Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:389

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
201704904/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:5073, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 april 2016 heeft de raad een aanvraag van [gemachtigde] om vergoeding van extra uren rechtsbijstand ten behoeve van [appellant A] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704904/1/A2.

Datum uitspraak: 7 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], wonend te Utrecht, en [gemachtigde], kantoorhoudend te [plaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 mei 2017 in zaak nr. 16/7578 in het geding tussen:

[appellant A] en [gemachtigde]

en

de raad voor rechtsbijstand (lees: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2016 heeft de raad een aanvraag van [gemachtigde] om vergoeding van extra uren rechtsbijstand ten behoeve van [appellant A] afgewezen.

Bij besluit van 29 juni 2016 heeft de raad opnieuw beslist op deze aanvraag en de afwijzing gehandhaafd.

Bij besluit van 5 augustus 2016 heeft de raad de door [appellant A] en [gemachtigde] tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 mei 2017 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [gemachtigde] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en hun verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [gemachtigde] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant A] en [gemachtigde] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2017, waar [gemachtigde], mede als vertegenwoordiger van [appellant A], en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Doets en mr. C.W. Wijnstra, beiden werkzaam bij de raad, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant A] is op 22 mei 2012 aangehouden als verdachte van het plegen van opzetheling en op 23 mei 2012 in verzekering gesteld. Diezelfde dag is zij in vrijheid gesteld. Er is geen vervolging ingesteld wegens onvoldoende bewijs.

    Op 6 juni 2014 heeft de raad [appellant A] een toevoeging verleend voor het verlenen van rechtsbijstand door [gemachtigde] in verband met een onrechtmatige overheidsdaad en het vorderen van schadevergoeding wegens letselschade.

2.    Op 22 maart 2016 heeft [gemachtigde] een aanvraag ingediend om toekenning van ruim 26 extra uren rechtsbijstand.

    Bij besluit van 4 april 2016 heeft de raad deze aanvraag afgewezen. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat [gemachtigde] eerst de verleende toevoeging moest muteren omdat zij door een verhuizing werkzaam was geworden in het ressort Den Haag. Daarna kon zij opnieuw een aanvraag indienen, aldus de raad. Vervolgens heeft de raad de aanvraag bij besluit van 29 juni 2016 inhoudelijk beoordeeld en zijn afwijzing gehandhaafd. Volgens de raad is niet gebleken van een bijzondere rechtsvraag of een juridisch relevant feitencomplex waardoor de zaak bewerkelijk wordt. Dit standpunt heeft de raad gehandhaafd bij besluit op bezwaar, waarbij hij de door [appellant A] en [gemachtigde] gemaakte bezwaren onder overneming van het advies van de commissie voor bezwaar ongegrond heeft verklaard. De afwijzing van de aanvraag met als motivering dat de toevoeging eerst moest worden gemuteerd, was onterecht, maar de raad begrijpt niet waarom [appellant A] of [gemachtigde] daardoor schade heeft geleden.

Uitspraak rechtbank

3.    De rechtbank heeft overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant A] en [gemachtigde] door de onjuiste procedure omtrent de mutatie niet in hun belangen zijn geschaad. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de zaak niet als zodanig bewerkelijk kan worden aangemerkt dat deze niet binnen het forfaitaire aantal uren kon worden afgewikkeld. Volgens de rechtbank heeft de raad de aanvraag daarom op goede gronden afgewezen.

Relevante wet- en regelgeving

4.    De relevante bepalingen uit de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: het Bvr 2000) luiden als volgt:

Artikel 37 van de Wrb

"1. Het bestuur verstrekt aan een rechtsbijstandverlener een subsidie, genoemd vergoeding, voor:

a. de door hem op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand;

[…]

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot:

a. het bedrag van de vergoeding en de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;

b. de aanvraag van de vergoeding en de besluitvorming daarover;

[…]"

Artikel 13 van het Bvr 2000

"1. Indien in een procedure de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan drie maal het aantal punten dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak of op grond van artikel 6 is bepaald, wordt voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, één punt toegekend mits het bestuur de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd.

[…]"

Artikel 31 van het Bvr 2000

"1. In afwijking van het eerste lid van artikel 28 dient de rechtsbijstandverlener bij het bereiken van de in de artikelen 13 en 22 bedoelde tijdgrens een aanvraag in bij het bestuur tot vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden. Tegelijkertijd legt hij een begroting over met betrekking tot de tijdsbesteding van de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden.

