Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3898

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-11-2018
Datum publicatie
28-11-2018
Zaaknummer
201805846/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2018:3435, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 oktober 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kindgebonden budget over 2017 van [appellant] herzien naar nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 05-12-2018
FutD 2018-3304
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201805846/1/A2.

Datum uitspraak: 28 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juni 2018 in zaak nr. 18/349 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kindgebonden budget over 2017 van [appellant] herzien naar nihil.

Bij besluit van 11 december 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2018, waar [appellant] en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het voor deze uitspraak relevante wettelijk kader is opgenomen in de bijlage en maakt deel uit van deze uitspraak.

2.    [appellant] heeft in 2017 voorschotten aan kindgebonden budget ontvangen. Het voorschot kindgebonden budget over 2017 van [appellant] is bij besluit van 28 december 2016 vastgesteld op een bedrag van € 2.955,00. Bij het besluit van 22 oktober 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot herzien naar nihil. Aan dat besluit, gehandhaafd bij het besluit van 11 december 2017, heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [persoon A] in de periode van 1 januari tot en met december 2017 de toeslagpartner van [appellant] was. Volgens [appellant] echter kan [persoon A] niet als haar toeslagpartner worden aangemerkt omdat hij nooit feitelijk op haar adres heeft gewoond en haar adres uitsluitend als postadres heeft gebruikt.

3.    De rechtbank heeft voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 30 september 2017 geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen [persoon A] ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) terecht als toeslagpartner van [appellant] heeft aangemerkt. De inschrijving in de Basisregistratie Personen (hierna: de BRP) is daarvoor bepalend, niet de feitelijke situatie. Dat de Belastingdienst/Toeslagen voor het jaar 2014 [persoon A] niet als toeslagpartner van [appellant] heeft aangemerkt, hoewel hij ook in dat jaar op het adres van [appellant] stond ingeschreven in de BRP, maakt dit niet anders. Voorts heeft de Belastingdienst/Toeslagen over de periode van 1 oktober 2017 tot en met 31 december 2017 [persoon A] terecht aangemerkt als toeslagpartner, gelet op artikel 3, derde lid, van de Awir, aldus de rechtbank.

4.    [appellant] betoogt dat artikel 1.7 tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet BRP op haar geval van toepassing is. Ter zitting heeft [appellant] gesteld dat onverkorte toepassing van artikel 3 van de Awir een goede vervulling van de taak van het bestuursorgaan in de weg staat. Omdat de Awir lagere wetgeving betreft, moet artikel 3 van de Awir toegepast worden met inachtneming van artikel 1.7, tweede lid, aanhef, en onder d, van de wet BRP. De Belastingdienst/Toeslagen hoeft, gelet op laatstgenoemde bepaling, niet uit te gaan van de inschrijving van [persoon A] in de BRP. De rechtbank heeft ten onrechte de uitspraak van de Afdeling van 6 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2397) gevolgd. In haar geval is niet artikel 1.7, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet BRP van toepassing, maar artikel 1.7, tweede lid, aanhef en onder d, Wet BRP, aldus [appellant].

4.1.    Vast staat dat [persoon A] van 1 januari tot en met 30 september 2017 stond ingeschreven op het adres van [appellant] en haar minderjarige kind. Artikel 3 van de Awir is bepalend voor het vaststellen van partnerschap voor de inkomensafhankelijke regelingen, waaronder het kindgebonden budget. Gelet op het tweede lid, aanhef en onder e, is de Belastingdienst/Toeslagen bij het antwoord op de vraag of [persoon A] als toeslagpartner van [appellant] moest worden aangemerkt, terecht uitgegaan van de gegevens die zijn opgenomen in de BRP. Geen beroep is gedaan op de uitzonderingsbepaling voor een geval van huur op zakelijke gronden. Omdat artikel 3 van de Awir, anders dan [appellant] betoogt, een dwingendrechtelijke wettelijke bepaling betreft, is er geen mogelijkheid om van de inschrijving in de BRP af te wijken. Hieruit volgt dat artikel 1.7, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet BRP buiten toepassing moet blijven. Uit artikel 1.7, tweede lid, aanhef en onder c, volgt dat afwijking van de inschrijving in de BRP alleen mogelijk is, indien dat bij wettelijk voorschrift is bepaald. Artikel 6, derde lid, van de Awir is een dergelijk voorschrift. De in die bepaling vermelde regeling is neergelegd in artikel 3, tweede lid, van de Uitvoeringregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Niet in geschil is dat van een situatie als bedoeld in die bepaling geen sprake is. Derhalve bieden de Awir en de Uitvoeringsregeling in dit geval geen mogelijkheid om van de inschrijving in de BRP af te wijken. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen [persoon A] terecht heeft aangemerkt als toeslagpartner voor de periode 1 januari 2017 tot en met 30 september 2017.

    Het betoog faalt.

