-rapport van mei 2015 ten onrechte is gebruikt door SPA WNP, overweegt de Afdeling dat, wat hier ook van zij, in dit geval geen sprake is van slechts één enkele coniferenhaag, maar ook van twee elzenhagen, waardoor aannemelijk is dat een ruime driftreductie wordt bewerkstelligd. Voorts merkt de Afdeling op dat het voorliggende plan en het bestemmingsplan "Buitengebied" dat voor de gronden van de fruitboomgaard van kracht is, geen beperkingen stellen aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de fruitboomgaard. Daargelaten dat uit het derde deskundigenbericht naar voren komt dat het vervangen van laagstamfruitbomen door hoogstamfruitbomen in bedrijfseconomisch opzicht geen logische ontwikkeling is, brengt het plan geen planologische belemmeringen voor [appellant] mee om zijn bedrijfsvoering in dit opzicht te wijzigen. Mede gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het plan geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van [appellant]. Hierbij neemt de Afdeling ook in ogenschouw dat de fruitboomgaard van [appellant] een relatief grote omvang heeft en dat de fruitboomgaard niet verder in de richting van de gronden in het plangebied met een woonbestemming kan worden uitgebreid, omdat de fruitboomgaard al tot de perceelgrens reikt. Onder de vorengeschetste omstandigheden - in het bijzonder gezien de in het plan geregelde beschermingszone en de bevindingen in het derde deskundigenbericht - is de Afdeling van oordeel dat de raad bij de afweging van alle in aanmerking komende belangen, waaronder de belangen van [appellant], in redelijkheid een doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang bij woningbouw.

    De betogen falen.

Algemeen onderzoek RIVM

12.    [appellant] voert aan dat thans een algemeen onderzoek door het RIVM wordt verricht naar de gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden van fruitplantages. Volgens [appellant] heeft de raad ten onrechte het onderhavige plan vastgesteld, terwijl de resultaten van dit onderzoek vermoedelijk al begin 2019 duidelijk worden.

12.1.    De Afdeling overweegt dat geen rechtsregel met zich brengt dat de raad met het vaststellen van het plan had moeten wachten op de resultaten van het door [appellant] bedoelde onderzoek. Bovendien lag het, gelet op de termijnstelling in de bij de tussenuitspraak gegeven opdracht, niet in de rede dat de raad zou wachten tot begin 2019 met het nemen van een besluit.

    Het betoog faalt.

Geldigheid beoordeling college van gedeputeerde staten

13.    [appellant] voert aan dat, onder het kopje "beperkte geldigheid oordeel", in het eerdergenoemde besluit van het college van gedeputeerde staten van 3 maart 2015 naar voren komt dat de daarin gegeven beoordeling geldt voor één jaar te rekenen vanaf de verzending van de desbetreffende brief. [appellant] stelt dat die termijn ten tijde van het besluit van 20 februari 2018 was verstreken, zodat geen rechten meer aan de beoordeling van het college van gedeputeerde staten kunnen worden ontleend.

13.1.    In het besluit van 3 maart 2015 heeft het college van gedeputeerde staten onder het kopje "Beslissing" gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld onder C van de aanhef van de gewijzigde beleidsregel "Kwaliteitscriteria nieuwe woningen Zuid-Limburg", waarbij de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de belangen die worden gediend met de verordening.

    Vervolgens is in dit besluit onder het kopje "Beperkte geldigheid oordeel" het volgende vermeld:

"Omdat de maatschappij in beweging is en het beleid regelmatig wordt aangepast, geldt deze beoordeling voor een beperkte periode. We gaan uit van een periode van één jaar te rekenen vanaf datum verzending van deze brief. Indien in die tijd de ontwikkeling nog niet geleid heeft tot een vastgesteld bestemmingsplan kunnen er geen verdere rechten meer aan dit oordeel worden ontleend. […]."

13.2.    Vast staat dat het bij het besluit van 2 februari 2016 vastgestelde plan binnen de door [appellant] bedoelde termijn van één jaar is genomen. Voorts is hangende de procedure over dat besluit het gewijzigde besluit van 20 februari 2018 genomen. Gegeven deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de beoordeling van het college van gedeputeerde staten

- inhoudende dat sprake is van bijzondere omstandigheden in vorenbedoelde zin - ook voor het voorliggende, gewijzigde besluit geldt.