2. Het bestuur stemt geheel of gedeeltelijk in met de begroting, bedoeld in het eerste lid, indien het van oordeel is dat de rechtsbijstand doelmatig wordt verleend.

[…]"

5.    De raad voert beleid voor het toekennen van extra uren als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van het Bvr 2000, neergelegd in de werkinstructie 'Eerste aanvraag extra uren'. In paragraaf 2.2 is voor wat betreft de vraag wat onder ‘doelmatig’ moet worden verstaan, vermeld dat dit criterium is gekoppeld aan de feitelijke en/of juridische complexiteit van de zaak.

    Ten aanzien van de feitelijke complexiteit is uiteengezet dat van een bewerkelijke zaak wordt gesproken, als sprake is van een omvangrijk juridisch relevant feitencomplex, waardoor niet verwacht kan worden dat alle rechtsbijstand binnen de forfaitaire grens kan worden verleend. Feitelijke complexiteit moet objectief vast te stellen zijn in vergelijking met een soortgelijke zaak. Bijvoorbeeld uitvoerige inhoudelijke correspondentie, een bijzonder of langdurig procesverloop met een groot aantal zittingen of noodzakelijk overleg met een deskundige. Geen bewerkelijkheid van de zaak wordt aangenomen als uitsluitend wordt verwezen naar het aantal aan de zaak bestede uren, de omvang van het dossier of factoren die herleidbaar zijn tot de persoon(lijkheid) van de rechtzoekende of wederpartij.

    Ten aanzien van de juridische complexiteit is uiteengezet dat daarvan sprake is als er bijzondere rechtsvragen zijn, die zelden voorkomen in soortgelijke zaken. De advocaat moet aantonen dat sprake is van een bijzondere rechtsvraag, omdat in die zaak geen of beperkte jurisprudentie aanwezig is én de wetgeving onduidelijk is, of omdat nieuwe Nederlandse wetgeving moet worden getoetst aan Europese wetgeving, aldus het beleid.

Beoordeling hoger beroep

6.    Partijen hebben hun geschil over de onjuiste procedure omtrent de mutatie onderling geregeld. Deze kwestie speelt geen rol meer.

7.    [appellant A] en [gemachtigde] betogen dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan hun betoog dat de raad een te streng beleid hanteert voor het toekennen van extra uren rechtsbijstand. Zij betogen dat het aantal door de raad toegekende uren rechtsbijstand totaal niet gelijk loopt met de daadwerkelijke tijdsbesteding. Daarom is het onterecht dat de raad vervolgens een streng beleid hanteert voor de toekenning van extra uren rechtsbijstand. Door dit strenge beleid wordt de druk op advocaten erg hoog. Zij krijgen geen vergoeding voor verleende extra uren rechtsbijstand, terwijl zij tegelijkertijd geen kosten in rekening mogen brengen bij hun cliënten en zich niet aan de zaak mogen onttrekken, aldus [appellant A] en [gemachtigde]. In het kader van dit betoog verwijzen zij naar verschillende stukken.

7.1.    Hoewel de rechtbank niet uitdrukkelijk op dit betoog is ingegaan, kan dit niet leiden tot het ermee beoogde resultaat. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV3224) geeft artikel 31, tweede lid, van het Bvr 2000 de raad beoordelingsruimte en daarmee de bevoegdheid beleid vast te stellen ten aanzien van de afhandeling en beoordeling van bewerkelijke zaken en het op grond daarvan toekennen van extra uren rechtsbijstand boven de forfaitaire urengrens. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:950) is het beleid van de raad voor het toekennen van extra uren als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van het Bvr 2000 niet onredelijk. Het betoog van [appellant A] en [gemachtigde] leidt niet tot een ander oordeel. In dit kader is van belang dat het beleid voldoende ruimte biedt om aan de hand van de specifieke omstandigheden van een bepaalde zaak te bezien of aanleiding bestaat extra uren toe te kennen. Inherent aan een forfaitair stelsel van vergoedingen is dat de gemiddelde tijdsbesteding in de ene zaak niet wordt gehaald en in de andere zaak wellicht wordt overschreden. Het forfaitaire stelsel gaat ervan uit dat een normatieve, kwalitatief verantwoorde behandeling van bepaalde zaken een bepaalde modale tijdsbesteding vergt. Gegeven het forfaitaire karakter van het toevoegingenstelsel behoeft niet iedere overschrijding van het aantal verleende uren tot honorering van een verzoek om extra uren te leiden (uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX9070). Ook het betoog van [appellant A] en [gemachtigde] dat zij het beleid van de raad procesmatig niet volgen, leidt niet tot een ander oordeel. Hetgeen zij in dit kader aanvoeren ziet namelijk op het vereiste dat is opgenomen in artikel 31, eerste lid, van het Bvr 2000 en niet op het beleid van de raad.