4.2.    Tevens staat vast dat [persoon A] ook tot en met 31 december 2017 stond ingeschreven op het adres van [appellant]. Op 11 september 2017 werd niet meer werd voldaan aan het partnercriterium van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir, omdat het kind van [appellant] op die datum meerderjarig is geworden. Gelet op artikel 3, derde lid, van de Awir, heeft de rechtbank echter terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen [persoon A] ook over de periode van 1 oktober 2017 tot en met 31 december 2017 terecht heeft aangemerkt als toeslagpartner.

5.    [appellant] betoogt voorts dat een strikte toepassing van artikel 3 van de Awir in haar geval niet rechtvaardig is. Zij verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 9 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2138).

5.1.    In die uitspraak is de vraag aan de orde of de uitzondering op het partnercriterium genoemd in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir strikt toegepast moet worden. Deze uitzondering betreft gevallen waarin sprake is van een zakelijke huurovereenkomst tussen een belanghebbende en een ander. Aangezien op deze uitzondering in dit geval geen beroep is gedaan, treft dit betoog geen doel.    

6.    [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het vertrouwensbeginsel niet zo ver strekt dat de Belastingdienst/Toeslagen is gehouden een fout uit een voorgaand toeslagjaar te herhalen. De rechtbank heeft miskend dat de dienst bij besluit op bezwaar van 19 mei 2016 heeft beslist dat in 2014 geen sprake was van een toeslagpartner en [persoon A] ook in 2015 en 2016 niet als toeslagpartner is aangemerkt, terwijl hij ook toen op haar adres stond ingeschreven. De situatie is in 2017 niet gewijzigd. Voorts kreeg zij, bij het invullen van een vragenlijst op de website van de Belastingdienst als resultaat te zien dat ze geen toeslagpartner heeft. Gelet hierop mocht zij erop vertrouwen dat de Belastingdienst/Toeslagen [persoon A] ook in 2017 niet zou aanmerken als toeslagpartner, aldus [appellant].

6.1.    Zoals de Afdeling eerder meermaals heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 20 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:113) strekt het vertrouwensbeginsel niet zo ver, dat de Belastingdienst/Toeslagen is gehouden een fout uit een voorgaand toeslagjaar te herhalen. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat een aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete en ondubbelzinnige toezegging is gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

    Volgens de Belastingdienst/Toeslagen is [persoon A] in de periode 2014 tot en met 2016 ten onrechte niet als toeslagpartner aangemerkt. De vragenlijsten op de website van de Belastingdienst/Toeslagen, aangeduid als rekenhulpen, dienen ertoe om in de meest voorkomende gevallen antwoord te geven op vragen. Bij deze vragenlijsten wordt geen rekening gehouden met uitzonderingen. Bovendien is het mogelijk dat gebruikers de vragenlijst onjuist invullen, met onjuiste informatie als gevolg. De informatie die is verkregen na het invullen van de vragenlijst kan derhalve niet worden aangemerkt als een concrete en ondubbelzinnige toezegging die is gedaan door een daartoe bevoegd persoon. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat een beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.

    Het betoog faalt.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Van Soest-Ahlers

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2018

902-343. BIJLAGE

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 3:

1. Partner van de belanghebbende is degene die ingevolge artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als partner wordt aangemerkt. Artikel 2, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.

2.  In aanvulling op het eerste lid wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen onder partner mede verstaan degene die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende en:

[…]

e. die evenals de belanghebbende meerderjarig is, waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste een van beiden staat ingeschreven, behoudens ingeval de belanghebbende door middel van een schriftelijke huurovereenkomst, waaraan bij ministeriële regeling nadere voorwaarden kunnen worden gesteld, doet blijken dat een van beiden op zakelijke gronden een gedeelte van de woning huurt van de ander.

[…]

3. Degene die ingevolge het tweede lid voor een deel van het berekeningsjaar als partner wordt aangemerkt, wordt ook als partner aangemerkt in de andere perioden van het berekeningsjaar, voor zover hij in die perioden als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende.

Artikel 6:

[…]

3. Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen regels worden gesteld op basis waarvan iemand die in de basisregistratie personen niet op zijn woonadres is ingeschreven, geacht wordt daarin wel op dat adres te zijn ingeschreven.

De Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 3:

[…]

2. Iemand die in de basisregistratie personen niet op zijn woonadres is ingeschreven, wordt geacht daarin wel op dat adres te zijn ingeschreven, indien:

[…]

c. blijkt dat sprake is van een onjuiste inschrijving in de basisregistratie personen voor de periode tot aan de datum van adreswijziging, bedoeld in artikel 2.20, derde lid, van de Wet basisregistratie personen;

De Wet basisregistratie personen

Artikel 1.7:

1. Het bestuursorgaan dat bij de vervulling van zijn taak informatie over een ingeschrevene nodig heeft die in de vorm van een authentiek gegeven beschikbaar is in de basisregistratie, gebruikt voor die informatie dat gegeven.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:

[…]

c. bij wettelijk voorschrift anders is bepaald;

d. een goede vervulling van de taak van het bestuursorgaan door de onverkorte toepassing van het eerste lid wordt belet.