    Het betoog faalt.

Conclusie beroep tegen het gewijzigd besluit

14.    Gelet op hetgeen hiervoor onder 9.4. is overwogen, is het beroep van rechtswege gegrond en dient het besluit van 20 februari 2018, voor zover het betreft de vaststelling van artikel 5, lid 5.5.3, van de planregels, wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Zelf voorzien

15.    Ter zitting heeft de raad aangegeven dat - indien de Afdeling wat betreft de voorwaardelijke verplichting inzake de landschappelijke inpassing een gebrek zou constateren - zij zelf in de zaak kan voorzien. Voorts is niet aannemelijk dat andere belanghebbenden hierdoor in hun belangen zouden kunnen worden geschaad. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak ten aanzien van artikel 5, lid 5.5.3, van de planregels in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover dit is vernietigd.

    De Afdeling zal, in het kader van het zelf voorzien, aan artikel 5, lid 5.5.3, van de planregels toevoegen dat de aanplanthoogte van de in het Landschapsplan genoemde hagen 4 meter dient te bedragen.

    Met deze toevoeging zal artikel 5, lid 5.5.3, van de planregels als volgt komen te luiden:

"Het bouwen op en het (doen/laten) gebruik(en) van de bestemming Wonen is uitsluitend toegestaan als de landschappelijke inpassing, zoals aangeduid in artikel 4.1.1 onder a en artikel 5.1.1 onder b, conform het landschapsplan zoals opgenomen in bijlage 1 van deze regels, is uitgevoerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden. De aanplanthoogte van de in het landschapsplan genoemde hagen dient 4 meter te bedragen.

Onder landschapsplan wordt in deze planregels verstaan het 'Landschapsplan [locatie] Eijsden' gedateerd 9 oktober 2017, opgesteld door bureau Pouderoyen (bijlage 1 bij de regels)."

Verwerking op de landelijke voorziening

16.    Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

17.    De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van 2 februari 2016, waarbij de raad van de gemeente Eijsden-Margraten het bestemmingsplan "[locatie] te Eijsden" heeft vastgesteld, gegrond;

II.    vernietigt het besluit van 2 februari 2016, waarbij de raad van de gemeente Eijsden-Margraten het bestemmingsplan "[locatie] te Eijsden" heeft vastgesteld;

III.    verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van 20 februari 2018, waarbij de raad van de gemeente Eijsden-Margraten het bestemmingsplan "[locatie] te Eijsden" gewijzigd heeft vastgesteld, gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van 2 februari 2016, waarbij de raad van de gemeente Eijsden-Margraten het bestemmingsplan "[locatie] te Eijsden" gewijzigd heeft vastgesteld, voor zover het betreft de vaststelling van artikel 5, lid 5.5.3, van de planregels;

V.    bepaalt dat artikel 5, lid 5.5.3, van de planregels als volgt komt te luiden:

"Het bouwen op en het (doen/laten) gebruik(en) van de bestemming Wonen is uitsluitend toegestaan als de landschappelijke inpassing, zoals aangeduid in artikel 4.1.1 onder a en artikel 5.1.1 onder b, conform het landschapsplan zoals opgenomen in bijlage 1 van deze regels, is uitgevoerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden. De aanplanthoogte van de in het landschapsplan genoemde hagen dient 4 meter te bedragen.

Onder landschapsplan wordt in deze planregels verstaan het 'Landschapsplan [locatie] Eijsden' gedateerd 9 oktober 2017, opgesteld door bureau Pouderoyen (bijlage 1 bij de regels)."

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit van 20 februari 2018, voor zover dit is vernietigd;

VII.    draagt de raad van de gemeente Eijsden-Margraten op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel V wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VIII.    veroordeelt de raad van de gemeente Eijsden-Margraten tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.922,69 (zegge: tweeduizend negenhonderdtweeëntwintig euro en negenenzestig cent), waarvan € 2.755,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX.    gelast dat de raad van de gemeente Eijsden-Margraten aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzitter, en mr. B.J. Schueler en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Van Loo

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2018

418.