    Het betoog faalt.

8.    Uit het besluit van 6 juni 2014, waarbij de raad de toevoeging aan [appellant A] heeft verleend, volgt dat deze is verleend voor het voeren van een procedure. Dit komt overeen met de aanvraag van 28 mei 2014 om verlening van die toevoeging, waarbij als soort rechtsbijstand is vermeld 'procedure'. Voor zover [appellant A] en [gemachtigde] beogen te betogen dat de raad met het besluit van 5 augustus 2016 ten onrechte is vooruitgelopen op een wijziging in het beleid per 1 oktober 2016, door [appellant A] geen aparte toevoegingen te verstrekken voor een minnelijk traject voorafgaand aan een procedure over de vordering van schadevergoeding en die procedure zelf, kunnen zij daarin niet worden gevolgd. De raad heeft ter zitting gemotiveerd toegelicht dat hij volgens zijn beleid geen aparte toevoeging verstrekt voor een minnelijk traject en dat hij in overeenstemming met zijn beleid heeft gehandeld door aan [appellant A] een toevoeging te verlenen voor het voeren van een procedure.

9.    [appellant A] en [gemachtigde] betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de zaak niet als zodanig bewerkelijk kan worden aangemerkt dat deze niet binnen het forfaitaire aantal uren kon worden afgewikkeld.

    Zij voeren aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de raad de bewijslast ten onrechte heeft omgedraaid. Nu de raad de aanvraag heeft afgewezen wegens het ontbreken van voldoende juridische of feitelijke complexiteit, is het aan hem om dat standpunt te motiveren. Wat betreft de complexe aspecten van de zaak, voeren [appellant A] en [gemachtigde] aan dat zij uitgebreid zijn ingegaan op het werk van een advocaat in letselschadezaken en de specifieke complexe aspecten in deze zaak. De rechtbank heeft volgens hen niet onderkend dat zich wel bijzondere rechtsvragen voordoen, namelijk over discriminatie, de vraag of een kind afgehouden mag worden van bijstand door een raadsman tijdens een verhoor en of de inverzekeringstelling rechtmatig is geschied. Dat de zaak complex is, volgt ook uit de overgelegde aansprakelijkstelling van 6 juli 2015, de vele punten waarop het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) ingaat in de brief van 8 september 2015, de brief van het OM van 23 maart 2016 waarin wordt gesproken over 'de complexiteit van het dossier' en het diagnosedocument van het Juridisch Loket waaruit volgt dat de jurist van dat loket de zaak dermate ingewikkeld vond dat hij bijstand door een gespecialiseerde advocaat nodig vond voor het onderzoek naar de aansprakelijkheid en de aansprakelijkstelling. Volgens [appellant A] en [gemachtigde] neemt de raad te makkelijk aan dat een rechtzoekende zelfredzaam is en geen hulp nodig heeft. Verder voeren zij aan dat het zeer lang heeft geduurd voor het OM een bepaald proces-verbaal aan hen stuurde en dat het onredelijk is als de daarmee gepaard gaande kosten voor hun rekening komen.

9.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 11 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3445) handelt het bij bewerkelijke zaken om toekomstige werkzaamheden en derhalve moet worden bezien welke werkzaamheden naar verwachting in redelijkheid nog moeten worden verricht. Dit dient te worden beoordeeld aan de hand van de in te dienen begroting en naar het moment van indiening van de aanvraag.

