Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3894

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-11-2018
Datum publicatie
28-11-2018
Zaaknummer
201800391/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:6457, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2016 heeft het college de anciënniteitlijst van de vergunninghouders van vaste standplaatsen voor de voedsel- en warenmarkten op zaterdag in het centrum van Arnhem vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800391/1/A3.

Datum uitspraak: 28 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 december 2017 in zaak nr. 17/1875 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem.

Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2016 heeft het college de anciënniteitlijst van de vergunninghouders van vaste standplaatsen voor de voedsel- en warenmarkten op zaterdag in het centrum van Arnhem vastgesteld.

Bij besluit van 9 maart 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 december 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en [persoon A] hebben ieder een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2018, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J. Hindriks, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] had een standplaats voor een viskraam op de zaterdagmarkt op het Kerkplein in Arnhem. Op 19 januari 2016 heeft het college besloten om de zaterdagmarkt met ingang van 9 december 2016 te verplaatsen van het Kerkplein naar de Markt. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 28 oktober 2016 heeft het college een anciënniteitlijst als bedoeld in artikel 8 van de Marktverordening 2004, zoals deze luidde ten tijde van belang, voor de zaterdagmarkt op de Markt vastgesteld. Op de anciënniteitlijst voor de branche vis stond [appellant] op de tweede plaats met als anciënniteitdatum 1 oktober 1993. [persoon A] stond op de eerste plaats met als anciënniteitdatum 1 april 1990. Het college stelt zich op het standpunt dat [persoon A] recht had op een hogere plaats dan [appellant]. [appellant] kan zich daarmee niet verenigen. Omdat [persoon A] op de eerste plaats stond, mocht hij als eerste een plaats op de markt kiezen.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft overwogen dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat in de jaren 90 van de vorige eeuw vrijwel geen vergunningen voor standplaatsen zijn verleend. Standplaatsen werden mondeling toegewezen door de marktmeester. Aan [persoon A] is destijds een standplaats mondeling toegewezen en die toewijzing dient als vergunningverlening te worden aangemerkt. Het college heeft aannemelijk mogen achten dat [persoon A] vanaf 1 april 1990 standplaats heeft ingenomen. Verder had [persoon A] eind 1998 in aanmerking kunnen komen voor een vergunning op eigen naam. Een verzoek van [persoon B] van 26 oktober 1998 om een vergunning voor een standplaats op naam van [persoon A] te verstrekken, is ten onrechte niet in behandeling genomen maar had ingewilligd kunnen worden, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college [persoon A] ten onrechte op de anciënniteitlijst heeft geplaatst. Daartoe voert hij aan dat aan [persoon A] in de jaren 90 geen vergunning voor een standplaats is verleend. [appellant] betwist de stelling van het college dat in de jaren 90 vrijwel geen vergunningen voor standplaatsen zijn verleend. Ook voor het verplaatsen begin jaren 90 van de viskraam van [persoon A] naar de standplaats naast die van [vishandel] en [persoon A] is geen toestemming verleend. Verder heeft de rechtbank ten onrechte aannemelijk geacht dat het verzoek van [persoon B] in 1998 om een vergunning op naam van [persoon A] te verstrekken, zou zijn ingewilligd als het college op het verzoek had beslist, aldus [appellant].

3.1.    Artikel 1, aanhef en onder g, van de Marktverordening 2004, zoals deze gold ten tijde van belang, luidt: "In deze verordening wordt verstaan onder vergunninghouder: degene aan wie door het college vergunning is verleend voor het innemen van een standplaats."

    Artikel 5 luidt: "Het is verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder vergunning van het college."

    Artikel 8 luidt: "Vergunninghouders van vaste standplaatsen worden ingeschreven op een doorlopend genummerde lijst met vermelding van en in volgorde van de datum, waarop aan hen voor het eerst een vaste plaats is toegewezen. Bij deze inschrijving wordt tevens vermeld de soort artikelen die de vergunninghouder mag verhandelen of de branche waartoe hij behoort."

    Artikel 11 luidt: "Indien voor de toewijzing van een beschikbare vaste standplaats meer aanvragers in aanmerking komen, wordt de standplaats achtereenvolgens toegewezen aan:

a. de vergunninghouder van een vaste standplaats die aan het college schriftelijk de wens te kennen heeft gegeven van standplaats te willen veranderen, in volgorde van plaatsing op de anciënniteitlijst;

b. degene die zich op de wachtlijst heeft laten inschrijven, in volgorde van inschrijving op deze lijst."

3.2.    Gelet op artikel 8 van de Marktverordening 2004 wordt de volgorde op de anciënniteitlijst bepaald door de datum waarop aan een gegadigde voor het eerst een vaste standplaats is toegewezen. Volgens het college geschiedde de toewijzing van vaste standplaatsen in de jaren 90 van de vorige eeuw in de praktijk mondeling door de marktmeester, alleen vergunningen werden in een kaartenbak bijgehouden; in zoverre was de administratie niet op orde, hetgeen het gemeentebestuur valt toe te rekenen, niet de standplaatshouders. Dat aan sommige standplaatshouders wel een vergunning is verleend, zoals [appellant] stelt, laat onverlet dat aannemelijk is geworden dat de toewijzing, welk woord ruimte laat voor een andere toewijzing dan door middel van een schriftelijke vergunning, in de meeste gevallen op deze wijze heeft plaatsgevonden. Het college heeft een bewijs van inschrijving overgelegd, waaruit volgt dat [persoon A] met ingang van 1 april 1990 was ingeschreven voor de zaterdagmarkt op het Kerkplein. [persoon A] heeft gesteld dat hij in april 1990 een standplaats op de markt heeft ingenomen, die vrij kwam na het vertrek van een andere viskraam. Hij heeft schriftelijke verklaringen overgelegd van voormalige marktkooplieden die die stelling bevestigen. [persoon A] heeft op enig moment zijn kraam verplaatst en een standplaats ingenomen naast de viskraam van zijn vader, handelend onder de naam [vishandel] & [persoon A]. Ook voor die standplaats heeft hij gesteld mondeling toestemming te hebben gekregen van de marktmeester, hetgeen in overeenstemming was met de toenmalige praktijk van het gemeentebestuur. Voor zover [appellant] die stelling betwist, heeft hij het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Verder heeft [persoon A] verscheidene bankafschriften uit 1993 overgelegd waaruit volgt dat hij voor een vaste standplaats heeft betaald. Gelet op het voorgaande heeft het college aannemelijk mogen achten dat aan [persoon A] op 1 april 1990 een standplaats is toegewezen en dat hij die plaats sindsdien ook persoonlijk heeft ingenomen. Of het verzoek van 26 oktober 1998 om een vergunning op naam van [persoon A] te verstrekken ingewilligd had kunnen worden, kan in het midden blijven. Omdat [persoon A] een standplaats is toegewezen, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college hem, gelet op artikel 8 van de Marktverordening 2004, terecht op de anciënniteitlijst heeft geplaatst. Omdat ook aannemelijk is geworden dat die toewijzing met ingang van 1 april 1990 heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank ook met juistheid geoordeeld dat het college heeft mogen uitgaan van 1 april 1990 als anciënniteitdatum.

3.3.    Het betoog faalt.

Slotsom

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.1.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.S. Man, griffier.

w.g. Polak    w.g. Man

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2018

629.