Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3880

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-11-2018
Datum publicatie
28-11-2018
Zaaknummer
201708169/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:5580, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2016 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen onder meer het gebruik van het perceel  Meilustweg 31 te Bergen op Zoom (hierna: het perceel) en de hoogte van een op het perceel geplaatst hekwerk, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2019/3 met annotatie van
Omgevingsvergunning in de praktijk 2019/7990
JBO 2018/284 met annotatie van Meijden, D. van der
M en R 2019/40 met annotatie van W.J.B. Claassen-Dales
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708169/1/A1.

Datum uitspraak: 28 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Bergen op Zoom,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 augustus 2017 in zaken nrs. 16/7305 en 17/1722 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom.

Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2016 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen onder meer het gebruik van het perceel  Meilustweg 31 te Bergen op Zoom (hierna: het perceel) en de hoogte van een op het perceel geplaatst hekwerk, afgewezen.

Bij besluit van 29 augustus 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 augustus 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 augustus 2016 vernietigd, voor zover daarbij het handhavingsverzoek van [appellant] ten aanzien van de mestopslag is afgewezen, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit op bezwaar in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en Memo B.V. hebben een schriftelijke reactie gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting, gevoegd met zaak nr. 201708162/1/A1, behandeld op 4 september 2018, waar [appellant A], bijgestaan door mr. H.E.C.M. Nieland, en het college, vertegenwoordigd door ing. F.C. Suijkerbuijk, zijn verschenen. Voorts is ter zitting memo B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. E. Gadzo, advocaat te Bergen Op Zoom, als partij gehoord. Daarna zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

1.    Praktijk Memo is een praktijk voor geestelijke gezondheidszorg en tevens een logeerhuis voor mensen met een beperking, gevestigd op het perceel. Praktijk Memo behandelt sinds 2014 gedurende drie dagdelen per week een groepje van 8 tot 15 kinderen in de leeftijd van 5 tot 15 jaar oud. De kinderen moeten op andere dagen naar school.

Deze zorg biedt de kinderen behandeling en structuur en ontlast tegelijk de huiselijke kring. Er zijn nooit meer dan 15 kinderen aanwezig gedurende 3 dagdelen per week.

    Verder wordt er een vaste geroep van 25 volwassenen dagbesteding geboden in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Er zijn niet elke dag 25 volwassenen aanwezig, maar deze groep wordt verspreid over verschillende dagdelen in de week behandeling geboden.

    Voorts wordt een wisselend aantal kinderen en volwassenen poliklinisch behandeld. Deze behandeling kan variëren van 1 keer per week tot 1 keer per jaar.

2.    Ten tijde van het besluit op bezwaar waren [appellant A] en [appellant B] eigenaren van het perceel [locatie] te Bergen op Zoom. Dit perceel ligt in de buurt van het perceel.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet het college heeft opgedragen om handhavend op te treden tegen de op het perceel geplaatste mestkar. Volgens [appellant] had het college Memo B.V. moeten  opdragen om de mestkar te verplaatsen naar privéterrein van de eigenaren van Memo B.V.

3.1.    Artikel 3.45, eerste lid, van het Activiteitenbesluit luidt:

"§3.4.5 Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen met een totaal volume van meer dan 3 kubieke meter."

3.2.    Niet in geschil is dat Memo een inrichting is als bedoeld in de Wet milieubeheer die valt onder de werking van het Activiteitenbesluit.

Evenmin in geschil is dat ten tijde van de zitting in beroep de mest op het perceel wordt opgeslagen in een kar met een opvangcapaciteit die niet groter is dan 3 kubieke meter. Op 3 oktober 2016 heeft Memo een melding als bedoeld in het Activiteitenbesluit bij het college ingediend. Vervolgens heeft het college Memo bij brief van 1 november 2016 gemeld dat de melding is geaccepteerd. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat Memo met de ingediende melding en de mestopslag aan het Activiteitenbesluit voldoet. Er bestond voor de rechtbank daarom geen aanleiding om het college op te dragen om handhavend op te treden tegen de locatie van de mestkar. Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt verder ten aanzien van zijn verzoek om handhavend op te treden tegen geluidoverlast, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat bij het bepalen van de geluidbelasting, geen rekening hoeft te worden gehouden met het stemgeluid van kinderen. Volgens [appellant] wordt dit stemgeluid alleen buiten beschouwing gelaten als sprake is van een school of kinderdagverblijf hetgeen niet het geval is.

Omdat volgens [appellant] geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder i, van het Activiteitenbesluit kan evenmin toepassing worden gegeven aan artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder a, van die wet.

    Verder voert [appellant] aan dat de directie van Memo erop heeft toegezien dat er minder geluidoverlast wordt veroorzaakt in de periode  waarin OMWB de metingen heeft verricht.

4.1.    Artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit luidt:

"Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan (…)"

    Artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder a en i, luidt:

"Bij het bepalen van de geluidsniveaus, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20, blijft buiten beschouwing:

a. het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, dat onderdeel is van de inrichting, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein;

(…)

i. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang."