9.2.    In de aanvraag van 22 maart 2016 om toekenning van extra uren rechtsbijstand heeft [gemachtigde] de tot dan toe verrichte werkzaamheden omschreven en daarvan een urenspecificatie overgelegd. Daaruit volgt dat zij ruim 31 uur aan die werkzaamheden heeft besteed. In de omschrijving is vermeld dat [gemachtigde] tevergeefs strafrechtelijke stukken heeft opgevraagd bij het OM, welke stukken zij uiteindelijk via de rechtbank en andere wegen heeft verkregen. Vervolgens heeft zij onderzoek verricht en met [appellant A] de aansprakelijkstelling opgesteld en verstuurd. Op een eerste afwijzing van die aansprakelijkstelling heeft [gemachtigde] gereageerd. Omdat de wederpartij niet reageert, staat zij nu voor een procedure. In de aanvraag heeft [gemachtigde] ook de juridische en feitelijke complexiteit van de zaak toegelicht. Vermeld is dat er veel feitencomplexen en veel onrechtmatigheden zijn, die allemaal separaat onderbouwd en beoordeeld moeten worden. Daarnaast is er letsel en schade opgelopen, dat ook beoordeeld en onderbouwd moet worden. Tenslotte moeten het letsel en de daaruit voortvloeiende schade aan de diverse onrechtmatige handelingen gelinkt worden, aldus [gemachtigde]. In de aanvraag heeft zij ook een begroting opgenomen van de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden en de tijd die daarmee gepaard gaat, ruim 26 uur.

9.3.    Anders dan [appellant A] en [gemachtigde] betogen, beroept de aanvrager van een verzoek om extra uren zich op een uitzonderingssituatie, waardoor het aan hem is om aannemelijk te maken dat sprake is van een bewerkelijke zaak die toekenning van een vergoeding van extra uren rechtvaardigt (vergelijk eerdergenoemde uitspraak van 5 april 2017).

    [appellant A] en [gemachtigde] hebben gemotiveerd betoogd dat letselschadezaken in het algemeen naar hun aard complex en bewerkelijk zijn. Daarmee hebben zij echter niet aannemelijk gemaakt dat zich in de zaak waarvoor de toevoeging is verleend bijzondere rechtsvragen voordoen, die zelden voorkomen in vergelijkbare zaken. Dit hebben zij evenmin aannemelijk gemaakt met hun betoog over de specifieke aspecten van de zaak. De vraag naar het recht van een minderjarige op bijstand tijdens een verhoor of de rechtmatigheid van een inverzekeringstelling, levert op zichzelf geen bijzondere rechtsvraag op in zaken waarbij sprake is van letselschade als gevolg van die inverzekeringstelling. Dat daarbij het vraagstuk van discriminatie een rol speelt, brengt evenmin zonder meer met zich dat het gaat om een bijzondere rechtsvraag. Gezien het voorgaande heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de zaak juridisch complex is.

    Verder heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de zaak zich op 22 maart 2016 nog niet aftekende als feitelijk complex. In dit kader is van belang dat de door [gemachtigde] en [appellant A] gestelde onrechtmatigheden zich voornamelijk hebben voorgedaan in een korte periode, op 22 en 23 mei 2012. De rechtbank is de raad terecht gevolgd in zijn standpunt dat voor zover intensief overleg wordt gevoerd door partijen, dit de zaak tijdrovend maakt, maar daarmee nog niet bewerkelijk. Hetzelfde geldt voor de lange duur van het verkrijgen van bepaalde relevante dossierstukken. De raad heeft in dit kader gemotiveerd toegelicht dat het stelsel van vergoedingen zo is ingericht dat een belanghebbende de ene keer minder tijd en de andere keer meer tijd zal besteden aan een zaak. Verder kan een doorverwijzing van het Juridisch Loket een aanwijzing zijn dat het inschakelen van een advocaat nodig is, maar daaruit volgt niet dat de zaak, waaronder mede het verlenen van bijstand aan [appellant A] bij de aansprakelijkstelling, zodanig complex is dat deze niet binnen het forfaitaire aantal uren kan worden afgehandeld. Dit volgt evenmin uit de overige stukken waarnaar [appellant A] en [gemachtigde] in dit kader verwijzen. Gezien het voorgaande heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de zaak feitelijk complex is.

    Het betoog faalt.

Slotsom

10.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Nu hieruit volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen omstandigheden voordoen op grond waarvan een veroordeling van de raad tot vergoeding van geleden schade kan worden uitgesproken, zal het verzoek van [appellant A] en [gemachtigde] daartoe reeds daarom worden afgewezen.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.D.J. van Heijst, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Van Heijst

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2018

787.