4.2.    Het college heeft de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) de opdracht gegeven om akoestisch onderzoek te verrichten, teneinde de geluidsbelasting van de inrichting (met name de timmerwerkplaats) vast te stellen. De OMWB heeft daartoe in de periode 2 november 2016 tot en met 8 december 2016 continu geluidmetingen verricht ter plaatse van de woning van [appellant] en heeft daarvan op 13 december 2016 rapport uitgebracht. Volgens de OMWB wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden die op grond van het Activiteitenbesluit gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en voor het maximale geluidniveau (LAmax).

    [appellant] heeft een deskundig tegenrapport overgelegd van DPA Cauberg-Huygen van 1 juni 2017. Dit rapport betreft een weergave van bevindingen naar aanleiding van geluid- en beeldopnames bij het huis op het perceel [locatie] in de periode 12 juli 2016 tot en met 18 juli 2016. DPA Cauberg-Huygen heeft geconcludeerd dat er sprake is van forse overschrijdingen van de geldende geluidgrenswaarden. Daarbij is opgemerkt dat ook de frequentie van de overschrijdingen van de maximale geluidgrenswaarden als zeer hinderlijk ervaren kunnen worden.

4.3.    Gelet op het vorenstaande is het verschil in onderzoeksbevindingen van de OMWB en DPA Cauberg-Huygen groot.

Niet in geschil is dat dit verschil wordt veroorzaakt omdat de OMWB in haar metingen geen rekening heeft gehouden met het stemgeluid van de spelende kinderen. [appellant] betoogt dat dit stemgeluid alleen buiten beschouwing mag worden gelaten als sprake is van een school of kinderdagverblijf. Dit betoog is niet juist. Gelet op de tekst van artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit blijft het stemgeluid van personen bij het bepalen van de geluidniveaus buiten beschouwing. Aangezien kinderen personen zijn heeft OMWB in haar metingen terecht geen rekening gehouden met het stemgeluid van de spelende kinderen.

Geen grond bestaat voor het oordeel dat artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder i, van het Activiteitenbesluit aan de toepassing van artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder a, van die wet in de weg staat, zoals ter zitting door [appellant] naar voren is gebracht.

    Verder is niet aannemelijk dat de directie van Memo erop heeft toegezien dat er minder geluidoverlast wordt veroorzaakt in de periode (van ruim een maand) waarin OMWB de metingen heeft verricht.

De rechtbank is er dan ook terecht vanuit gegaan dat het onderzoek van OMWB een representatief beeld geeft van de situatie ter plaatse. Het college heeft het besluit op bezwaar van 27 januari 2017 derhalve op het onderzoeksrapport van OMWB mogen baseren.    

5.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten aanzien van het verzoek om handhavend op te treden tegen de hoogte van het op de erfgrens geplaatste hek, niet heeft onderkend dat voor dit hek een omgevingsvergunning is vereist. [appellant] voert daartoe aan dat het hek geen 2 m is maar 2.05 m Volgens [appellant] heeft Memo B.V. het terrein waarop het hek staat substantieel verhoogd, waardoor het hek gemeten vanaf de grond voordat die is opgehoogd in werkelijkheid hoger is dan 2 m.

5.1.    Artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) luidt:

"Tenzij anders bepaald, worden hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein gemeten, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven. (…)"

Het derde lid luidt:

"Bij de toepassing van het tweede lid, aanhef en onderdeel b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is."

Artikel 2, aanhef en onder 12, van Bijlage II bij het Bor luidt:

"Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een erf- of perceelafscheiding, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. (…)

b. niet hoger dan 2 m, en (…)"

5.2.    Het hek staat tegen de erfgrens van het perceel en het perceel [locatie] dat eigendom is van [appellant]. Het college heeft zich onvoldoende weersproken op het standpunt geplaatst dat het perceel niet is verhoogd, maar is geëgaliseerd waarbij 55 m³ grond is afgevoerd. Niet in geschil is dat de kant van het hek waar het perceel ligt, de kant is waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, gelezen in verbinding met het derde lid, van Bijlage II bij het Bor heeft het college terecht aan die kant gemeten bij het bepalen van de hoogte van het hek. Dit betekent dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het hek 2 m is. Gelet hierop heeft het college zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat voor het bouwen van het hek geen omgevingsvergunning is vereist als bedoeld in artikel 2, aanhef onder 12 van Bijlage II bij het Bor. Het betoog faalt.

6.    [appellant] verzoekt verder al hetgeen hij overigens in bezwaar en in beroep naar voren heeft gebracht als letterlijk herhaald en ingelast te beschouwen.

6.1.    De Afdeling begrijpt uit deze hoger beroepsgrond dat [appellant] hiermee bedoelt te betogen dat de bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden als hier herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.

Dit betoog is een herhaling van hetgeen hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank is hierop in de aangevallen uitspraak gemotiveerd ingegaan. In hoger beroep heeft [appellant] geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden en argumenten in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. In hetgeen [appellant] in zoverre heeft aangevoerd, bestaat dan ook geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier.

w.g. Wortmann    w.g. Van Leeuwen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2018

543.